Heerlijkheid Hilvarenbeek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De heerlijkheid Hilvarenbeek was een heerlijkheid die bestaan heeft tot 1795.

De heerlijkheid bestond uit de dorpen Hilvarenbeek, Diessen, Westelbeers en Riel.

De bestuursstructuur was ingewikkeld, daar er twee leenheren waren, namelijk de prins-bisschop van Luik en de Hertog van Brabant, die beiden halfheer waren.

De prins-bisschop van Luik gaf de halve heerlijkheid in leen aan telgen van adellijke geslachten die ook elders in het gebied bezittingen hadden. Achtereenvolgens waren dat: Van Herlaar, Van Horne, Van Leefdael, van Bronkhorst, Van Pietersheim en Van Merode. In 1672 moest Ferdinand van Merode zijn rechten verkopen wegens financiële problemen en deze kwamen in handen van de schuldeisers, de familie De Cort.

De rechten van de hertog gingen in 1648 over op de Staten-Generaal der Nederlanden.

In 1790 werd het jachtrecht van de Staten-Generaal gekocht door Peter Bouwens, de toenmalige bewoner van Huis Groenendaal. Dit recht was overerfbaar, ook nadat in de Franse tijd de heerlijke rechten werden opgeheven. In 1879 kocht Hubertus Swagemakers ook de andere helft van het jachtrecht van Hilvaardina Theodora Sloet van Zwanenburg, de erfgenaam van de halfheren van de Luikse kant, waarop hij zich "de laatste Heer van Hilvarenbeek" liet noemen, hoewel dat geen enkele betekenis meer had. Uiteindelijk werd in 1923 ook het jachtrecht opgeheven.