Ferdinand Schirren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ferdinand Schirren (1872-1944)

Ferdinand Schirren (Antwerpen, 8 november 1872 – Brussel, 19 februari 1944) was een Belgische kunstschilder, tekenaar, aquarellist en beeldhouwer. Hij is de vader van musicus Fernand Schirren.

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Afkomst[bewerken | brontekst bewerken]

Ferdinand Schirren werd geboren op 8 november 1872 in Antwerpen als eerste zoon van Josephe Schirren, een koperbewerker, en Anna Mendelsohn. Ze hadden toen al 5 dochters.

Zij waren joden, afkomstig uit Odessa, gehuwd in 1864 in Riga en naar Antwerpen geëmigreerd. Kort na de geboorte van Ferdinand verhuisde de familie van Antwerpen naar Anderlecht.

Persoonlijkheid[bewerken | brontekst bewerken]

Ferdinand Schirren was een erudiet persoon, maar tevens een dromer, een mystieke natuur.[1] Hij interesseerde zich sterk voor de filosofie. Hij las veel poëzie en verhandelingen en hij was een muziekliefhebber met voorkeur voor Wagner.

Hij was een zeer optimistische persoonlijkheid, vol levenslust, ondanks vele tegenslagen. Hij genoot veel sympathie bij aankomende jonge kunstenaars. Emile Salkin en Odette Collon waren leerlingen van hem.[2] Charles Dehoy , die een grote bewondering voor hem had,[3] en Rik Wouters behoorden tot zijn vriendenkring.[4]

Schirren was fier op zijn Joodse afkomst. Hij gaf dat als verklaring voor zijn gevoelige aard die in zijn werk steeds opnieuw tot uiting komt.

Gedurende zijn hele artistieke leven leed Schirren onder de spanning tussen spontane creativiteit en onderwerping aan de regels van de klassieke kunst.

Hij was een scheppend kunstenaar, met een drang naar voortdurend experimenteren, nooit tevreden over zich zelf. Die drang naar voortdurende vernieuwing in vorm en techniek is kenmerkend voor zijn oeuvre.

Opleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Van in zijn jeugd is Schirren gepassioneerd door tekenen en wil hij kunstenaar worden. Zijn ouders steunen hem.

In 1884-1885 volgt hij avondlessen in de tekenschool van Anderlecht. In de periode 1887-1894 volgt hij dagonderwijs aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Brussel: vier jaar “tekenen” en één jaar “beeldhouwen”. Joseph Stallaert was één van zijn leraren.

Tijdens het schooljaar 1892-1893 krijgt hij één jaar esthetische vorming en een opleiding tot beeldhouwer van Jean-Baptiste De Keyser.

Na het beëindigen van zijn studies gaat hij werken bij Jef Lambeaux, de stichter van avant-garde groep "Les XX".

Beeldhouwer[bewerken | brontekst bewerken]

In 1896 gaat hij van start als zelfstandig beeldhouwer. Hij wijkt al onmiddellijk af van de 19de eeuwse beeldhouwkunst door een synthetische en impressionistische toets.

In 1898 richt hij samen met August Oleffe, Louis Thévenet en Willem Paerels de groep “Labeur” op, die tot 1907 jaarlijks een expositie zal organiseren. Hij is de enige beeldhouwer, hij interesseert zich maar matig voor de schilderkunst. 

Helena Blavatsky (1898)

Op hun eerste tentoonstelling exposeert hij de portretbuste van de Russische theosofe mevrouw Blavatsky, een constructieve sculptuur in plaaster, met neiging naar geometrische vormen, vereenvoudiging en synthese[5]. Het wordt zijn meesterwerk genoemd en krijgt veel weerklank. Deze constructieve sculptuur is uniek in het oeuvre van Schirren, daarna gaat hij op een andere manier beeldhouwen.

In de volgende jaren neigt hij naar het impressionisme, maar Schriren voelt zich niet tevreden met zijn creaties, hij noemde zijn creaties “aarzelende pogingen”.

Op de tentoonstelling van Labeur in 1902 wordt “Kinderbuste”, een werk met pointillistische inslag, door de kunstcritici afgekraakt. Ferdinand Schirren belandt in een depressie. Als gevolg hiervan vernielt hij in 1903 het grootste deel van zijn werken.[6]

In 1904 gaat Schirren met zijn echtgenote Maria Smeets in Linkebeek wonen. Op voorstel van zijn huisdokter gaat hij zich voortaan toeleggen op tekenen en schilderen. Hij zal echter zijn ganse leven sporadisch blijven beeldhouwen en in zijn vele tentoonstellingen blijft zijn beeldhouwwerk regelmatig aan bod komen.

Fauvist[bewerken | brontekst bewerken]

In Linkebeek maakt hij deel uit van de Calevoeters (ook Zenneschilders of Brusselse coloristen genoemd)[3][7] een groep kunstenaars rond geuzebrouwer en mecenas François Van Haelen, die later de “Brabantse Fauvisten” zullen genoemd worden.

Naast Schirren zijn Rik Wouters, Edgard Tytgat, Charles Dehoy, Herman Teirlinck en zijn vrienden van "Labeur" Auguste Oleffe, Louis Thevenet en Willem Paerels de belangrijkste vertegenwoordigers van deze groep.

In het voorjaar van 1905 neemt hij als beeldhouwer deel  aan het Salon de la Société des Artistes Indépendants in Parijs[8]. Hier maakt hij kennis met Matisse, Dufy, Derain die voor schandaal zorgen met hun werken[9][10], die een reactie zijn tegen het academisme waarin het impressionisme was vervallen. Op het Herfstsalon van 1905 krijgen ze de naam "fauvisten" en hun kunstrichting "fauvisme".[11][12][13]

Portret van kunstverzamelaar Meyer (1905)

Hier ontdekt Schirren zijn leidmotief: pure kleur als middel om vorm te construeren, aanvankelijk zonder contouren.[6] De heftige kleuren zijn puur expressief, esthetisch en synthetiserend en niet langer realistisch. Het portret van kunstverzamelaar Meyer, waarschijnlijk zijn eerste fauvistisch schilderij, dateert reeds van eind 1905. Schirren wordt daarom de eerste Belgische fauvist genoemd. Hij zal anderen, zoals Rik Wouters en Charles Dehoy naar het fauvisme leiden.[3]

In 1906 begint hij plots met aquarellen,  daarin was hij autodidact, maar in dit snelle werk kon hij het best zijn drang naar spontane expressie uiten, correcties zijn niet mogelijk. Tot 1916 blijft zijn voorkeur uitgaan naar vooral de aquarel, maar ook de gewassen tekening en de houtskool, eerder dan naar olieverf.

In 1910 sluit Schirren zich aan bij de groep Le Sillon en krijgt zo toegang tot hun jaarlijkse tentoonstellingen.

In 1912 woont hij opnieuw in Brussel en houdt hij zijn eerste individuele tentoonstellingen: in Antwerpen[14] en in het museum van Keulen, waar hij veel succes kent.

1912 is ook het jaar van de opening van de Galerij Georges Giroux aan de Koningsstraat te Brussel, die het leven van de Brabantse fauvisten zal veranderen.[15] Op deze tentoonstelling is Schirren met enkele tekeningen vertegenwoordigd.

In 1914 trekt Schirren nog vóór het begin van de oorlog naar Frankrijk. Hij verblijft vooral in Parijs waar verschillende aquarellen ontstaan die in kwaliteit, kleurgevoeligheid en compositie zeker niet onderdoen voor de Franse tijdgenoten, onder andere Seine-, park- en straatzichten. In Parijs leert hij Renoir kennen die hem zal steunen in zijn verdere artistieke ontwikkeling. 

In 1917 wordt Ferdinand Schirren als schilder opgemerkt.[16] Hij krijgt van september 1917 tot juni 1918 een grote individuele tentoonstelling in de Galerie Georges Giroux, met meer dan honderd werken. Hij kent een groot succes, vooral met zijn "Vrouw aan de piano" (1917), zijn meesterwerk.

Georges Giroux biedt Schirren een lucratief exclusiviteitscontract aan, ter vervanging van Rik Wouters die in 1916 overleden is. Hoewel Schirren in financiële moeilijkheden verkeert gaat hij hier niet op in omdat hij zijn vrijheid en zelfstandigheid niet beknopt wil zien. Schirren heeft later wel nog regelmatig op Giroux een beroep moeten doen omdat hij financiële problemen had.

Colorist[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 1919 verlaat Schirren zijn eerste echtgenote en kiest voor zijn model en minnares Yvonne Esser, met wie hij zal trouwen en met wie hij twee kinderen krijgt, Fernand (1921) (de latere musicus) en Anne Marie (1922).  In 1920 gaan ze  in Frankrijk wonen,  eerst in Nice, daarna naar Nogent-sur-Marne. In 1922 keren ze terug naar Brussel en gaan dan in Sint-Agatha-Berchem wonen.  

Het fauvisme als kunstrichting is voorbijgestreefd en maakt plaats voor het expressionisme. Schirren neemt hier niet aan deel en zoekt zijn eigen weg. De hartstochtelijke voorliefde voor de kleur blijft zijn leidmotief, hij evolueert naar een meer sobere vorm van fauvisme, gedisciplineerd en poëtisch.[17] Zijn werken worden meer intimistisch, met inspiratie uit de familiale omgeving. Hij maakt vooral aquarellen.

Vanaf het einde van de jaren twintig gaat hij Oost-Indische inkt gebruiken voor het vastleggen van de contouren. Hij gaat ook stillevens met bloemen realiseren. Op het einde van zijn leven beperkt zijn kleurenpalet zich tot pasteltinten, de felle kleuren verdwijnen.

Meerdere tentoonstellingen volgen elkaar op tot 1940, vooral in België,  maar ook in het buitenland (New York,  Stockholm, Amsterdam)

In de tweede wereldoorlog leeft hij, met steun van zijn vrienden, met zijn gezin ondergedoken in een villa in Sint-Agatha-Berchem. Ondanks een huiszoeking van de Gestapo wordt hij niet gedeporteerd en sterft hij een natuurlijke dood, op 19 februari 1944, ten gevolge van een hartinfarct.[18]

Invloed op Rik Wouters[bewerken | brontekst bewerken]

Schirren en Wouters kenden elkaar[4] sinds de tijd dat Rik Wouters in de eerste jaren van de 20ste eeuw, tijdens zijn militaire dienst, studeerde aan de Academie voor Schone Kunsten in Brussel.

Rond 1902 is de jonge Nel (Hélène Durerinckx (1886-1971)) model en vermoedelijk[4] minnares van Schirren.  Ze ruilt Schirren voor Rik Wouters, met wie ze in 1905 trouwt. Rik Wouters zal  doorheen zijn ganse oeuvre een ware cultus rond haar ontwikkelen. Het is Nel die later Yvonne Esser als model aan Schirren aanbeveelt. Zij zal later zijn tweede echtgenote worden.

Schirren heeft met zijn fauvistische esthetiek een grote invloed op Rik Wouters. In 1907, na zijn terugkeer uit Parijs, geeft hij aan Wouters de raad om de dikke verflaag te vervangen door het vrije penseel en de compositie op te bouwen met weglatingen in een fris en ongedwongen kleurenpalet.[19] Hij inspireert Wouters op die manier tot een schilderwijze die een meer synthetisch en uitdrukkingsvolleer beeld in zijn werk legt. Dit wordt het kenmerk van Rik Wouters, die later de bekendste Belgische fauvist wordt.

In 1912 staat het werk van Rik Wouters centraal bij de opening van de belangrijke Galerij Georges Giroux aan de Koningsstraat te Brussel, waar ook Schirren met enkele werken vertegenwoordigd is. Rik Wouters krijgt van de invloedrijke Giroux een exclusiviteitscontract en zal hierdoor bijzonder succesrijk worden. Na het overlijden van Rik Wouters, biedt Giroux in 1917 aan Schirren een soortgelijk contract aan, maar Schirren weigert omdat hij zijn vrijheid niet wil verliezen.

Werken[bewerken | brontekst bewerken]

Beeldhouwwerken[bewerken | brontekst bewerken]

Hij wordt als beeldhouwer opgeleid door Jean-Baptiste De Keyser, Charles Van der Stappen en Jef Lambeaux. In 1898 verrast hij de kunstwereld met een gebeeldhouwd portret van Helena Blavatsky, de bezielster van de theosofische beweging. De gedurfde vereenvoudigingen luiden een vernieuwing in de beeldhouwkunst in, een neiging naar kubisme. Het wordt zijn meesterwerk genoemd.

Merkwaardig genoeg gaat Schirren niet op dat elan verder. Zijn beeldhouwwerken zijn een amalgaan van stijlen die hij achtereenvolgens of simultaan beoefent, aarzelend tussen impressionisme en animisme. Het is alsof er meerdere meerdere beeldhouwers schuilen in Schirren.[20]

Vanaf 1904 gaat hij zich meer toeleggen op schilderen en tekenen, maar hij blijft sporadisch beeldhouwen. In 1905 neemt hij met vier beeldhouwwerken[21] deel aan het Salon de la Société des Artistes Indépendants te Parijs[9][22].

De sculpturen uit de periode 1905-1910 staan niet ver van wat Matisse toen realiseerde, maar het is geen grote productie geworden. Van de meeste gipsen is zelfs geen brons gegoten.[23]

Soms neigt hij sterk naar de klassieke schoonheid, zoals in "Eva" (1910), soms naar het expressionisme zoals met de portretbuste van mevrouw Ruth Toby[24] , of sociaal realistisch zoals "De kleine dienster".[25]

In 1912 Hij krijgt een belangrijke opdracht voor de gevel van het gemeentehuis van Sint-Gillis, met als titel “Het Gas”, een sculptuur in conventionele stijl.[26]

Tekeningen[bewerken | brontekst bewerken]

Hij is van in zijn prille jeugd een passioneel tekenaar. Hij volgt vier jaar lang opleiding tekenen:  tekenen van dieren, van torso’s, van sculpturen en van de natuur.

Van zijn academietijd zijn slechts enkele schetsen bewaard gebleven. Tijdens zijn periode als beeldhouwer zijn het vooral voorbereidende schetsen voor zijn beeldhouwwerken.

Vanaf 1904 gaat hij zich meer toeleggen op tekenen, naast het aquarel en de olieverf.  Hij heeft een voorliefde voor het portret, naakt en intimistische tafereleren.

Hij heeft een voorkeur voor houtskool, maar hij werkt ook graag met roodkrijt, pastel en zwarte waterverf.   Hij mengt deze technieken niet.[4]

Zijn “blancs et noirs” , vooral met zwarte waterverf of Oostindische inkt, zijn karakteristiek voor een deel van zijn werk. Hij vult ze niet op met waterverf zoals bv. Wouters.

Net zoals met zijn aquarellen gaat hij ook in het tekenen experimenteren.   Hij geeft het lineaire op voor een grillig tachisme, de voorstelling wordt weergegeven met vegen en vlekken.

De suggestie primeert. Hij gaat voor een fel contrast en dynamisch ritme, dit zijn fauvistische stijlkenmerken.  

Tussen 1910-1912 hecht hij dan weer meer belang aan het licht voor het oproepen van een atmosfeer, vooral de vrouw in haar dagelijkse bezigheden.

Na de fauvistische periode rond 1920 gaat hij meer tekenen. Zijn composities zijn lineair, de verguisde tekenstreep gaat weer een centrale rol spelen.

De kleur zwart duikt op. De gezichten zijn uitgewerkt. Hij plaatst zijn eigen emotie op het achterplan en wordt “vertolker” van het familiegebeuren. Er gaat meer spiritualiteit in zijn werk zitten.

Later gaat hij de lijn opnieuw verdoezelen. De tekeningen worden verhuld in een mysterieuze wazige sfeer.

Aquarellen[bewerken | brontekst bewerken]

Hij is een van de grootste aquarelschilders van zijn tijd.

In 1906 begon hij als autodidact met aquarellen. Zijn aquarellen, zoals de tuinimpressies[27], worden als de eerste fauvistische werken in België beschouwd,  maar ook elders in Europa is geen enkele fauvist met aquarellen bezig. De kleur zorgt voor de constructie, met naast elkaar aangebrachte langwerpige kleurvlakjes in primaire kleuren, het is als een caleidoscoop.[20]

Hij blijft experimenteren met zijn techniek. In "Vrouw voor de spiegel" (1915) toont hij zijn expressieve mogelijkheden, met contrasterende vlakken, verfvlekken, erg verdunde verf en met contrasterende kleuren om de volumes te suggereren. Hier is het licht het bindmiddel.

In een latere fase maakt hij gewassen aquarellen. De omtrekken vervagen. Het is een neiging naar abstractie,[28] maar het figuratieve blijft toch overheersend.[8]

Vanaf het einde van de jaren twintig worden de aquarellen waziger omdat hij de mogelijkheden van natgemaakt papier gaat gebruiken. Zijn beroemde ultramarijn blauw is duidelijk aanwezig. De vormen en accenten worden aangebracht met dunne lijnen in Oost-Indische inkt.

Zijn werken uit de jaren 30 en 40 staan dicht bij de werken uit zijn jonge periode, geïnspireerd door het mysticisme van zijn denkbeeldige tuinen.[29]

Olieverf[bewerken | brontekst bewerken]

Schirren kan bogen op een rijk oeuvre als schilder, maar het is pas sinds 1917, met "Vrouw aan de piano" dat zijn talent als schilder ontdekt wordt.

Tijdens zijn periode als beeldhouwer maakt Schirren slechts sporadisch olieverfschilderijen in een eenvoudige realistische stijl. Het gevoel voor kleur is reeds aanwezig.

De kentering komt in 1905, toen hij naast de talrijke tekeningen en "blancs et noirs", gelijktijdig gaat experimenteren met olieverf en aquarel. Net als in zijn aquarellen is de kleur voor hem een belangrijk vormgevend element geworden.   Het portret van kunstverzamelaar Meyer (1905, olieverf, 75 x 68 cm.) is waarschijnlijk het eerste fauvistische schilderij van Schirren. De grote, stevige en afgelijnde kleurvlakken krijgen een vooraanstaande rol in de volumevorming. Het perspectief verdwijnt.

Tijdens de oorlog van 1914-1918 maakt Ferdinand Schirren geelbruine doeken die met een fluweelzachte penseelstreek en door gedurfde kleurcontrasten een expressieve kracht uitstralen. Vanaf 1916 gaat hij zich voorbereiden op een grote tentoonstelling die hij in 1917 bij de Galerie Georges Giroux krijgt. Het is een grootschalige individuele tentoonstelling, waar bijna honderdvijftig van zijn werken worden gepresenteerd.[30] Hier wordt zijn talent als schilder ontdekt. Er wordt gesproken van een avant-garde kunst. Zijn meesterwerk, "Vrouw aan de piano”, is geen realisme maar een persoonlijk en decoratief concept, met vereenvoudiging en snelle weergave en met alle belang voor de kleur waardoor de vormen tot stand komen

Terwijl de landschappen nog dicht bij de vormen van de aquarellen aanleunen, krijgen zijn interieurs een meer serene sfeer. Zijn "Vrouw in het blauw" (1921) is een rustige compositie van kleur en volumes, met contrast tussen het hoofdmotief, de zittende dame in het blauw op de linkerhelft en de warme tinten op de rechterhelft. Het decor is even belangrijk als de figuur.[4] Het kubisme is niet veraf, maar die stap heeft Schirren nooit gezet. Dit meesterwerk is geschilderd op acht aan elkaar genaaide stukken canvas. Het is duidelijk dat het de kunstenaar financieel niet voor de wind gaat.

In zijn latere olieverfschilderijen, stillevens, landschappen, bloemen, intieme taferelen, vallen de grote stevige vlakken in pure kleuren op. Zij zijn geen fotogetrouwe of realistische weergave , wel onbeweeglijk en scherp van omtrek. Ook hier is het de door de vroegere fauvist gehanteerde kleur die zorgt voor de vorm en bovendien de emoties van de kunstenaar uitdrukt. Naargelang de stemming kunnen boomstammen perfect blauw zijn en een gelaat groen.

In museumcollecties[bewerken | brontekst bewerken]

Het werk van de schilder is vertegenwoordigd in verschillende musea:

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België in Brussel hebben een tentoonstelling gewijd aan Schirren. Deze tentoonstelling liep van november 2011 tot maart 2012.

Algemene bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Trees Deryckere: "Ferdinand Schirren 1872-1944" . Uitgeverij Pandora 1999.
  • Stefan Van den Bossche: 'In een schamel dorp, onder schamele landmensen een toeverlaat te zoeken': Herman Teirlinck in Linkebeek. Kunsttijdschrift Vlaanderen, Jrg. 55 (2006) nr. 311, p. 139-146
  • Serge Goyens Heusch, IMPRESSIONISME FAUVISME IN BELGIE OVERZICHT VAN DE BELGISCHE SCHILDERKUNST TUSSEN 1880 EN 1920. Mercatorfonds(1988). ISBN 9061531802.