Hiëronymus Duquesnoy de Jonge

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Gravure uit 1776 van een fronsende Duquesnoy die naar een kinderbuste wijst. Volgens het onderschrift gebaseerd op een (gefabuleerd) portret naar het leven door Antoon Van Dyck
Praalgraf voor bisschop Antoon Triest in de Sint-Baafskathedraal in Gent

Hiëronymus of Jérôme Duquesnoy de Jonge (Brussel, gedoopt 8 mei 1602Gent, 28 september 1654) was een Zuid-Nederlands beeldhouwer en architect. Hij was de zoon van Hiëronymus Duquesnoy de Oudere en de broer van Frans Duquesnoy.

Levensloop[bewerken]

Hiëronymus Duquesnoy kreeg zijn opleiding van zijn vader in Brussel. Rond 1621, nog leerling, vertrok hij naar zijn broer Frans in Rome om zijn opleiding te voltooien. Hij bleef er een tweetal jaar, maar kort na een bezoek van Antoon Van Dyck vertrok Hiëronymus, waarschijnlijk na onenigheid met zijn broer. Hij schijnt werkzaam geweest te zijn voor koning Filips IV in Madrid, voordat hij, na passages in Lissabon en Florence,[1] van 1641 tot 1643 weer in het atelier van zijn broer in Rome werkte. Na diens dood in Livorno verscheepte hij Frans' artistieke nalatenschap naar de Nederlanden (vier groote kassen, swaerlijk gelaeden). De overige erfgenamen spanden hierover een proces in, maar gaven het snel op, er mogelijk op vertrouwend dat de erfenis hen uiteindelijk toch zou toevallen daar Hiëronymus ongetrouwd was.

Hij begon in Brussel aan een glanzende carrière. De gematigd barokke werken van zijn broer bleven een voorbeeld voor hem voor de rest van zijn leven. Samen met Artus Quellinus en Rombout Pauwels verspreidde hij die stijl in de Nederlanden. Duquesnoy maakte veel ivoren crucifixen, al dan niet met de armen van de gekruisigde omhoog gericht. Ook apostelbeelden waren een specialiteit: hij maakte er vier voor de Sint-Michielskerk, drie voor de Sint-Michielsabdij van Antwerpen en twee voor de Kapellekerk.

Aan het Brusselse hof werd hij in 1651 benoemd tot hofarchitect en –beeldhouwer in opvolging van Jacques Francart, wiens adjunct hij was sinds 1645. Hij maakte verschillende portretten van aartshertog Leopold Willem. In 1651 vervaardigde hij een beeld van de heilige Ursula voor de Zavelkerk in Brussel, zeker een van zijn meesterwerken. Het was een opdracht van Lamoraal II van Thurn en Tassis, voor wie hij ook een prachtige Minerva maakte. Ze stond oorspronkelijk in hun stadspaleis aan de Zavel en tegenwoordig in het familieslot St. Emmeram te Regensburg. In 1653 maakte Duquesnoy een Anna en Maria voor de Sint-Michielskerk in Brussel. Als architect ontwierp hij in 1649 de O.L.V.-kapel (1651-1656) van die kerk.

Vanaf 1651 was hij echter vooral werkzaam aan het praalgraf voor bisschop Antoon Triest in de Sint-Baafskathedraal in Gent. Het werk is geplaatst in een architecturale omlijsting, en toont Maria en Christus die op het beeld van de bisschop neerkijken. In 1654 werd Hiëronymus vervolgd voor sodomie omwille van het seksueel misbruik van twee jongens van 8 en 11 jaar oud.[2] Tijdens de eerste twee ondervragingen ontkende hij alles, maar onder tortuur bevestigde hij de versie van de jongens. Een verzoek aan de Geheime Raad om de zaak in Brussel te laten behandelen, werd afgewezen. De kunstenaar werd op 28 september 1654 veroordeeld tot wurging aan de staak, gevolgd door verbranding. Het vonnis werd de dag zelf nog voltrokken op de Korenmarkt. De jongens, Constant de Somere en Jacob de Sterck, werden verbannen.

Werk (selectie)[bewerken]

Hiëronymus Duquesnoy was een kundig beeldhouwer, maar niet zozeer een origineel of vernieuwend kunstenaar. Onder zijn belangrijkste werk:

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Edmond De Busscher, "Les sculpteurs De Quesnoy, Delvaux, Calloigne", in: Annales de la Société Royale des Beaux Arts, Gent, 1877, p. 305-440
  • Georges Eekhoud, Un illustre uraniste du XVII siècle. Jérôme Duquesnoy, sculpteur flamand, in: Jahrbuch für Sexualzwischenstufen mit besonderer Berücksichtigung der Homosexualilät, 1900, p. 277-287
  • Jan Butinx, Jeroom du Quesnoy en het praalgraf van Bisschop Triest in de Sint-Baafskathedraal te Gent pdf-document, in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, nieuwe reeks, IV, 1949, nr. 1, p. 97-111
  • Lydie Hadermann-Misguich, Les du Quesnoy, Gembloux, Duculot, 1970
  • Geert Debeuckelaere, "Omme dieswille dat Gij, Hieronymus Duquesnoy…", in: Tijdschrift voor Homogeschiedenis, 1984, nr. 1, p. 5-22
  • Iris Kockelbergh, "Quesnoy (Duquesnoy), Hiëronymus (Jérôme) du, de Jonge, beeldhouwer", in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Brussel, 1992, vol. 14, kol. 557-560
  • Wayne R. Dynes en Stephen Donaldson (red.), Jerome Duquesnoy the Younger: Two Studies pdf-document, in: Studies in Homosexuality. Homosexuality and Homosexuals in the Arts, 1992, p. 82-96 (Engelse vertaling van Eekhoud en Debeuckelaere)
  • Alain Jacobs, "Le Ganymède et l’aigle de Jérôme Duquesnoy le Jeune", in: Revue de l'Art, 2001, nr. 2, p. 57-66
  • Denis Coekelberghs, A propos de Jérôme Du Quesnoy le jeune, in: La Tribune de l'Art, 1 september 2006
  • Katlijne Van der Stichelen en Jonas Roelens, "Made in heaven, burned in hell. The trial of the Sodomite sculptor Hiëronymus Duquesnoy (1602-1654)", in: Facts & feelings. Retracing emotions of artists, 1600-1800, 2015, p. 101-138