Bedevaartskerk van Wies
| Bedevaartskerk van Wies | ||
|---|---|---|
| Werelderfgoed cultuur | ||
| Land | ||
| Coördinaten | 47° 41′ NB, 10° 54′ OL | |
| UNESCO-regio | Europa en Noord-Amerika | |
| Criteria | i, iii | |
| Inschrijvingsverloop | ||
| UNESCO-volgnr. | 271 | |
| Inschrijving | 1983 (7e sessie) | |
| Kaart | ||
| UNESCO-werelderfgoedlijst | ||



De Bedevaartskerk van Wies (Duits: Wieskirche) of Weidekerk is een 18e eeuwse ovale rococokerk, gelegen in de plaats Wies, gemeente Steingaden (Beieren) aan de voet van de Duitse Alpen. De kerk werd gebouwd in de late jaren 1740 door de broers Johann Baptist en Dominikus Zimmermann. Die laatste leefde de laatste elf jaar van zijn leven in de buurt. De kerk is een historisch bedevaartsoord, dat uitgroeide tot een toeristische trekpleister.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Geschiedenis van de bedevaart
[bewerken | brontekst bewerken]De devotie tot de "Heiland aan de Zuil" heeft haar oorsprong in een monastieke context: het passiebeeld, bedoeld als processiesculptuur, zou in 1730 zijn vervaardigd door Lukas Scheiger, een monnik uit Steingaden, dit op initiatief van de abt.[1] Dit gebeurde met het expliciete doel om via processies de volksdevotie te stimuleren — een strategie die vaker door kloostergemeenschappen werd ingezet om religieuze betrokkenheid te vergroten.
Het houten beeld stelt Christus voor die gegeseld wordt aan een marmeren zuil. Na de processie werd het Passiebeeld overgebracht naar Maria Lory, een boerin die op de Wiese (Weide) woonde. Zij verkreeg toestemming van de abt om het bij haar te vereren. In 1738 werden tranen gezien op dit houten beeld van de Gegeselde Verlosser. Dit mirakel leidde tot een toevloed van bedevaarders. In 1740 liet boerin Maria Lory een kleine kapel gebouwd om het beeld te huisvesten, maar al snel bleek dat het gebouw te klein was in verhouding met het aantal pelgrims dat het aantrok. Daarop besliste de abdij van Steingaden om er een afzonderlijke kerk aan te wijden, en werd het devotiebeeld plechtig overgebracht naar het nieuwe bedevaartsoord.[1]
Bouw van de bedevaartskerk
[bewerken | brontekst bewerken]
Het mirakel werd in 1743 erkend door Hyacinth Gazner, de abt van Steingaden en gaf approbatie tot het vergroten van het bedevaartsoord en gaf Zimmerman de opdracht tot de bouw.[1] Tussen 1745 en 1754, kregen verschillende kunstenaars vanuit de abdij de opdracht het interieur te decoreren. Dit gebeurd met stucwerk in de traditie van de Wessobrunnse school:
- Dominkus Zimmerman: stuckwerker, geboren in Wessobrunn en auteur van de grote fresco.
- Johann Baptist Zimmermann: architect
- Balthasar August Albrecht: Schilderde het altaarstuk
- Anton Sturm: beeldhouwer die de Kerkvaders maakte
- Egidius Verhelst: beelhouwer
- Johann Georg Bergmuller: schilder van het noordelijk altaarstuk
- Jozef Mages: schilder van het Zuidelijk altaarstuk
De kerk werd ontwijd in het begin van de 19e eeuw. Er is een verhaal dat de sloop van de kerk al gepland was en dat alleen de protesten van de lokale boeren ervoor zorgde dat dit juweeltje uit de rococo-architectuur werd gespaard. Het is zeer de vraag of dit waar is.
De bedevaartskerk staat sinds 1983 op de lijst van Werelderfgoed en werd tussen 1985 en 1991 grondig gerestaureerd.
Architectuur
[bewerken | brontekst bewerken]De kerk is gebouwd in een mengvorm van barok en rococo. Aan de buitenkant heeft het gebouw strakke lijnen, en de toren heeft een koepel waarin Byzantijnse terug te zien is. Hierop staat een verguld kruis dat vanaf een kilometer afstand te zien is. Aan de achterzijde is de pastorie in dezelfde stijl aangebouwd.
Interieur
[bewerken | brontekst bewerken]Het kerkinterieur is bijzonder vermaard en wordt gekenmerkt door een rijke bekleding van krullende en golvende ornamentiek. Naast het dominante wit en het gebruik van bladgoud zijn vooral blauw — als symbool voor de genade — en rood — verwijzend naar het Heilig Bloed — prominent aanwezig in het kleurenschema.
Het grote orgel draagt het monogram van Marianus Mayer, abt van Steingaden, die de werken voltooide. In het schip zijn vier beelden te zien van de kerkvaders: Hiëronymus van Stridon, Ambrosius van Milaan, Augustinus van Hippo en Paus Gregorius de eerste.
Monumentale Fresco
[bewerken | brontekst bewerken]De architect voorzag in een monumentale fresco boven het schip, wat bouwtechnisch de aanleg vereiste van een gewelf dat deze overspanning en belasting kon dragen. Daartoe werd een specifieke draagconstructie gerealiseerd, die nog steeds afleesbaar is in de dakstructuur. Deze resulteert in een dubbele daklaag, wat het geheel een complexe en gelaagde opbouw verleent.[1]
Deze constructie maakte het bovendien mogelijk om daglicht binnen te leiden via hoge vensters, die voor de kerkgangers grotendeels aan het zicht worden onttrokken door een voorliggende rondgang. Het invallende licht wordt vervolgens door de witte vloer van deze rondgang gereflecteerd naar het beschilderde gewelf, waardoor de visuele werking van de fresco wordt versterkt. De schildering en de decoratieve uitwerking vertonen daarbij een duidelijke opbouw in intensiteit: zij ontwikkelen zich in crescendo van beneden naar boven en van achter naar voren.
De fresco zelf toont een voorstelling van Jezus Christus, gezeten op een regenboog. Daarnaast zijn in de compositie zowel de troon van de Rechtvaardigheid als, aan de tegenoverliggende zijde, de Poort naar de Eeuwigheid opgenomen.
- Glancey, Jonathan. Architectuur, ISBN 90-269-2993-5, blz 336 en 337