Wiggenbeen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wiggenbeen
Os sphenoides
Bot
Wiggenbeen zichtbaar midden rechts
Wiggenbeen zichtbaar midden rechts
Figuur 1: Wiggenbeen, bovenzijde.
Figuur 1: Wiggenbeen, bovenzijde.
Synoniemen
Latijn Os sphenodes[1]

Os sphenoideum[2][3][4]
Os sphenoidale[4][5][6]
Os cuneiforme[7][4][8]
Os basilare[7][8]
Os cuneo comparatum[7]
Os multiforme[7]
Os colatorii[7][8]
Os cribratum[7][8]
Os polymorphum[1][2][3]
Os palati[7][8]
Os sphecoideum[9][4]
Cavilla[9][8]
Colatorium[8]
Os azygos[9][8]
Os paxillare[9][4][8]
Os baxillare[8]
Os balare[8]
Os vespiforme[4][8]
Paxillum[7][8]
Os alaeforme[4]
Os alare[4]
Os alatum[4]

Oudgrieks πολύμορφον[7][10]
Naslagwerken
Gray's Anatomy 35,147
MeSH A02.835.232.781.802
Portaal  Portaalicoon   Biologie
os sphenoides (geel in het midden van de schedel)

Het wiggenbeen[11][12] of os sphenoides[9][13][12][14] is één van de botten in de basis van de schedel. Het bevindt zich op ooghoogte in het midden van de schedel, is vlindervormig en ongeveer 10 cm breed. In dit bot bevindt zich een holte, de sinus sphenoidicus. Hierachter zit de sella Turcica (= Turkse zadel). Daarin ligt de hypofyse. Het hellende vlak van de achterzijde van het os sphenoides dat ondersteuning geeft aan de pons wordt clivus genoemd.

Het wiggenbeen is het eerste bot dat in het embryo wordt gevormd. In het begin van het embryo is het plat, zoals bij alle zoogdieren. Als de hersenen en het zenuwstelsel zich beginnen te ontwikkelen ontvouwt het wiggenbeen zich en krijgt het zijn uiteindelijke vorm. Als die ontvouwing niet optreedt, ontstaat er nauwelijks hersenvorming en een reusachtige kaak, waardoor het embryo niet levensvatbaar is. Een dergelijke schedel lijkt veel op miljoenen jaren oude schedels:
Tijdens de evolutie van de mens is het wiggenbeen namelijk bij het steeds verder rechtoplopen meer naar beneden gekromd, waardoor meer ruimte voor de hersenen ontstond. In het verleden is het vijf keer verder gekromd, waarbij er telkens een nieuwe soort van het geslacht Homo ontstond.

Bij een hypofyseoperatie wordt eerst het neustussenschot verwijderd. Vervolgens wordt een gat geboord in het wiggenbeen om uiteindelijk via de sella Turcica bij de hypofyse te komen.

Etymologie[bewerken]

De naam os sphenoides is afkomstig van het Oudgrieks σφηνοειδής sphenoeidés[15], wigvormig [15][10], afgeleid van σφήν[15], Oudgrieks voor wig[15][10] vanwege het wigvormige uiterlijk van het bot.

Naast de schrijfwijze os sphenoides komt men ook os sphenoidale[5][6] tegen. Deze schrijfwijze is echter volgens sommige[16] af te keuren. Het is namelijk een bijvoeglijk naamwoord dat uit een Grieks hoofddeel met een Latijnse uitgang (-ale) bestaat.

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Auflage). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  2. a b Siebenhaar, F.J. (1850). Terminologisches Wörterbuch der medicinischen Wissenschaften. (Zweite Auflage). Leipzig: Arnoldische Buchhandlung.
  3. a b Gabler, E. & Winkler, T.C. (1881). Latijnsch-Hollandsch woordenboek over de geneeskunde en de natuurkundige wetenschappen. (Tweede druk). Leiden: A.W. Sijthoff.
  4. a b c d e f g h i Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  5. a b His (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  6. a b Federative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  7. a b c d e f g h i Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  8. a b c d e f g h i j k l m Fonahn, A. (1922). Arabic and Latin anatomical terminology. Chiefly from the Middle Ages. Kristiania: Jacob Dybwad.
  9. a b c d e Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  10. a b c Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  11. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  12. a b Broek, A.J.P. van den, Boeke, J & Barge, J.A.J (1954). Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens. Deel I. Geschiedenis der ontleedkunde, bewegingsorganen, vaatstelsel (8ste druk). Utrecht: N.V. A. Oosthoek’s Uitgeverij Mij.
  13. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3. Aufgabe). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  14. Sliosberg, A. (1975). Elsevier’s medical dictionary in five languages. English/American / French / Italian / Spanish and German. (2de uitgave). Amsterdam/Oxford/New York: Elsevier’s Scientific Publishing Company.
  15. a b c d Triepel, H. (1927). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Anhang: Biographische Notizen.(Elfte Auflage). München: Verlag von J.F. Bergmann.
  16. Triepel, H. (1908). Memorial on the anatomical nomenclature of the anatomical society. In A. Rose (Ed.), Medical Greek. Collection of papers on medical onomatology and a grammatical guide to learn modern Greek (pp. 176-193). New York: Peri Hellados publication office.