Heren van Amstel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Wapen Van Amstel
Opgraving van een 13e-eeuwse versterking bij de Nieuwezijds Kolk in Amsterdam. Mogelijk resten van een kasteel van de Heren van Amstel
De overgebleven toren van Kasteel IJsselstein.

De Heren van Amstel (ook geschreven als Heeren van Aemstel) waren een middeleeuws ministeriaal (en later adellijk) geslacht dat het Amstelland ontgon en het rentmeesterschap voerde over leengoederen in de kerkelijke rechtsdistricten in het noordwesten van het Nedersticht van Utrecht, eerst in naam van de bisschop van Utrecht en later de graaf van Holland.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

De oorsprong van het geslacht Van Amstel (in bronnen ook vermeld als Amestelle, Amestello, Aemstel, Amestel, Hamstelle) blijkt uit het goederenbezit van de abdij van Werden (Ruhrgebied, D.) op het oude land van Werinon (Nederhorst) en Dorssen (Vreeland) ten noorden van Utrecht. In Werinon, de oudste parochie van de noordelijke Vechtstreek, bezaten de onvrije (of horige pre-Amstels vermoedelijk dienstgoederen als vergoeding voor het beheer van de bezittingen van de abdij.

Toen de abdij van Werden haar goederen in de noordelijke Vechtstreek overdroeg aan de kerk van Sint Martinus, de domkerk van Utrecht, kwamen ook de onvrije dienstmannen van Werinon onder het gezag van de bisschop van Utrecht. Deze overdracht van goederen en dienstmannen vond plaats voor de aanvang van de grote ontginningen rond het Overmeer omstreeks 1080. Vermoedelijk in deze periode verwierven de pre-Amstels als dienstmannen van de bisschop van Utrecht naast hun reeds verworven dienstgoederen in het oude Werinon onder anderen de lucratieve visserijrechten op het Overmeer (Horstermeer, thans Ankeveense Plassen), één van de oudste goederen van de kerk van Utrecht, 918-948.

Dienstmannen van de bisschop[bewerken]

Bij de instelling van het kerkelijk rechtsgebied van Amestelle (Ame = water, Stelle = verhoogde, veilige plek) omstreeks 1100 had de bisschop van Utrecht een functionaris nodig om namens hem de rechtsmacht uit te oefenen en de verplichte heffingen te innen in het nieuwe dekenaat. De kerkvorst besteedde deze taken waarschijnlijk uit aan een van zijn dienstmannen uit het oude land Werinon. De eerste bekende ambtenaar in Amestelle of Amstelland was Wolfgerus, die in 1105 optrad als 'Wolfgerus scultetus (schout) de Amestelle' (1075-1131), dienstman van Burchard, bisschop van Utrecht.

Met het toegenomen wereldlijk gezag van de bisschoppen van Utrecht in de elfde eeuw was ook het aanzien van hun onvrije dienstmannen gestegen. Velen van hen stonden daardoor in hoger aanzien dan de vrijen, de liberi homines. De 'meliores servientes episcopi' oefenden functies uit zoals ondernemers, 'locatores', in de grote ontginningscomplexen in de Vechtstreek en nieuw ontgonnen landerijen.

Erfelijk rentmeesterschap en ridderschap[bewerken]

Door toedoen van Wolfgers opvolgers Egbert (1105-1172) en diens zoon Gijsbrecht I van Amstel (1145-tussen 1180/1200), kwam hun rentmeesterschap over de bisschoppelijke goederen erfelijk in de familie. Gijsbrecht II van Amstel (1175-1230) kwam daarboven in het bezit van leengoederen van de Benedictinessenabdij van Elten (D.) in Nardinkland (1224) terwijl hij in 1226 uitgebreide leengoederen in het noordelijk Vechtgebied van de bisschop van Utrecht in erfpacht ontving. Hij werd de vierde schout rentmeester van zijn geslacht in Amestelle. De continuïteit van zijn ambt creëerde een bijzondere verhouding tot zijn heer, de bisschop van Utrecht. Zijn functie bewoog zich juridisch tussen die van dienstman in volledige afhankelijkheid en die van leenman, welke een ruime mate van vrijheid en onafhankelijkheid van de landsheer-bisschop toestond. Hij was voortaan vrij van hele of halve horigheid. Zijn promotie valt af te leiden uit de administratie van het bisdom door de vermelding van 'dominus Giselbertus de Amestel', een titel waarmee hij sinds 1222 officieel voorkomt. De vermelding 'dominus' voor zijn doopnaam toont aan dat hij tot de ridderschap behoorde: hij was 'miles'. In 1227 wordt het familiewapen van Van Amstel waarschijnlijk voor het eerste gevoerd door Gijsbrecht II in de slag bij Ane. Het wapen wordt als volgt omschreven: gedwarsbalkt van goud en sabel, van acht stukken, waaroverheen een Andreaskruis geschakeerd van zilver en keel in twee rijen.

Militie[bewerken]

Nadat de leden van het ministeriale geslacht Van Amstel aldus tot erfelijke rentmeesters/dienstmannen van de bisschop van Utrecht ware opgeklommen, maakten zij carrière in de bisschoppelijke militie. Dit andere facet van hun dienst aan de kerkvorsten van Utrecht ontstond als gevolg van het voortdurende eigenmachtig optreden van vooral de prefeodale graven van Holland, die het gezag van de bisschoppen in het Nedersticht ondermijnden. Hierdoor waren zij genoodzaakt een militaire macht op te bouwen, waarvoor zij krijgslieden recruteerden uit de klasse van hun onvrije dienstmannen. Zij formeerden een bereden en gewapende militie die de kern van het permanente bisschoppelijk leger werd. In deze legergroep kwamen nauwelijks prefeodale edelen meer voor. De positie van Gijsbrecht II in het leger van de bisschop blijkt uit zijn opvallende deelname aan de slag bij Coevorden in 1227, waar werd gestreden tussen de ministerieel krijgslieden van de kerkvorst van Utrecht en de opstandige Drentse bevolking.

Heren van Amstel[bewerken]

Gijsbrecht III van Amstel (1200-1252) volgde de maatschappelijke stand van zijn vader en had zijn zetel in Utrecht in zijn 'domum meam lapideam in Trajecto'. Hij werd bekend als 'heer van Amstel' en bezat leengoederen in de kerkelijke rechtsdistricten Amestelle, Muiden, Diemen, Weesp, Mijdrecht, Legmeer en Wilnis. Bovendien bezat hij landerijen en rechten rond het Bijlmermeer, het Naardermeer en de Ankeveense Plassen. Omstreeks 1235 was hij de machtigste ministeriaal in het noordwesten van het Nedersticht van Utrecht, en bezat zodanige zeggenschap omtrent oude rechten bij Vreeland en Kortenhoef, dat de bisschop van Utrecht niet geheel probleemloos over de tienden van deze gebieden kon beschikken. Zijn inlijving in de ridderschap en zijn huwelijk met een dochter uit het prefeodaal adellijke geslacht Van Cuijk mogen kenmerkend heten voor de toegenomen maatschappelijke status van het geslacht Van Amstel. De heren van Amstel zelf voerden na 1231 consequent de titel van 'dominus de Amestelle' - heer Van Amstel. Uit het huwelijk met Van Cuijk werden twee zonen en een dochter geboren, Gijsbrecht IV, Willem en Elisabeth. Uit een tweede huwelijk met een dochter uit het geslacht Benschop werd zoon Arnoud geboren. Ook de broers en zuster van Gijsbrecht IV bekleedden belangrijke maatschappelijke posities.

Modernisering waterhuishouding en aanleg Dam in Amsterdam[bewerken]

Willem van Amstel (1235-1293) wordt in ongeveer het jaar 1264/65 vermeld als proost van het kapittel van Sint Jan en de aartsdiaken van Utrecht. Van oudsher werd de proost, meestal afkomstig uit de hoge adel, door de kapittelheren gekozen. Deze aanvaardde daarmee ook de wereldlijke positie van heer van de goederen van het kapittel en de proosdij. Vrijwel meteen na zijn benoeming tot kapittelproost, omstreeks 1264, kwam hij in samenwerking met zijn broer Gijsbrecht IV, heer van het aangrenzende Amestelle, met de Hollandse parochies Kalslagen en Nieuwveen tot een overeenkomst waarin deze tegen betaling het recht kregen de afwatering van hun landen via de Amstel te regelen. Ook de proosdijlanden van Sint Jan en de landen van Amestelle voerden hun overtollig water via de Amstel af. In zijn poging om de aanleg van de dam in de monding van de Amstel te dateren, vermoedde Fockema Andrea, dat de genoemde Hollandse parochies voor 1264 geen afwateringskosten afdroegen omdat de Amstel toen nog een open rivier was. Tot in de late vijftiende eeuw echter werd de aangelegde Amsterdam onderhouden door de dorpen Nieuwer- en Ouder Amstel in Amstelland, de proosdij van Sint Jan en de dorpen Mijdrecht, Wilnis en Kudelstaart. Op grond van de traditionele regelingen voor onderhoudswerken van waterstaat mag derhalve worden aangenomen dat de dam in de monding van de Amstel op initiatief van de parochies in Amestelle en de proosdij van Sint Jan werd aangelegd en bekostigd. Na de voltooiing van de Amsterdam dienden ook de waterafvoerende dorpen Kalslagen en Nieuwerveen aan de kosten van het onderhoud van de dam bij te dragen, hetgeen in 1264 werd overeengekomen. De dam in monding van de Amstel zou derhalve dateren uit de periode dat beide heren Van Amstel in functie waren 1264-1291. Dat zowel Willem als Gijsbrecht IV van Amstel direct bij de aanleg van de dam in de monding van de Amstel waren betrokken moge blijken uit hun belangen landinwaarts. Zij bezaten samen met andere familieleden de rechtsmacht in vrijwel het gehele afwateringsgebied aan de Amstel.

Van Amstel - Van IJsselstein[bewerken]

Arnoud van Amstel (1240-1291) heeft waarschijnlijk via moederszijde Benschop en andere Stichtse lenen in bezit gekregen. Gijsbrecht, de zoon van Arnoud verklaart in 1279 dat zijn voorvaderen heren van Benschop, Polsbroek en IJsselstein waren. Op 25 augustus 1288 wordt Arnoud uitdrukkelijk vermeld als heer van Benschop. In 1267 blijkt Arnoud leenman te zijn van goederen te Benschop, IJsselstein en Polsbroek in het bezit van het Sticht, dat wil zeggen van de bisschop en de kapittels van de Dom, Oudmunster, en Sint Marie. Ook in 1267 gebruikt hij voor het eerst een zegel met het wapen van de Van Amstels met het geblokte Andrieskruis, alleen met één brisure in plaats van de acht gedwarsbalkte stukken van het originele Amstelwapen. Zijn gebroken wapen kan zowel verwijzen naar zijn afkomst als zoon uit een tweede huwelijk als naar de stichting van de nieuwe tak Van Amstel - Van IJsselstein, of beide. Onder Arnoud en zijn zoon Gijsbrecht groeide IJsselstein uit van een kasteel met een aantal boerderijen tot een stad.

Gijsbrecht IV en complot tegen Floris V[bewerken]

Gijsbrecht IV (1235-1303) koesterde in navolging van zijn vader plannen om zijn dienstverhouding met de bisschop van Utrecht te verbreken. Hij meende zijn onafhankelijkheid te kunnen realiseren tijdens het episcopaat van de zwakke select-bisschop Jan van Nassau, 1267-1290. Reeds in een vroeg stadium van de controverse tussen Van Amstel en de elect van Utrecht mengde graaf Floris V, graaf van Holland, zich in het Stichtse conflict teneinde het kleine graafschap Holland ten koste van Stichts grondgebied uit te breiden. Floris V is in zijn opzet geslaagd. Nadat Jan van Nassau in 1280 door Gijsbrecht IV met steun van de graaf financieel en politiek ten gronde was gericht, werd Van Amstel op zijn beurt door de graaf uitgeschakeld. Na een internering van vijf jaar werden Gijsbrecht IV en zijn broers weer door Floris V in genade aangenomen. Van 1285 tot 1296 was Gijsbrecht IV leenman van Holland over zijn voormalige Stichtse dienstgoederen, die Floris V van de bisschop van Utrecht in onderpand had geëist als betaling van gegeven militaire hulp.

Zegel Gijsbrecht IV van Amstel

Toen Floris V in Januari 1296 zijn expansiedrift ten koste van Vlaanderen met steun van de Franse koning meende te kunnen realiseren, beging hij een fatale misstap. De Engelse koning, tegen wiens Vlaamse belangen Floris V was ingegaan, gaf aan Gijsbrecht's neef, Jan I van Cuijk, opdracht de graaf van Holland in gijzeling te nemen en over te brengen naar Engeland. Van Cuijk organiseerde de ontvoering die echter bij Muiden mislukte en Floris V werd gedood. Als gevolg van zijn deelneming aan de staatsgreep tegen Floris V werd Gijsbrecht IV van Amstel verbannen, terwijl zijn goederen verbeurd werden verklaard. Hij vond zijn toevlucht in 's-Hertogenbosch, de noordelijke grensstad van het hertogdom Brabant, waar hij hertogelijke bescherming genoot en materiële ondersteuning ontving van zijn invloedrijke neef Jan I van Cuijk.

In een tijdsbestek van acht jaar, 1296-1304, hebben Gijsbrecht IV en na 1303 zijn zoon Jan met medewerking van Van Cuijk tot driemaal toe tevergeefs de rechten op hun geconfiskeerde leengoederen geprobeerd te herstellen. Het tijdelijk gewaande verblijf van de Van Amstels in Brabant kreeg daardoor een definitief karakter.

Gijsbrechts zoon Jan I van Amstel (1270-1345) lukte het in 1304 nog een tijd Amsterdam te bezetten, maar de stad werd belegerd en Jan moest uiteindelijk uit de stad wegvluchten. Amsterdam moest als straf de nieuw verworven stadsrechten weer tijdelijk inleveren en de verdedigingswerken van de stad werden op last van de graaf afgebroken. Na zijn verbanning vestigde Gijsbrecht IV zich waarschijnlijk in Oss in het Hertogdom Brabant. De Groningse hoogleraar Dick E.H. de Boer heeft aanwijzingen gevonden - zij het geen sluitend bewijs - dat Gijsbrecht na zijn verbanning met enkele volgelingen betrokken was bij de stichting van Pruisisch Holland.

Amstelland werd eigendom van graaf Jan II van Holland, die het in 1300 in leen gaf aan zijn broer Gwijde van Avesnes, bisschop van Utrecht. Ook de IJsselsteinse bezittingen van de heren van Amstel werden aan Guy geschonken, die het in 1308 weer in leen gaf aan Gijsbrecht van IJsselstein. Guy's dochter Maria van Henegouwen trouwde met Gijsbrechts zoon Arnoud van IJsselstein.

De huizen van Amstel in Ouderkerk, Utrecht en Amsterdam[bewerken]

In de Egmonder annalen wordt een 'domus Giselberti honorifice structure' vermeldt. Uit de samenhang van de tekst kan worden opgemaakt dat dit 'domum Giselberti' het huis van Gijsbrecht II van Amstel in Ouderkerk moet zijn geweest dat in 1204 door de Kennemers werd verwoest. Vermoedelijk werd in de stichting van dit huis voorzien door de bisschop van Utrecht toen de eerste kolonisten zich vestigden in Amestelle om het moerasgebied droog te leggen en te ontginnen. Van een dienstwoning voor de schout van Amestelle zou omstreeks 1105 sprake kunnen zijn. Daar waar op dit moment de Portugees-Joodse begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk ligt zou het huis van Gijsbrecht II en zijn voorgangers moeten worden gezocht.

Voor de aanleg van een nieuwe begraafplaats kocht de Portugees-Joodse gemeente van Amsterdam in de zeventiende eeuw twee terreinen aan, waarvan de namen verwijzen naar het bestaan van een versterkt huis, een burcht met bijbehorend land. Het eerste perceel 'borchland' genaamd werd in 1619 aangekocht terwijl het aangrenzende terrein 'het hoflant bi den berg' in 1690 in handen kwam. Op het deel van de begraafplaats dat 'borchland' heette, bevindt zich een verhoging waarvan professor Levelt van het Instituut voor Aardwetenschappen van de V.U. van Amsterdam in 1985 tot de conclusie kwam dat deze kunstmatig moet zijn aangebracht. Vanwege de verhoging op het 'borchland', waaraan de benaming 'het hoflant bi den berg' refereert, kunnen de twee aangrenzende percelen, gezien de geografische situatie, als delen van eenzelfde terrein worden beschouwd.

Dit terrein dat ligt aan de samenvloeiing van de Amstel en de Bullewijk is aan twee zijden door water omgeven en zeer strategisch gelegen voor de bouw van een 'deftig huis' zoals in de Egmonder annalen is beschreven. De resten van een verhoging op het deel van de begraafplaats dat 'borchland' heette, doet vermoeden dat op deze plaats een versterkt huis van het type motteburcht kan hebben gestaan. Omstreeks 1204 bezat de ministerialiteit van Utrecht over het algemeen geen burchten maar gezien de schadevergoeding die Gijsbrecht II van Amstel van de graaf van Holland vermoedelijk voor de verwoesting van de goederen in Ouderkerk ontving, is de mogelijkheid van eigendom niet uit te sluiten.

Bij de inval van de Kennemers in het Neder-Sticht tijdens de Loonse successieoorlog in 1204 werd het huis, dat Gijsbrecht II in Ouderkerk bewoonde, verwoest. Bij deze strafexpeditie, die gericht was tegen de bisschop en zijn rentmeester in Amestelle, staken de Kennemer boeren de Amsteldijk door zodat de ontgonnen venen onder water liepen. Het 'deftige huis' van Gijsbrecht II en de bijbehorende boomgaard gingen in de vlammen op. Vermoedelijk werd het bestuurscentrum na 1204 weer opgebouwd. Dat Gijsbrecht II zich na 1204 weer in Amestelle vestigde lijkt twijfelachtig.

Oorkonden van na 1207 waarin hij als getuige voor zijn heer optrad pleiten voor een hoofdzetel in Utrecht. Dat hij een huis in Utrecht bezat, blijkt kort na zijn overlijden. Op 19 februari 1231 droeg zijn zoon Gijsbrecht III zijn stenen huis in de stad Utrecht op aan Floris IV, graaf van Holland en ontving het van de graaf in leen terug. De vermelding van een bakstenen huis in 1231 is bijzonder, aangezien pas tegen het einde van de dertiende eeuw hout in ruimere mate als bouwmateriaal door baksteen werd vervangen. Het bakstenen huis dat Gijsbrecht III in Utrecht bewoonde is wellicht kort na de verwoesting van het huis van Amstel in Ouderkerk in 1204 gebouwd en daarmee misschien een van de eerste van zijn soort.

In 1994 werden in Amsterdam (aan de Nieuwendijk, ten zuiden van de Nieuwezijds Kolk) de funderingen van een kasteel ontdekt. Mogelijk werd dit kasteel gebouwd door de heren van Amstel, hoewel historici hierover nog van mening verschillen. [1]

Toneelstuk[bewerken]

Joost van den Vondels toneelstuk Gysbrecht van Aemstel is mogelijk het bekendste toneelstuk uit de Nederlandse literatuur. De historische gebeurtenissen in het 14e-eeuwse Amsterdam waar de 17e-eeuwse Vondel in zijn 'Gijsbrecht' naar verwijst, voltrokken zich in werkelijkheid niet rond zijn hoofdpersoon Gijsbrecht IV van Amstel, maar rond diens zoon Jan. Gijsbrecht dankt zijn status als held van Amsterdam – zo kreeg hij een beeld in de Beurs van Berlage en werd het Amsterdamse Gijsbrecht van Aemstelpark naar hem vernoemd – dus eerder aan Vondels 'dichterlijke vrijheid' dan aan historische feiten.

Lijst van heren[bewerken]

Wetenswaardigheden[bewerken]