Authentieke uitvoeringspraktijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met authentieke uitvoeringspraktijk, ook wel historische uitvoeringspraktijk genoemd of HIP (afkorting van "Historically informed performance"), wordt bedoeld dat een muziekstuk wordt geïnterpreteerd en uitgevoerd met gebruikmaking van de huidige informatie over de toenmalige instrumentenbouw, speelstijl, muzieknotatie en muziektheorie. Doorgaans wordt daarbij gespeeld op hedendaagse replica's van historische muziekinstrumenten om de kwetsbare originelen te sparen.

Situering[bewerken]

Deze vorm van spelen is in de jaren zestig van de 20e eeuw doorgebroken. Werken uit de Oude Muziek (middeleeuwen, renaissance, barok), de (vroege) klassieke periode en soms ook de romantiek worden "authentiek" uitgevoerd op min of meer getrouwe replica's van instrumenten uit de periode waarin die stukken geschreven zijn. Zo ging men weer fortepiano's of klavecimbels in plaats van vleugels gebruiken voor vroege klaviermuziek. Bij strijkinstrumenten kwamen darmsnaren weer in zwang. Vibrato werd vrijwel uitgebannen, ook bij de zangkunst. Countertenors en jongenssopranen namen in oude muziek de rol van zangeressen over. Musici gingen zich bekwamen in het bespelen van de viola da gamba, viola d'amore, luit, theorbe, oboe da caccia, oboe d'amore, natuurhoorn, zink, baroktrompet en andere muziekinstrumenten uit vroeger tijden. Bij restauratie van oude orgels wordt meer dan voorheen ernaar gestreefd tussentijdse wijzigingen ongedaan te maken en het oorspronkelijke klankbeeld te reconstrueren.
Ook bij theatrale uitvoeringen van opera's van bijvoorbeeld Händel, Purcell of Mozart, vindt men de historische uitvoeringspraktijk.

De scherpe tegenstelling die in de jaren zestig ontstond tussen de aanhangers van de 'traditionele' en de 'authentieke' speelwijze, leidde ertoe dat gevestigde symfonieorkesten zich nauwelijks meer met muziek uit de periodes van barok en classicisme bezighielden. Die was voorbehouden aan 'authentiek' spelende ensembles in kleinere bezetting. In later jaren kwam er toenadering en werden aan beide kanten de dogmatische standpunten verlaten. Dirigenten als Nikolaus Harnoncourt, Frans Brüggen, Roger Norrington en Philippe Herreweghe kwamen (ook) voor symfonieorkesten te staan en veel van hun inzichten zijn gemeengoed geworden, ook onder musici die geen historiserend instrumentarium bespelen.

Niet alleen de 'authentieke' uitvoeringspraktijk zelf heeft een evolutie ondergaan sinds de beweging in de jaren zestig ontstond, maar ook het denken erover. De Amerikaanse musicoloog-essayist Richard Taruskin betoogt in Text and Act (1995) dat de authentieke beweging in feite uitgaat van moderne opvattingen over uitvoeringsstijl en derhalve haar streven naar de herleving van oude uitvoeringstradities niet waarmaakt.[1]

Namen[bewerken]

De pioniers van de authentieke (ook wel genoemd 'tijdeigen') uitvoeringspraktijk waren onder meer Arnold Dolmetsch, Charles Van den Borren en Safford Cape. Andere bekende aanhangers (dirigenten en musici, in veel gevallen tevens muziekwetenschapper) zijn of waren:

1rightarrow blue.svg Zie ook Festival Oude Muziek Utrecht en MAfestival Brugge

Literatuur[bewerken]

  • Thurston Dart: The Interpretation of Music. London: Hutchinson, 1954.
  • Arnold Dolmetsch: The Interpretation of the Music of the 17th and 18th Centuries Revealed by Contemporary Evidence. London: Novello, 1915.
  • Robert Donington: The Interpretation of Early Music. London: Faber and Faber, 1954, 2e herziene druk 1979.
  • Nikolaus Harnoncourt: Musik als Klangrede. Salzburg: Residenz, 1982. ISBN 3-7017-1379-0
  • Nicholas Kenyon (red.): Authenticity and Early Music. Oxford: Oxford University Press, 1988. ISBN 0-19-816152-2
  • Ton Koopman: Barokmuziek. Theorie en praktijk. Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema, 1985. ISBN 9789031306589
  • Hartmut Krones, Robert Schollum: Vokale und allgemeine Aufführungspraxis. Wien: Böhlau, 1983. ISBN 3-205-08371-7
  • Joseph Mertin: Alte Musik – Wege zur Aufführungspraxis. Wien, Lafite, 1978. ISBN 978-3-85151-026-3
  • Andrew Parrott: The Essential Bach Choir. Woodbridge: The Boydell Press, 2000. ISBN 0-85115-786-6
  • Peter Reidemeister: Historische Aufführungspraxis. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 1996. ISBN 3-534-01797-8
  • Siegfried Schmalzriedt: Aspekte der Musik des Barock. Aufführungspraxis und Stil. Laaber: Laaber-Verlag, 2006. ISBN 3-89007-649-1

Externe links[bewerken]