Oostendse Compagnie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oostendse Compagnie
19 december 1722 Oprichting
1 september 1723 Begin intekenen op de aandelen
6 oktober 1723 Eerste zitting van het directiecomité
10 februari 1724 De eerste 4 schepen vertrekken vanuit Oostende, 2 naar China, 1 naar Bengalen en 1 naar Mokka
31 mei 1727 Octrooi voorlopig geschorst
16 maart 1731 Octrooi definitief geschorst op het Verdrag van Wenen
Oprichtingskapitaal 6.000.000 gulden
Maatschappelijke zetel Antwerpen
Bestemmingen Bengalen, China, Mokka
Kaart van Banquibazar en de andere Europese factorijen in West-Bengalen (1726)
Aandeel van de Oostendse Compagnie van 2 september 1723

De Oostendse Compagnie is de gebruikelijke benaming voor de Generale Keizerlijke Indische Compagnie (of Compagnie Générale Impériale et Royale des Indes), een handelsonderneming die werd gesticht op 19 december 1722 in de Zuidelijke Nederlanden, die toen in bezit waren van het Habsburgse Oostenrijk. De Oostendse Compagnie werd opgericht als concurrent van de Vereenigde Oostindische Compagnie uit de Noordelijke Nederlanden.

Voorgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De Vrede van Münster, die in 1648 een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, bevatte een verbod voor Spaanse onderdanen om hun overzeese handel met Oost-Indië uit te breiden, wat dus ook de Spaanse Nederlanden trof.[1] Toen de Vredes van Utrecht en van Rastatt de soevereiniteit over het gebied in 1713-1714 overdroegen van de Spaanse naar de Oostenrijkse Habsburgers, voelden de Zuid-Nederlanders zich niet meer gebonden door deze beperking.[2] Aangezien de Schelde gesloten was voor rechtstreekse vaart, was Oostende de meest geschikte haven voor overzeese handel. Van daaruit stuurde Thomas Ray de Sint-Mattheus naar Surat, met groot commercieel succes. De Nederlanders wilden deze concurrentie te allen prijze verhinderen en kaapten in 1717 twee schepen voor de Guineekust. Het antwoord van de Oostendenaren was het kapen van de Commany. De West-Indische Compagnie drong aan op oorlog, maar vond door geopolitieke verschuivingen geen gehoor.

Mee dankzij de kwistige vergunningen van de markies van Prié, die gevoelig bleek voor steekpenningen, bloeide de privévaart vanuit Oostende.[3] In de haven was ook een groep voornamelijk Franse handelaren actief, die wilde handelen in Afrikaanse slaven door als ruilmiddel textiel uit Bengalen aan te voeren. Omdat de nawab van Bengalen alleen licenties toekende aan geoctrooieerde handelscompagnieën, drongen zij aan op een initiatief in die zin.[3] Diverse binnenlandse ondernemers, die thee verscheepten uit China, zagen in een compagnie het middel om een rem te zetten op de groei van de trafiek, die de prijzen begon te drukken. Hoewel ze geen dure factorij wensten zoals de eerste groep, was er voldoende gemeenschappelijk belang om elkaar te vinden. Toen de markies van Prié aan invloed verloor ten gunste van Eugenius van Savoye en Patrick MacNeny, begon ook in Wenen het tij te keren. In 1721 kende de keizer het octrooi toe.

Werking[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens het octrooi kreeg de compagnie zeven directeurs: drie uit Antwerpen, drie uit Gent en één uit Oostende. De zetel van de Compagnie was gevestigd in de Antwerpse Beurs. De veilingen van de aangevoerde goederen werden te Oostende en Brugge gehouden. De vergaderingen van de directeuren moesten de eerste drie jaar worden gehouden te Antwerpen, de volgende jaren te Brugge of te Gent. Het kapitaal van de Compagnie was vastgesteld op 6 miljoen gulden, te verdelen over 6000 aandelen van ieder 1000 gulden. Op 1 september 1723 werd gestart met de intekening op de aandelen, die in anderhalve dag opgenomen werden door zakenlieden, edellieden en regeringsambtenaren. Twee derde van de inschrijvingen was afkomstig uit Antwerpen, al waren er ongetwijfeld stromannen die voor rijkere heren intekenden.[4]

Aangezien de compagnie zeer succesvol was, werden de aandelen slechts voor 75% volgestort en bedroeg het bedrijfskapitaal 4.500.000 gulden. De eerste zitting van de directie had plaats te Antwerpen op 6 oktober 1723. De eerste vier schepen van de Compagnie voeren van Oostende uit op 10 februari 1724; twee waren bestemd voor China, een voor Bengalen en een voor Mokka. Weldra werden ook factorijen opgericht in Banquibazar en in Bhourompour.

De handelsactiviteiten richtten zich op twee gebieden: China en Bengalen, waarbij de Chinahandel de belangrijkste was. De Oostendse Compagnie was de eerste van het West-Europese vasteland die zich volledig toelegde op de handel met Kanton. De lading van de heenreis van de compagnieschepen bestond meestal uit zilverpiasters en lood als scheepsballast. De retourladingen bestonden uit zwarte Boelthee, zijden stoffen uit Nanking, porselein en chinoiserieën.

De concurrentie met de VOC[bewerken | brontekst bewerken]

Met betrekking tot de theehandel heeft de Oostendse Compagnie de VOC ver achter zich gelaten. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept, waarbij bovendien door slechtere verpakkingen en extra overladen de kwaliteit nog verder werd geschaad. De aanvoer van thee te Oostende was dan ook zeer belangrijk: tussen 1725-28 werd te Oostende 58% van de aanvoer van thee in West-Europa geveild. De VOC kwam nooit verder dan een marktaandeel van 13%. Anderzijds richtte de VOC zich op de specerijenhandel en had bijna een monopolie op heel Oost-Azië, met name op Japan, China, Vietnam, Thailand, Cambodja, de Molukken, Ceylon, India en Formosa, het huidige Taiwan. De gemiddelde winstmarge van de Chinahandel van de Oostendse Compagnie bedroeg 158%, wat aanmerkelijk beter was dan de rendementen die door buitenlandse compagnieën werden gerealiseerd.

De grote winsten die de Oostendse Compagnie maakte, lokten hevig verzet uit van de regering in Amsterdam en van de Verenigde Oostindische Compagnie, maar ook van de Engelsen. De scheepvaart vanuit Oostende 'omzeilde' nl. een van de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Munster (1648) en van het barrièreverdrag, namelijk het lamleggen van de Vlaamse overzeese handel en zeevaart.[bron?] Als gevolg van een verdrag voor bijstand en handel afgesloten tussen Spanje en Oostenrijk, (1725) voelden zowel Engeland als Pruisen en Frankrijk zich bedreigd en sloten deze staten het Verdrag van Herrenhausen. De Republiek trad pas in 1727 toe op voorwaarde dat de alliantie zou helpen om de activiteiten van de Oostendse Compagnie te doen beëindigen.

Vele plagerijen en gewelddadige incidenten hebben zich tussen de beide concurrenten voorgedaan. Zo sneuvelde o.a. Jacques André Cobbé, de eerste Oostendse gouverneur van de factorijen in Cabelon (1719) en Bengalen (1720) bij de verdediging van de laatste factorij in 1724. Teneinde het aanwerven van bemanningen in de Republiek te beletten - de Vlamingen en Brabanders konden namelijk voor hun Indische vaart de hulp van Hollandse en Engelse matrozen niet ontberen - vernieuwde de Staten-Generaal in 1717 het vanouds geldende, verbod, dat geen onderdanen van de Republiek in vreemde dienst op Oost-Indië mochten varen. Overtreders die hier of in Indië aan boord van vreemde Oost-Indiëvaarders aangetroffen werden, zouden dit met de dood moeten bekopen. Het verhandelen van goederen, of het ontvangen van commissies op Oostendse goederen werd beboet met verbeurdverklaring, 1000 gulden boete en gevangenisstraf.

Toen bleek dat ondanks deze verordening vele Noord-Nederlanders dienst namen in de Oostendse Compagnie, kondigde de Staten-Generaal in 1723 een nieuw plakkaat af en voegden 'openbare geeseling' hieraan toe. Tevens werd het Nederlanders verboden in commissie schepen voor de Oostendenaren te huren, aan te kopen of uit te rusten, op straffe dat de schepen met inhoud ten bate van de VOC zouden worden verbeurd verklaard en dat een boete ter hoogte van vier maal de waarde van het geconfisqueerde schip werd geheven. Het bezitten van aandelen in de Oostendse Compagnie werd eveneens bestraft met verbeurdverklaring en boete ter grootte van het viervoud van de inleg. Uiteindelijk is een van de conclusies dat de VOC de machtigste en een van de grootste handelsorganisaties ter wereld is geweest en uitstekend kon concurreren met de Britse Oost-Indische Compagnie (de tweede economische supermacht) en de Oostendse Compagnie ver achter zich heeft gelaten.

Tijdens de schorsing van de Oostendse Compagnie werden verschillende voorstellen gedaan om het kapitaal toch te laten renderen tijdens de schorsing. Zo stelde directeur Proli voor het kapitaal te transfereren naar de Compagnie van Triëste of aan de Adriatische Zee een nieuwe handelsorganisatie op te starten. Beide plannen werden om verschillende redenen echter begraven. Zo was er geen gekwalificeerd personeel aanwezig in Triëste en was de Middellandse Zee onveilig.

Keizer Karel VI hoopte dat de compagnie zich gedurende de schorsing ging toeleggen op de handel in Europa. De directeurs deelden deze mening echter niet want ze zagen geen enkel tak van de economie capabel om dezelfde winsten te behalen. De directeurs stelden voor om een Jointe secrète op te richten. Het doel van deze geheime organisatie was de compagnie te laten voortbestaan, maar onder de naam van particulieren. De keizer zou zorgen voor de nodige paspoorten en op die manier werd het schorsingsverdrag ontdoken. In maart 1728 werd de Jointe secrète samengesteld. Na de schorsing dwongen de omstandigheden de Compagnie dus tot een soort dispositiehandel: zij expedieerde in het geheim schepen vanuit vreemde havens. Deze Jointe secrète organiseerde dus smokkelvaarten onder vreemde vlaggen vanuit Cádiz, zonder dat de grote zeemogendheden er weet van hadden. De rest van het kapitaal werd geïnvesteerd in de Deense Compagnie, als vorm van belegging.

Einde[bewerken | brontekst bewerken]

Onder buitenlandse druk werd het octrooi van de Oostendse Compagnie in 1727 voor zeven jaar opgeschort en in 1732 definitief ingetrokken.[5] Daarmee gaf keizer Karel VI toe aan de eis van de Nederlanders en de Engelsen, in ruil voor hun erkenning dat zijn dochters hem konden opvolgen in de Habsburgse gebieden (krachtens de Pragmatieke Sanctie van 1713 zou Maria Theresia hem effectief opvolgen, maar niet zonder de Oostenrijkse Successieoorlog te moeten uitvechten). De weg naar het opgeven van de Oostendse Compagnie begon met een maatregel die nochtans gunstig was voor haar: in 1725 verzoende keizer Karel VI zich in het Verdrag van Wenen met Spanje, waardoor de Oostendse Compagnie toegang kreeg tot handelswaar in het Spaanse koloniale rijk. Als reactie op dit nieuwe bondgenootschap verenigden de Engelsen zich nog datzelfde jaar met de Fransen en de Pruisen, in 1726 gevolgd door de Nederlanders. Zonder de erkenning van deze Alliantie van Hannover zou de Pragmatieke Sanctie waardeloos zijn.

Groot-Brittannië en de Nederlandse Republiek gebruikten hun onderhandelingsmacht om de opheffing van de Oostendse Compagnie af te dwingen. Op 31 mei 1727 stond Karel VI door het Preliminair verdrag van Parijs een zevenjarige opschorting toe, en de definitieve intrekking volgde op 16 maart 1731 in het Verdrag van Wenen. De terugstorting van het kapitaal was in 1737 grotendeels voltooid. De eindafrekening leverde 7.500.000 gulden zuivere winst op of 166% van het beginkapitaal. De personen achter de Oostendse Compagnie gebruikten de havens van Cádiz, Danzig en Hamburg om privévaarten naar de Oost te blijven ondernemen, maar in 1739 kwam ook daar een einde aan.

Slavenhandel[bewerken | brontekst bewerken]

De Oostendse Compagnie deed niet aan slavenhandel, hoewel ze de mogelijkheden daartoe actief heeft verkend. Uit brieven van de directeurs van de Oostendse Compagnie Jacomo de Pret en Jean Baptiste Soenens en van investeerder Paulo Jacomo Cloots blijkt dat de top van de Oostendse Compagnie huiverig stond tegenover de slavenhandel, zeker in de beginfase.[6] Voorts is het veelbetekenend dat bij drie expedities naar Ghana en Ivoorkust in 1718 en 1719 de aanmonstering voor maximaal één jaar gebeurde, een indicatie dat de Oostendse reders hun schepen niet uitrustten voor de driehoeksvaart: de slavenreizen duurden immers 18 maanden. De instructies waren heel duidelijk om enkel goud, ivoor, hars aan te kopen. De directie van de Oostendse Compagnie reageerde in 1726 ook afwijzend op het voorstel van supercargo Andreas Lanszweert om in Port Dauphin op Madagascar een bevoorradingsstation én slavendepot te bouwen.[7] Niettemin stuurde de Compagnie in 1728 twee schepen naar het eiland Fernando de Noronha om de mogelijkheden van slaventrafiek te onderzoeken.[8] Het eiland werd geschikt bevonden om suikerrietplantages aan te leggen die door vier- à zeshonderd slaven zouden worden bewerkt, maar door het voortijdige einde van de Compagnie kregen de plannen geen uitvoering.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]