Antisociale persoonlijkheidsstoornis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Antisociale persoonlijkheidsstoornis
Coderingen
ICD-10 F60.2
DSM-IV 301.7
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

De antisociale persoonlijkheidsstoornis is een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door antisociaal en impulsief gedrag. In de samenleving heeft ongeveer 3% van de mannen en 1% van de vrouwen de antisociale persoonlijkheidsstoornis (volgens het DSM-IV).

Classificatie[bewerken]

DSM IV-TR[bewerken]

Het DSM-IV definieert de antisociale persoonlijkheidsstoornis als een pervasief patroon van veronachtzaming en schending van de rechten van anderen dat zich openbaart vanaf het 16e levensjaar. De diagnose dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

A: Een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen, vanaf het vijftiende jaar aanwezig en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit drie (of meer) van de volgende kenmerken:

  • niet in staat zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn
  • oneerlijkheid, zoals blijkt uit herhaaldelijk liegen, het gebruik van valse namen of anderen bezwendelen ten behoeve van eigen voordeel of plezier
  • impulsiviteit of onvermogen ‘vooruit te plannen'
  • prikkelbaarheid en agressiviteit, zoals blijkt uit bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging
  • roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van zichzelf of anderen
  • constante onverantwoordelijkheid, zoals blijkt uit het herhaaldelijk niet in staat zijn geregeld werk te behouden of financiële verplichtingen na te komen
  • gebrek aan berouw, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen gekwetst, mishandeld of bestolen te hebben

B: De leeftijd is ten minste achttien jaar.

C: Er zijn aanwijzingen voor een gedragsstoornis beginnend vóór het vijftiende jaar.

D: Het antisociale gedrag komt niet uitsluitend voor in het beloop van schizofrenie of manische episodes.

ICD-10[bewerken]

De WHO's International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems, tenth edition (ICD-10) beschrijft de dissociale persoonlijkheidsstoornis.[1] Voor een diagnose moet aan tenminste drie van de onderstaande criteria zijn voldaan:

  • Een harteloze ongevoeligheid voor de gevoelens van anderen
  • Onverantwoordelijkheid en een langdurige onverschilligheid voor sociale normen, waarden en regels
  • Een onvermogen tot het aangaan van langdurige relaties, hoewel er geen moeite is met het aangaan van relaties
  • Lage frustratie-tolerantie en een lage drempel voor agressie
  • Onvermogen tot het ervaren van schuld of om te leren uit ervaring, bijvoorbeeld straf
  • Bereidheid om anderen de schuld te geven van het gedrag of het rationaliseren van de schade die wordt toegebracht aan de maatschappij

De aandoening is volgens de classificatie niet hetzelfde als de antisociale gedragsstoornis.

Comorbiditeit[bewerken]

Een antisociale persoonlijkheidsstoornis gaat vaak samen met een of meer van de volgende psychische aandoeningen:[2]

Kenmerkend gedrag[bewerken]

Mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis kunnen heel innemend en charmant zijn, maar ze kunnen door impulsiviteit en gebrek aan inlevingsvermogen snel in conflicten terechtkomen. Ze zijn niet bang aangelegd en hebben moeite de consequenties van hun handelingen in te zien. Berouw, empathie of schuldgevoel komt bij ASP-lijders niet of slechts in verminderde mate voor omdat zij of niet of in verminderde mate kunnen empathiseren met anderen; dat wil zeggen dat het inlevingsvermogen en het vermogen om zich in een ander te verplaatsen verminderd aanwezig is of geheel ontbreekt. Het uit zich vooral door versterkt egocentrisch gedrag, waarbij het eigenbelang vaak of altijd boven dat van anderen prevaleert. Dit kan op een duidelijk zichtbare wijze gebeuren, maar het komt ook voor dat een ASP-patiënt zich aardig en sociaalvoelend voordoet. Dit noemt men "aangeleerd sociaal wenselijk gedrag"; dit is echter slechts cognitief, verstandelijk en rationeel aanwezig: het komt niet voort uit intrinsieke emoties. Typerend voor iemand met een dergelijke persoonlijkheidsstructuur, is bijvoorbeeld het aanwenden van sociaal wenselijk gedrag om uit eigenbelang een doel te bereiken, ook al gaat dat ten koste van de ander. Hiermee onderscheidt de persoonlijkheidsstoornis zich duidelijk van andere stoornissen die de emoties en de empathische vermogens negatief beïnvloeden.

Toch kan het sociaal wenselijke gedrag ook aangewend worden op manieren die ertoe leiden dat de patiënt dermate socialiseert, dat hoewel van genezing geen sprake is, het aangeleerde gedrag als copingmechanisme de patiënt het gedrag laat vertonen dat zeer nauw overeenkomt met dat van een gezond persoon, ook in het voordeel van de omgeving. Het is een misverstand dat iedereen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis ongeneeslijk ziek is, als dat wordt uitgelegd als niet voor verbetering vatbaar.

Een heel specifiek verschijnsel bij ASP is in bepaalde gevallen het ziekelijk liegen. Een patiënt kan een uitgebreid web van leugens vertellen om daar later zijn voordeel mee te kunnen doen. Hij kan bijvoorbeeld iemand financieel voordeel of romantiek in het vooruitzicht stellen, terwijl het verantwoordelijkheidsgevoel om aan de geschapen verwachtingen te voldoen volledig ontbreekt. Het komt voor dat het liegen zodanig een tweede natuur geworden is, dat de persoon in kwestie liegt, terwijl deze er geen concreet plan of doel voor heeft. Opvallend is voorts dat hij zich enerzijds in de slachtofferrol kan opstellen en anderzijds zich voor kan doen als iemand met succes.

Criminaliteit[bewerken]

Crimineel gedrag is niet noodzakelijk voor de diagnose, maar lijders aan ASP komen vaker dan gemiddeld in aanraking met politie en justitie door hun veronachtzaming van de normen en waarden in de maatschappij en de rechten van anderen. Een gebrekkig of verstoord inlevingsvermogen is hiervan een belangrijke oorzaak. Het is echter onjuist om alle criminelen af te doen als ASP-lijders: veel criminelen hebben geen ASP en omgekeerd zijn veel ASP-lijders niet crimineel.

Sommigen zijn van mening dat mensen die buitengewoon goed presteren in de maatschappij kenmerken van ASP vertonen, omdat ze minder moeite zouden hebben met het nemen van harde beslissingen: oppervlakkige charmes worden dan bijvoorbeeld gezien als inspirerende kwaliteiten, gevoelsarmoede wordt zakelijkheid en impulsiviteit wordt "knopen durven doorhakken".

Oorzaken[bewerken]

De oorzaken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn in drie groepen te verdelen:

Emotionele verwaarlozing

Door een opvoeding waarin geborgenheid en genegenheid, met name in de baby- en peuterfase, onvoldoende aanwezig is, kan er een persoonlijkheidsstructuur ontstaan waarin de socialisatie onvoldoende is en het ik-gevoel (egocentrisme) op de voorgrond komt te staan. Deze verstoring en onevenwichtigheid kan later door antisociaal gedrag zichtbaar worden. Vrijwel altijd is op weg naar de volwassenheid een gedragsstoornis opgetreden, met name antisociale gedragsstoornis. In de vroege jeugd kan als gevolg van emotionele verwaarlozing een reactieve hechtingsstoornis zijn ontstaan.

Organische oorzaken
Hersenontsteking, hersenvliesontsteking en andere ernstige hersenbeschadigingen door ongelukken of vergiftigingen door een verslavingsziekte, kunnen tot een zodanige karakterverandering leiden dat een verpsychopathiseerde persoonlijkheid ontstaat.
Erfelijkheid
In bepaalde situaties kan gedacht worden dat psychopathie mede een erfelijke oorzaak heeft. Welke beschadiging of afwijking in de structuur van hersencellen hierbij een rol speelt, is onvoldoende bekend.

Doorgaans is een combinatie van deze factoren aanwezig bij personen met een antsocialepersoonlijkheidsstoornis.

Behandeling[bewerken]

Voor zover bekend zijn er weinig succesvolle behandelmethoden voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis.[3][4] Er zijn daarentegen aanwijzingen dat behandelingen de patiënt juist de gelegenheid geeft zijn of haar antisociale vaardigheden te verbeteren.[5]

Uit voorlopige resultaten van een onderzoek aan de Universiteit Maastricht dat werd gepubliceerd in 2012 bleek dat mensen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis mogelijk baat hebben bij schematherapie. Het onderzoek werd uitgevoerd bij patiënten van tbs-klinieken in Nederland. De kans op recidive daalde en de proefpersonen die de therapie ondergingen mochten gemiddeld 103 dagen eerder op proefverlof. Er werd ook een vooruitgang in het emotioneel functioneren geboekt: ze hadden een diepere band met anderen en waren minder agressief.[6]

Prognose[bewerken]

Patiënten die lijden aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, hebben een hogere kans op vroegtijdig overlijden als gevolg van moord of zelfmoord, roekeloos gedrag of seksueel overdraagbare aandoeningen. Vaak neemt de heftigheid van de stoornis toe in de puberteit en vroege volwassenheid en neemt weer af rond of voor het veertigste levensjaar.

Zie ook[bewerken]