Coahuilaceratops

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Coahuilaceratops
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Coahuilaceratops NT.jpg
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Superorde:Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde:Ornithischia
Familie:Ceratopidae
Onderfamilie:Chasmosaurinae
Geslacht
Coahuilaceratops
Loewen et al., 2010
Typesoort
Coahuilaceratops magnacuerna
Afbeeldingen Coahuilaceratops op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Coahuilaceratops op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Coahuilaceratops is een geslacht van plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Ceratopia, dat tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mexico.

Naamgeving en vondst[bewerken]

De typesoort Coahuilaceratops magnacuerna is in 2010 beschreven door Mark A. Loewen, Scott D. Sampson, Eric K. Lund, Andrew A. Farke, Martha C. Aguillón-Martínez, Claudio A. de Leon, Rubén A. Rodríguez-de la Rosa, Michael A. Getty en David A. Eberth. De geslachtsnaam verbindt de naam van de Mexicaanse staat Coahuila met een gelatiniseerd Grieks ceratops, "hoorngezicht", een gebruikelijk element in de namen van de Ceratopia. De soortaanduiding is een combinatie van het Latijnse magnus, "groot" met het Spaanse cuerna, "hoorn". Het is het eerste lid van de Ceratopidae dat uit Mexico is beschreven.

Een fragmentarische schedel en onderkaken van Coahuilaceratops, holotype CPC 276, zijn in 2001 nabij Porvenir de Jalpa veertig kilometer ten westen van Saltillo gevonden in de Cerro del Pueblo-formatie die stamt uit het late Campanien, ongeveer 72 miljoen jaar oud. De resten omvatten het rostrale, de linkerpraemaxilla, een stuk rechtermaxilla; beide neusbeenderen met daarop een kleine neushoorn; de hoornkernen van beide wenkbrauwhoorns; een stuk van het squamosum en het wandbeen, tezamen een deel van het nekschild vormend; het predentarium en het linkerdentarium van de linkeronderkaak. Het betreft een volwassen individu. Ook andere beenderen van dit exemplaar zijn geborgen maar nog niet geprepareerd. Daarnaast is ook een gedeeltelijk maar niet-geprepareerd skelet met rechteronderkaak en postcrania van een jong gevonden, specimen CPC 277. De resten van het volwassen exemplaar zijn opgegraven in 2003 en daarna geprepareerd door Jerry Golden.

Beschrijving[bewerken]

Grootte en onderscheidende kenmerken[bewerken]

De bewaarde resten op een profiel van de schedel aangegeven

De totale lengte van Coahuilaceratops is geschat op zes à zeven meter, de schedellengte op 1,8 meter, de rughoogte op twee meter en het gewicht op vier à vijf ton.

De beschrijvers wisten enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. Twee daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide kenmerken. De praemaxilla heeft een tak naar het neusbeen lopen die naar achteren helt en in bovenaanzicht tegen de klok in om de lengteas gedraaid is. De vergroeide neusbeenderen hebben een zeer grote verticale doorsnede.

Daarnaast is er een unieke combinatie van twee op zich niet unieke kenmerken: de tak van de praemaxilla richting neusbeen helt naar achteren en de neushoorn is vooraan geplaatst ten opzichte van het neusgat.

Skelet[bewerken]

De schedel van Coahuilaceratops heeft als geheel vermoedelijk de typisch chasmosaurine vorm met een lange snuit, grote wenkbrauwhoorns en een lang nekschild. De precieze vorm van dat laatst is overigens niet duidelijk. De schedel van het holotype moet een lengte gehad hebben van rond de anderhalf à twee meter.

De snuit is relatief hoog. Bij het rostrale is de bovenste verbinding met het neusbeen omhoog gericht in plaats van naar achteren buigend. Bij de praemaxillae is de tak naar het neusbeen iets naar achteren hellend. Op de voorkant van de tak loopt een dikke verticale richel die de achterkant vormt van het doorboorde premaxillaire tussenschot. Bij Coahuilaceratops loopt die richel door tot de bovenste achterzijde van de tak, tegelijk wat zijdelings uitpuilend zodat van bovenaf bezien de buitenste curve van de richel tegen de klok in kromt. De richel omschrijft de achterzijde van de uitholling rond het tussenschot. In bovenaanzicht beslaat de richel een aanzienlijke lengte van voor naar achteren gemeten. Het neusbeen heeft een bewaarde lengte van 178 millimeter en is zadelvormig. De neusbeenderen hebben een forse hoogte van negenentachtig millimeter. De neushoorn is klein, laag en driehoekig in zijaanzicht, met een afgeronde punt en een ovale dwarsdoorsnede. De neushoorn ligt ruwweg boven het midden van het neusgat. Er is geen apart epinasale zichtbaar. De hoogte van de neushoorn is zevenenzestig millimeter. Het bovenkaaksbeen is langgerekt, ander dan de korter maxilla van Chasmosaurus.

De wenkbrauwhoornkern is zeer groot en dik, wat wijst op een totale lengte van zo'n zeventig centimeter, en is de aanleiding geweest voor de soortaanduiding. De soort zou hiermee de relatief grootste en zeker dikste wenkbrauwhoorns hebben die binnen de Ceratopia bekend zijn. Dat is echter niet geheel zeker daar er alleen dertig centimeter lange middenstukken van de beenkernen bewaard zijn gebleven. De grote lengte is afgeleid uit het feit dat die maar zeer geleidelijk taps toelopen. Ze hebben een ovale dwarsdoorsnede, 155 bij 120 millimeter in diameter. Op één hoorn is de aanhechtingstrog voor de hoornschacht zichtbaar.

Het nekschild bestaat uit een buitenste squamosum en een midden tot achterste wandbeen. De voorste buitenrand van het squamosum is iets bol. Op de squamosumrand is een eerste en tweede episquamosale zichtbaar, driehoekige osteodermen. De "S1" meet 110 bij 55 millimeter, de "S2" 105 bij 40 millimeter. Het wandbeen toont op de onderzijde een opvallende uitholling, net boven het niveau van het supraoccipitale. Op de middenbalk van de wandbeenderen liggen in de lengterichting twee lage bulten. Zulke structuren zijn normaal voor Centrosaurinae maar zeldzaam voor chasmosaurinen. De verdikking van de middenbalk loopt naar achteren taps toe. De balk heeft een ietwat druppelvormige dwarsdoorsnede met het dikke eind bovenaan, vijfenveertig millimeter hoog en zesendertig millimeter breed. Er bevinden zich grote parietaalvensters in het nekschild, wellicht de omvang van die van Pentaceratops of Chasmosaurus benaderend.

De onderkaken worden van voren bekroond door het gebruikelijke predentarium, de beenkern van de ondersnavel, dat verder geen bijzondere kenmerken heeft. Het dentarium draagt minstens achttien en naar schatting in totaal drieëntwintig à vijfentwintig tandposities. Vooraan loopt het raakvlak met het predentarium niet verder door dan tot aan de derde tandpositie, wat het relatief kort maakt. Het dentarium heeft vooraan een vrij scherpe onderzijde die naar achteren afvlakt. Een verticale richel loopt schuin naar achter van het dentarium het uitsteeksel van de processus coronoides op en eindigt bij een groot foramen. Een tweede richel loopt aan de binnenkant van het uitsteeksel naar de tandbatterij. De processus coronoides steekt bovenaan iets naar voren in een bol afgeronde voorrand.

Fylogenie[bewerken]

Coahuilaceratops is door de beschrijvers binnen de Ceratopidae in de Chasmosaurinae geplaatst. In een kladistische analyse vormde de soort een klade met Anchiceratops en Arrhinoceratops; de onderlinge verwantschappen konden niet nader bepaald worden. Het is de eerste ceratopiër die uit het meer zuidelijke deel van Mexico bekend is en de zuidelijkste bekende ceratopide. De verwantschap met meer noordelijke soorten weerspreekt de hypothese van gescheiden faunae in het noorden en zuiden, minstens één migratie tussen beide gebieden implicerend.

Latere analyses gaven soms een basalere positie, zoals in dit kladogram:

Ceratopidae 

Centrosaurinae


 Chasmosaurinae 

Chasmosaurus




Mojoceratops




Agujaceratops





Utahceratops



Pentaceratops





Coahuilaceratops





Kosmoceratops



Vagaceratops





Anchiceratops




Arrhinoceratops




Ojoceratops



Eotriceratops




Torosaurus




Nedoceratops



Triceratops














Levenswijze[bewerken]

Het gebied waar Coahuilaceratops voorkwam, de zuidelijke punt van het subcontinent Laramidia, was in het Campanien weelderig begroeid. Coahuilaceratops was een van de grootste planteneters in zijn habitat. Volgens de beschrijvers zijn de speciaal grote hoorns geen aanpassing ter verdediging tegen roofdieren, zoals de Tyrannosauroidea die in zijn leefgebied voorkwamen maar een gevolg van seksuele selectie.