Frank Costello

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Frank Costello
Frank Costello - Kefauver Committee.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Francesco Castiglia
Geboren Lauropoli, 26 januari 1891
Overleden Manhattan, 18 februari 1973
Doodsoorzaak Hartinfarct
Nationaliteit Amerikaans
Beroep Crimineel

Francesco Castiglia, beter bekend onder het pseudoniem Frank Costello, (Lauropoli, 26 januari 1891 - Manhattan, 18 februari 1973) was een beruchte Amerikaanse gangster. Hij bereikte de top van het Amerikaanse misdaadmilieu en beheerste een groot deel van de gokindustrie. Hij stond ook bekend als de maffiabaas met de meeste politieke invloed. Dat leverde hem de bijnaam Prime Minister of the Underworld (Nederlands: Eerste Minister van de Onderwereld) op.

Hij werd één van de belangrijkste maffiabazen uit de Amerikaanse geschiedenis. Hij was het hoofd van de Morello familie. Later werd dit de Genovese familie. Deze familie werd onder het gezag van Costello beschouwd als de Rolls-Royce van de georganiseerde misdaad.

Biografie[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Frank Costello werd in 1891 geboren als Francesco Castiglia in Lauropoli, een dorpje in de bergen van Calabria in Italië. In het jaar 1900 vertrok hij per boot naar de Verenigde Staten. Hij was toen 9 jaar oud en reisde samen met z'n moeder en broer. Enkele jaren voordien was de vader van het gezin al naar Amerika vertrokken. Hij woonde in East Harlem, New York en wachtte zijn vrouw en twee zonen op. In New York leerde Francesco via z'n broer Edward het misdaadmilieu kennen. Hij was 13 jaar toen hij voor het eerst lid werd van een misdaadbende. Vanaf dan begon hij zichzelf Frankie in plaats van Francesco te noemen.

Castiglia hield zich vooral bezig met wanbedrijven. Hij verdween in 1908 en 1912 een tijdje in de gevangenis voor mishandeling en diefstal. In 1915 trouwde hij met Lauretta Giegerman, een joods meisje dat tevens de zus was van een goede vriend van Castiglia. In dat jaar moest hij opnieuw de gevangenis in, ditmaal wegens verboden wapenbezit. Zijn straf duurde 10 maanden. Nadat Castiglia zijn straf had uitgezeten, besloot hij zich niet langer met opvallende misdrijven bezig te houden. Hij nam zichzelf voor om voortaan zijn verstand te gebruiken om zo als crimineel geld te verdienen.

Bende Morello[bewerken]

In 1916 veranderde Castiglia zijn naam officieel in Frank Costello. Hij werd goed bevriend met Ciro Terranova, bijnaamd "The Artichoke King", een bekende maffioso uit East Harlem en onderbaas van de misdaadfamilie Morello uit Manhattan. Vanaf nu kreeg Costello de controle over de gokindustrie en het innen van schulden in een deel van Manhattan en een deel van the Bronx. Hij werkte nauw samen met gangsters zoals Michael "Trigger Mike" Coppola, Joseph "Joe the Baker" Catania Jr. en Stefano "Steve" LaSalle. Ondertussen maakte Costello furore in het misdaadmilieu omwille van zijn intelligentie en gewelddadige aanpak.

Samenwerking met Lucky Luciano[bewerken]

Frank Costello ontmoette Charlie "Lucky" Luciano, de Siciliaanse leider van de Lower East Side-bende. De twee gangsters raakten meteen bevriend en werden partners. Er ontstond al gauw een nieuwe, grote bende onder leiding van Costello, Luciano, Vito Genovese, Gaetano "Tommy" Lucchese, Meyer Lansky en Benjamin "Bugsy" Siegel. Ze hielden zich bezig met overvallen, diefstal, afpersing, gokken en drugs. Tijdens de jaren '20, in de periode van de drooglegging, verkochten de gangsters ook illegaal drank. Ze kregen toen de financiële steun van Arnold Rothstein. De jonge Italianen hadden heel wat succes en sloten heel wat belangrijke deals af met prominente gangsters uit het joodse en Ierse milieu. Enkelen van hen waren Arthur "Dutch Schultz" Flegenheimer, Owney "The Killer" Madden en William "Big Bill" Dwyer. Ondertussen werd Rothstein een soort van mentor voor Costello, Luciano, Lansky en Siegel terwijl zij zaken deden met bierbaron Schultz.

In 1922 sloten Costello, Luciano en collega's zich aan bij de Siciliaanse misdaadfamilie van Giuseppe Masseria, bijgenaamd "The Boss". Zo'n twee jaar later werd Frank Costello goed bevriend met de Ierse maffiabazen Dwyer en Madden. Hij raakte betrokken bij de illegale verkoop van drank. Die handel in drank noemden ze The Combine. Maar in 1926 werd Dwyer gearresteerd en verdween hij voor 2 jaar in de gevangenis. Costello nam zijn taak over en werkte nu samen met Madden. Maar de rechterhand van Dwyer, Charles "Vannie" Higgins, ging niet akkoord met de komst van Costello. Higgins werd beschouwd als de laatste Ierse maffiabaas van Brooklyn. Hij vond dat hij recht had op Dwyers positie en Costello niet. Vanaf dan begon de Manhattan Bieroorlog met Costello, Schultz en Madden aan de ene kant, en Higgins aan de andere kant. De alliantie Costello-Schultz-Madden moest het onderspit delven, maar de drie zouden later wel nog steeds belangrijke gangsters blijven.

Costello slaagde er in om zijn vriendschappen met Lansky en Luciano goed te onderhouden en werd eind jaren '20 steeds machtiger. Hij werd bekend als de Prime Minister of the Underworld omwille van zijn goede banden met andere gangsters, politici, rechters en zakenmannen. Costello wilde de "grote drie" (politiek, misdaad en zaken) combineren. Zo kregen Costello en andere gangsters zoals Luciano de kans om hun misdaadpraktijken zonder al te veel problemen uit te voeren.

In 1927 organiseerden Lucky Luciano, Frank Costello en John "Johnny the Fox" Torrio een bijeenkomst van illegale drankhandelaars uit de oostkust van het land. Samen organiseerden deze gangsters hun handel waardoor ze de concurrentie konden overdonderen. Hun handel stond bekend als de Big Seven Group. Dit wordt beschouwd als de eerste, concrete stap in de richting van een nationale misdaadorganisatie. De grootste stap richting een nationale misdaadorganisatie kwam er in mei 1929. Lansky, Torrio, Costello, Luciano en Enoch "Nucky" Johnson organiseerden in Atlantic City, New Jersey een grote bijeenkomst voor maffiabazen uit heel het land. Joe Masseria en Salvatore Maranzano werden niet uitgenodigd omdat hun ideeën niet aansloten bij die van een nationale misdaadorganisatie.

De Castellammarijnse oorlog[bewerken]

Rond 1928 werden Costello en Luciano beschouwd als twee van de meest beloftevolle maffiabazen van het land. Maar de aandacht die naar hen uitging, verdween volledig toen hun superieur, Joe Masseria, een conflict kreeg met Salvatore Maranzano. Die laatste was nog maar drie jaar in de Verenigde Staten. Hij werd geboren in Castellammarese del Golfo in Sicilië en belandde in 1925 in New York. Hij had veel geld en heel wat handlangers en zo kon hij zich al snel opwerken naar de top van de onderwereld. Hij ging in de goksector rechtstreeks de strijd aan met Masseria, de baas van Costello. De strijd tussen de twee concurrenten werd al gauw een echte straatoorlog: de Castellammarijnse oorlog. Ze wilden bewijzen wie "capo di tutti capi" (Nederlands: baas van alle bazen) was.

Masseria werd dictator van de onderwereld. Hij dwong de vier andere misdaadfamilies uit New York om hem te steunen. Hij verdrong maffiabazen die hem niet gehoorzaamden en liet verscheidene mensen van de Castellammarese-bende vermoorden door enkele van zijn bondgenoten. Die bondgenoten waren onder andere Frank Costello, Lucky Luciano, Vito Genovese en Joe Adonis. Verder kon Masseria ook nog rekenen op de steun van de misdaadfamilie Mineo, die bestond uit onder meer Albert Anastasia, Carlo Gambino en Frank Scalice. De tegenpartij kon dan weer rekenen op de steun van onder andere Joseph "Joe Bananas" Bonanno, Stefano Magaddino, Joseph Profaci, Joseph Magliocco en Gaetano Lucchese.

De oorlog duurde zo'n twee jaar en vernielde veel van de organisatie van de maffia. De samenwerking in verband met de illegale drankhandel tussen de Italiaanse en de Ierse maffia dreigde volledig in handen te komen van de Ieren. Verscheidene gangsters stierven door de oorlog en een groot deel van de New Yorkse onderwereld leed onder al het geweld. De oorlog werd uiteindelijk beschouwd als een conflict tussen twee oude mannen, die zich vasthielden aan het "ouderwetse" gedachtegoed van de Italiaanse/Siciliaanse maffia. Jongere maffiabazen zoals Costello en Luciano verdedigden een nieuwe filosofie, die ontstond na de conventie in Atlantic City.

Frank Costello, Lucky Luciano, Vito Genovese, Albert Anastasia, Joe Adonis, Gaetano Lucchese, Meyer Lansky en Bugsy Siegel besloten een einde te maken aan de Castellammarese-oorlog en begonnen een nationale misdaadorganisatie. Op 15 april 1931 werd Joe Masseria in een restaurant doodgeschoten door Anastasia, Genovese, Adonis en Siegel. Deze vier werkten voortaan voor Lucky Luciano. Na de moord op Masseria werd Salvatore Maranzano "capo di tutti capi". Maar op 10 september 1931 werd ook hij vermoord. Enkele mannen verkleedden zich als agenten en schoten hem dood. De daders waren Abraham "Bo" Weinberg en Samuel "Red" Levine. Ze werden ingehuurd door Lansky en Luciano.

Consigliere[bewerken]

In 1931 na de dood van Masseria en Maranzano werd Lucky Luciano baas van een eigen misdaadfamilie. Vito Genovese werd zijn onderbaas en Frank Costello werd zijn consigliere (Nederlands: raadgever), een erg belangrijke functie binnen de familie. Al gauw werd Costello een echte topgangster in de onderwereld. Hij werd een grootverdiener en verantwoordelijke van de goksector. Hij controleerde de opbrengsten van gokautomaten en bookmakers. Hij werkte nauw samen met Frank Erickson en Philip "Dandy Phil" Kastel. In heel New York liet Costello zo'n 25.000 gokautomaten plaatsen. Maar in 1934 heeft burgemeester Fiorello La Guardia zo'n 1.000 van die automaten laten verwijderen. Vervolgens kreeg Costello een aanbod van Huey Long, de gouverneur van Louisiana. Costello mocht in heel Louisiana gokautomaten plaatsen in ruil voor 10% van de winst. Costello ging akkoord en plaatste Kastel aan het hoofd van de goksector in Louisiana. Kastel kon rekenen op de hulp van Carlos "Little Man" Marcello, een gangster uit New Orleans. Op deze wijze verdienden Costello en Erickson, die de bookmakers controleerden, enorm veel geld.

In 1936 werd Lucky Luciano gearresteerd voor het organiseren van prostitutie. Hij moest naar de gevangenis van Dannemora, bijgenaamd Siberië. Hij verdween voor een periode van minstens 30 jaar de gevangenis in. In eerste instantie probeerde hij zijn misdaadfamilie vanuit de gevangenis te besturen, maar dat lukte niet echt. Later besloot hij om zijn onderbaas, Vito Genovese, te promoveren tot baas. Maar in 1937 werd Vito Genovese verdacht van moord en dus vluchtte hij naar Napels in Italië. Luciano kon niets anders dan een nieuwe baas aanstellen en dus benoemde hij Frank Costello tot baas.

Baas[bewerken]

Nadat Vito Genovese naar Italië was gevlucht, werd Frank Costello de baas van de misdaadfamilie Luciano. Met de hulp van zijn caporegimes, Joe Adonis, Anthony Carfano en Michael Coppola, kon Costello er voor zorgen dat de familie niet in de problemen raakte. Bovendien verdiende hij ook veel geld en had hij macht over het hele land, van aan de oostkust tot aan de westkust. In Louisiana had hij Carlos Marcello voor de gokautomaten, in Florida was er Meyer Lansky die het gokken controleerde en de paardenwedstrijden in Los Angeles stonden onder het toezicht van Bugsy Siegel. De bookmakers in het land waren dan weer het werk van Frank Erickson.

Costello ontpopte zich al gauw tot een populaire maffiabaas met enorm veel macht. Hij werd vaak omschreven als de baas met de meeste politieke invloed. Hij verdiende veel geld en verdeelde dat voldoende onder de leden van zijn misdaadfamilie. Hij verdiende zelf zo'n $1 miljoen per jaar. Hij was ook de eigenaar van heel wat legale winkels en bedrijven.

Uiteindelijk breidde Costello z'n misdaadfamilie zelfs uit. Zo raakte hij betrokken bij de casino's in Cuba en Las Vegas. Opmerkelijk was dat hij zich niet bezighield met drugszaken. Hij vond dat de ze ook geld konden verdienen zonder drugs te verkopen. Dit was een mening die hij niet deelde met bijvoorbeeld Vito Genovese, die heel z'n leven lang met drugszaken bezig was.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte Lucky Luciano zijn macht om de Amerikaanse troepen die in Italië en Sicilië vochten te helpen. Luciano contacteerde zijn collega's in Italië en zij hielpen de troepen bij hun invasie. Hierdoor raakte Luciano zijn gevangenisstraf kwijt. Hij werd wel terug naar Italië gedeporteerd omdat hij officieel geen inwoner van de Verenigde Staten was. Luciano bleef achter de schermen wel nog steeds baas van de familie.

Havanaconferentie[bewerken]

Vito Genovese was in 1937 naar Italië gevlucht wegens een moordzaak. Na de Tweede Wereldoorlog mocht hij terugkeren naar de Verenigde Staten omdat alle getuigen in zijn moordzaak gestorven waren en er dus geen zaak meer was. Genovese keerde terug en hoopte op de positie van baas in de familie Luciano. Maar hij ontdekte dat Costello de baas was en dat zijn oude functie als onderbaas nu toebehoorde aan Willie Moretti. Genovese kon niets anders dan slechts een caporegime worden.

In december 1946 organiseerde Luciano in Cuba de Havanaconferentie. Deze bijeenkomst voor gangsters duurde enkele dagen. Onder de aanwezige gasten waren onder meer Frank Costello, Albert Anastasia, Vito Genovese en Meyer Lansky. Op de bijeenkomst in Havanna zouden de gangsters onder andere beslissen over het lot van Bugsy Siegel en de toekomst van Genovese binnen de familie Luciano. Siegel was uiteraard niet uitgenodigd. Er werd besloten dat hij vermoord zou worden. Verder werd er ook besloten om de samenwerking tussen de gangsters nog beter te laten verlopen. Ze veranderden de maffia in la cosa nostra (Nederlands: onze zaak).

Genovese wilde dan weer meer dan hij kon krijgen. Uiteindelijk begonnen Luciano en Genovese zelfs te vechten. Genovese had drie gebroken ribben. Luciano was kwaad omdat Genovese de Amerikaanse overheid had ingelicht over het verblijf van Luciano in Cuba. Na de conferentie ging Genovese in New York openlijk de strijd aan met Costello.

Genovese en Kefauver[bewerken]

Frank Costello verschijnt voor de Kefauver-hoorzittingen.

Vito Genovese begon als caporegime heel wat vertrouwen op te bouwen bij andere gangsters. Hij wilde de strijd aangaan met Costello en hij dreigde zelfs om zijn baas en onderbaas, Willie Moretti, te vermoorden. Maar Costello had te veel politieke macht én was bovendien zeer populair. Uiteindelijk besloot Genovese zelf om de twee gangsters niet te doden.

Vervolgens vonden tussen mei 1950 en mei 1951 hoorzittingen plaats. Verschillende gangsters, politiekers en pooiers werden ondervraagd door een comité dat onder leiding stond van senator Estes Kefauver uit Tennessee. De ondervragingen werden destijds in de Verenigde Staten op televisie uitgezonden. Ook Frank Costello werd ondervraagd. Hij was de absolute publiekstrekker. Hij werd beschouwd als de nummer 1 uit de Amerikaanse onderwereld. Gelukkig kon hij rekenen op zijn politieke invloed en raakte hij zonder al te veel kleerscheuren door de hoorzittingen. In die tijd meenden sommigen zelfs dat niemand een rechter kon worden in New York, zonder de toestemming van Costello.

Na de hoorzittingen begon een donkere periode voor Frank Costello. Op 4 oktober 1951 werd Willie Moretti vermoord in een restaurant in New Jersey. Costello zelf werd dan weer door de Amerikaanse Senaat veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. Na 14 maanden kwam hij vrij. In 1954 werd hij opnieuw opgepakt, ditmaal wegens belastingfraude. Uiteindelijk werd hij nog twee keer opgepakt, in 1956 en in 1957. Telkens werd hij voorwaardelijk vrijgelaten.

Moordpoging[bewerken]

In 1956 moest Joe Adonis ofwel de gevangenis in, ofwel vrijwillig terug naar Italië keren. Hij koos voor het laatste. Adonis was echter wel een sterke man van Costello. Hij was na Moretti de tweede belangrijke man van Costello die uit de misdaadfamilie verdween. Goed nieuws voor Vito Genovese dus, die nu nog maar één iemand uit de weg moest ruimen: Albert Anastasia. Na het verdwijnen van baas Vincent Mangano en de moord op diens broer Philip was Anastasia baas geworden van de misdaadfamilie Mangano. Dat was de tweede grootste misdaadfamilie uit de Verenigde Staten.

De Amerikaanse misdaadtop, bijgenaamd de Commissie, bestond in die periode uit een Liberale Fractie en een Conservatieve Fractie. De Commissie stond onder leiding van de Conservatieve Fractie. De Liberale Fractie bestond uit onder andere Costello, Anastasia, Carlo Gambino en Tommy Lucchese. Genovese behoorde tot de andere fractie en hoopte dat Lucchese en Gambino, de onderbaas van Anastasia, naar hem zouden overlopen. Als ze dat deden kregen ze de macht binnen de misdaadfamilies Luciano en Anastasia.

Op 2 mei 1957 werd er een aanslag gepleegd op het leven van Frank Costello. Hij wandelde richting de lift in een flatgebouw in Manhattan. De chauffeur van Genovese, Vincente "The Chin" Gigante, schoot hem in het hoofd. Alvorens zijn wapen af te vuren, riep Gigante: "This is for your, Frank!" Hierdoor draaide Costello zich om waardoor hij niet dodelijk gewond raakte. Gigante dacht dat Costello dood was en vluchtte.

Genovese organiseerde vervolgens een bijeenkomst in zijn huis in New Jersey. Alle caporegimes van de misdaadfamilie Luciano kwamen opdagen. Enkel een trouwe aanhanger van Costello, Anthony Carfano, kwam niet opdagen. Carfano werd op 25 september 1959 vermoord. Genovese wist dat Costello nog leefde, maar besloot toch om zichzelf de nieuwe baas te noemen van de familie. Hij riep de Commissie bij elkaar en veranderde de naam van de misdaadfamilie. Voortaan was Vito Genovese baas van de misdaadfamilie Genovese.

Albert Anastasia was ondertussen nog steeds razend omwille van de moordpoging op Costello. Daarom besloot Vito Genovese om hem te laten vermoorden. Hij riep de hulp in van Luchesse en Gambino. Op 25 oktober 1957 werd hij in het kapsalon van het Park Sheraton Hotel vermoord. De moordenaars waren de broers Gallo. Zij waren lid van de misdaadfamilie Profaci en werkten nu in dienst van Gambino. Na de dood van Anastasia werd Gambino hoofd van de misdaadfamilie Anastasia en werd Genovese de machtigste gangster van New York.

Costello en Genovese begroeven later eindelijk de strijdbijl. Costello nam een stap terug en Genovese werd baas. In ruil voor zijn beslissing mocht Costello zijn goksector in Florida en Louisiana houden. Hoewel Costello nu officieel niet meer dan een "soldaat" was, bleef iedereen hem beschouwen als een baas.

Enkele jaren later kwamen Lucky Luciano, Costello en Meyer Lansky opnieuw samen. Ze wilden wraak voor de moordpoging op Costello en de dood van Anastasia. Ze bedachten een plan om Genovese te vermoorden. Uiteindelijk werd er een complot bedacht om hem in de gevangenis te doen belanden. In 1959 werden Genovese, Gigante en Carmine Galante in verband met een drugszaak opgepakt en veroordeeld. Genovese stierf in 1969 in de gevangenis. Door het verdwijnen van enkele prominente gangsters werden de machtsverhoudingen opnieuw anders. Gambino werd, zoals Luciano het ooit voorspelde, capo di tutti capi.

Dood[bewerken]

Na het verdwijnen van Genovese uit de maffia ging Costello met pensioen. Gambino en Lucchese werden de nieuwe sterke figuren van la cosa nostra. Telkens als zij raad nodig hadden, brachten ze een bezoekje aan de penthouse van het Waldorf-Astoria Hotel, waar Costello woonde. Op 18 februari 1973 stierf hij in een ziekenhuis in Manhattan aan de gevolgen van een hartaanval.

In 1972 was Carmine Galante vrijgekomen. Hij wilde wraak en liet in '73 de deuren van de graftombe van Costello ontploffen. In 1979 werd Galante vermoord.

Cultuur[bewerken]

Film[bewerken]

Frank Costello werd vertolkt door...

Verder diende hij ook als basis voor heel wat bekende filmpersonages. In 1972 kwam The Godfather uit. De rol van Marlon Brando is gebaseerd op Frank Costello. Brando zei ook dat hij zijn accent aanpaste aan dat van de echte Costello. De acteur had naar bandopnames van de Kefauver-hoorzittingen geluisterd. Het personage van Jack Nicholson in The Departed (2006) is een maffiabaas en heet ook Frank Costello.

Muziek[bewerken]

  • Andre Nickatina zingt in het liedje Heelz het volgende: "She might be white, brown, or yellow, and I talk to her like Frank Costello."
  • Frank Costello wordt vernoemd in het gedicht Hadda Be Playin on the Jukebox van Allen Ginsberg. Later werd dit gedicht gezongen door Rage Against the Machine.

Referenties[bewerken]

  • Brennan, B. The Frank Costello Story. Derby, CT: Monarch Books Inc., 1962.
  • Katz, L. Uncle Frank: The Biography of Frank Costello. New York: Drake Publishers Inc., 1973.
  • Wolf, G. Frank Costello: Prime Minister of the Underworld. New York: William Morrow & Company Inc., 1974.