Longvissen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Longvissen
Australische longvis (Neoceratodus forsteri)
Australische longvis (Neoceratodus forsteri)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Sarcopterygii (Kwastvinnigen)
Onderklasse
Dipnoi
Müller, 1884
Longvissen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Longvissen (Dipnoi) zijn onder de vissen waarschijnlijk het nauwst verwant aan de viervoeters zoals kikkers, krokodillen en apen. Zij worden ingedeeld bij de kwastvinnigen (Sarcopterygii). Dipnoi verschenen voor het eerst in het vroege Devoon. Zoals hun naam al aangeeft bezitten zij - naast kieuwen - een of twee longen en zijn zij in staat om door ademhaling zuurstof uit de lucht op te nemen zoals landdieren dat ook doen. De ledematen lijken ook meer op poten dan op vinnen en zij kunnen goed uit de voeten in een modderige omgeving. Zij leven in beperkte rivier- en moerasgebieden in Zuid-Amerika, Afrika en Australië. Ook wanneer hun omgeving uitdroogt kunnen zij een periode van droogte soms goed overleven. Er zijn zes soorten bekend, vier in Afrika, een in Zuid-Amerika en een in Australië. Ze bezitten allemaal een langgerekt lichaam, vier ledematen en een enkele staartvin.

Ademen[bewerken]

De Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse soorten leven in tropische gebieden, die gevoelig zijn voor droogte. Als het waterpeil sterk daalt of de waterstroom stagneert, schakelen de vissen over van de gebruikelijke kieuwademhaling op het happen van lucht aan het wateroppervlak. De lucht wordt opgezogen door de uitwendige neusgaten, die ter weerszijden van de bek zitten. Via de inwendige neusgaten in het monddak komt de lucht terecht in de twee longen (bij de Australische longvis slechts één), die verbonden zijn met de keelholte. Fossiele longvissen hadden eveneens inwendige neusgaten en ook zij konden in tijden van nood dus lucht ademen. Fossiele longvissen konden, net als sommige moderne verwanten, de droge perioden buiten het water overleven, door zich in te graven in de modder.[1]

Taxonomie[bewerken]

De taxonomie van longvissen heeft voor problemen gezorgd omdat zij zowel kenmerken gemeen hebben met in het water levende vissen als met de in het algemeen op het land levende viervoeters.

Ze worden afwisselend ingedeeld in een enkele orde, Dipnoi of Dipneustii, of in twee ordes, Lepidosireniformes (gekenmerkt door draadvormige ledematen en een paar longen) en Ceratodontiformes (gekenmerkt door brede vinnen en een enkele long). Met de tweede indeling omvatten de longvissen de volgende soorten:

Geschiedenis[bewerken]

De longvissen worden gezien als een groep 'primitieve' vissen. De oudste fossielen van longvissen stammen uit het Devoon, waar zij met de placodermen en beenvissen de grootste groep vissen vertegenwoordigde.

Bij de uitstervingsgolf aan het begin van het Perm verdwenen de meeste vormen. Heden is de Australische longvis de laatste vertegenwoordiger van deze groep.

Zomerslaap[bewerken]

De longvis houdt in plaats van een winterslaap een zomerslaap. Er zijn nog andere diersoorten die dit gedrag vertonen, zoals het vogelbekdier en een grondeekhoorn.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. D. Palmer, B. Cox, B. Gardiner, C. Harrison & J.R.G. Savage (2000) - De geïllustreerde encyclopedie van dinosauriërs en prehistorische dieren, Köneman, Keulen. ISBN 3 8290 6747 X