Leiding door het Midden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Leiding door het Midden is de voormalige naam van WarmtelinQ, een geplande pijpleiding voor het transport van (rest)warmte uit de Rotterdamse haven naar Den Haag en omliggende gemeenten. De leiding is een initiatief van energiebedrijf Eneco. Het tracédeel Leiding door het Midden (van Vlaardingen naar Den Haag) is een van de delen van de geplande hoofdtransportleiding. Er wordt ook onderzoek gedaan naar een tracédeel in de haven (van Vlaardingen naar Vondelingenplaat) en een tracédeel van Delft naar het Westland. Na voltooiing kan de leiding 100.000 - 150.000 woning-equivalenten van warmte voorzien. Het project wordt als onderdeel gezien van een provinciaal en open warmtetransportnet, de zogenaamde 'Warmterotonde'. De kosten worden geschat op ongeveer €140 miljoen.[1] In september 2019 is bekend gemaakt dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat aan Gasunie de opdracht heeft gegeven om de ontwikkeling van WarmtelinQ over te nemen.[2] Havenbedrijf Rotterdam is betrokken als partner. De start van de warmtelevering staat gepland voor 2023.[3]

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

WarmtelinQ is een ondergrondse warmteleiding die met (rest)warmte verwarmd water vervoert naar de gebruikers, en het afgekoelde water terug naar de warmteproducenten voert. Het geplande tracé loopt van de Rotterdamse haven via Vlaardingen, Schiedam en Midden-Delfland naar Delft en Rijswijk, waarna de leiding bij de Middachtenweg Den Haag binnenkomt. Bij het De Constant Rebecqueplein wordt de leiding aangesloten op het bestaande stadswarmtenet van Den Haag.[4] Bij Delft komt een aftakking naar het Westland.[2]

In eerste instantie vervoert de Leiding door het Midden hoge temperatuur warmte (vanaf 70 graden Celsius). Om ook duurzame warmtebronnen zoals geothermie aan te kunnen sluiten, wil men op termijn de temperatuur verlagen. De warmte wordt initieel geleverd door een afvalverbrandingsinstallatie van AVR en industrie uit de Rotterdamse haven, door bij de betreffende processen vrijkomende warmte in te voeren in het warmtetransportsysteem. Het doel is om op termijn de duurzaamheid van het warmtenet te verhogen, door het aansluiten van hernieuwbare warmtebronnen en het verduurzamen van de havenindustrie.[1]

WarmtelinQ heeft een totale lengte van ongeveer 23 kilometer, en bestaat uit twee stalen geïsoleerde pijpleidingen met een buitendiameter van 800 mm. In de omgeving van Delft bevindt zich een 'boosterstation' om de benodigde druk op de leiding te handhaven.[1]

Ontwikkeling[bewerken | brontekst bewerken]

De combinatie van verschillende factoren, zoals de nationale en regionale doelstellingen en eisen voor emissiereductie[5], het afbouwen van de aardgaswinning in het Slochterenveld[6] en de aanwezigheid van veel restwarmte uit de Rotterdamse (haven)industrie, hebben verschillende partijen ertoe bewogen om een nuttige inzet van deze restwarmte ter vervanging van aardgas te bestuderen. De gemeente Rotterdam houdt zich hier middels het Warmtebedrijf Rotterdam al sinds 2006 mee bezig, met de aanleg van een warmteleiding in Rotterdam en plannen voor de Leiding over Oost naar Leiden. Eneco levert reeds in verschillende gemeenten stadsverwarming en heeft in noord-Rotterdam een warmteleiding aangelegd voor het gebruik van restwarmte uit de haven.[7]

In het verlengde van de Green Deal Duurzame Warmte Zuid-Holland werd in oktober 2013 het Programmabureau Warmte en Koude Zuid-Holland opgericht. In dit bureau werken 25 publieke en private partijen samen aan het realiseren van een duurzame warmtevoorziening in de zuidelijke Randstad. Een te vormen 'warmterotonde', een warmtetransportsysteem dat grote delen van de provincie met elkaar verbindt, is daarbij een belangrijk onderdeel. Voor het westelijke deel van deze rotonde ('Cluster West') werd in 2015 een verkennend onderzoek uitgevoerd, waarin ook de Leiding door het Midden werd onderzocht.[8] In navolging op deze verkenning hebben de initiatiefnemers van dit plan, Eneco, afvalverwerker AVR en de gemeenten Den Haag en Delft, een haalbaarheidsonderzoek laten uitvoeren in 2016, waarna men de plannen verder is gaan uitwerken.[1]

Eneco levert tot en met in ieder geval 2022 warmte uit een lokale energiecentrale aan ongeveer 30.000 huishoudens en bedrijven in Den Haag en omgeving.[9]. Om deze stadsverwarming verder te kunnen uitbreiden, wil Eneco meer warmteproducenten aansluiten. De gemeente Den Haag en betrokken omliggende gemeenten streven zelf ook naar uitbreiding van het aantal woningen en bedrijven dat gebruik maakt van stadswarmte, zodat het aardgasverbruik verminderd kan worden. Dit geldt tevens voor glastuinbouwgebieden in het Westland. Het is de bedoeling dat de Leiding door het Midden hier aan bij zal dragen, wel stelt het college van Den Haag eisen aan onder meer voorrang voor duurzame warmtebronnen, open toegang voor meerdere warmteleveranciers en eerlijke tarieven.[4]

Op 9 september 2019 maakt minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat bekend dat Gasunie, een staatsbedrijf, de opdracht heeft gekregen om de ontwikkeling en het beheer van de Leiding door het Midden over te nemen van Eneco. Eneco wordt gebruiker van een deel van de transportcapaciteit. De Leiding door het Midden wordt een gereguleerd warmtetransportnet waarop verschillende aanbieders en vragers kunnen aansluiten, waarbij Gasunie als onafhankelijk warmtetransportbeheerder fungeert. In de Warmtewet 2.0, geplande inwerkingtreding in 2022, wordt dit verder uitgewerkt. Voor de ontwikkeling van het transportnet trekt het Rijk tussen 2019 en 2030 €90 miljoen uit.[2]

Kritiek[bewerken | brontekst bewerken]

Enkele partijen in de Haagse gemeenteraad (Haagse Stadspartij, Partij voor de Dieren, PvdA en ChristenUnie/SGP) hebben in 2019 hun zorgen geuit over de plannen voor WarmtelinQ.[10][11] Hierbij wordt verwezen naar het problematische verloop van de ontwikkeling van een vergelijkbare warmteleiding, de Leiding over Oost. Door problemen met vergunningsaanvragen en de financiering werd dit project in 2019 met enkele jaren uitgesteld, waardoor de warmtevoorziening in Leiden in gevaar dreigde te komen en de gemeente Rotterdam en Provincie Zuid-Holland financiële schade leden.[7][12] Er is bovendien vanuit de Rotterdamse gemeenteraad kritiek geuit op de gebrekkige transparantie rondom de totstandkoming van het project, waarbij de gemeente aansprakelijk is geworden voor de warmtelevering in Leiden. In Den Haag wil men een dergelijk scenario voorkomen.[10]

Naast deze bezwaren heeft men twijfels over de duurzaamheidswinst die wordt behaald met restwarmte uit de haven van Rotterdam, waar 20% van de CO2-emissies in Nederland wordt uitgestoten, tezamen met andere vervuilende stoffen waaronderstikstofdioxide. Men vreest dat de daar aanwezige industrie juist langer kan blijven bestaan wegens de afhankelijkheid van die warmte. Ook wil men voorkomen dat de ontwikkeling van duurzame lokale warmte wordt belemmerd. Bovendien zou volgens de planning de Warmterotonde, waar de Leiding door het Midden deel van uitmaakt, nog tot tenminste 2035 gebruikmaken van restwarmte uit fossiele industrie, terwijl Den Haag al in 2030 klimaatneutraal wil zijn.[10]

De verdere ontwikkeling van WarmtelinQ kan daarnaast gevolgen hebben voor de Leiding over Oost. De Leiding over Oost rekende namelijk op een bijdrage uit het Warmteparticipatiefonds, een fonds opgezet door de Provincie Zuid-Holland ter ontwikkeling van duurzame warmteprojecten in de provincie. Ook WarmtelinQ kan aanspraak maken op dit fonds. Bovendien zou men uiteindelijk WarmtelinQ ook kunnen doortrekken tot aan Leiden, waarmee het een directe concurrent zou kunnen worden van de Leiding over Oost. De Rotterdamse gemeenteraad heeft daarom in september 2019 na de bekendmaking van de overname van de Leiding door het Midden door Gasunie en de financiële steun vanuit het Rijk, om opheldering gevraagd.[13] Hoewel de gemeente Rotterdam hoopt ook aanspraak te maken op steun vanuit het Rijk, is dit volgens bronnen van het NRC Handelsblad onwaarschijnlijk. De nadelige contracten en algehele situatie bij de Leiding over Oost zorgen voor een dusdanig onaantrekkelijke businesscase, dat bijvoorbeeld een vergelijkbare overname door Gasunie niet reëel lijkt.[14]