Participatiesamenleving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De term participatiesamenleving betekent , dat de overheid voortaan uitgaat van de eigen kracht en zelfredzaamheid van een ieder. Ziek of gezond, weerbaar of kwetsbaar, oude of nieuwe Nederlander, alle burgers hebben naast rechten op zorg en andere voorzieningen, ook de plicht om voor zichzelf en hun omgeving op te komen. De huidige verzorgingsstaat dreigt door de voortdurend stijgende zorgkosten onbetaalbaar te worden. De discussie over de participatiesamenleving is ook verdelingsvraagstuk: wat is de rol van de overheid, de markt en de burger.

Oorsprong en betekenis[bewerken]

"De klassieke verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving. Wanneer mensen zelf vorm geven aan hun toekomst, voegen zij niet alleen waarde toe aan hun eigen leven, maar ook aan de samenleving als geheel." Dit zei koning Willem-Alexander in zijn eerste troonrede. Het werden historische woorden: grootscheeps opgepikt door de media, hét woord van het jaar 2013. [1]

Begin jaren negentig nam vicepremier en minister van Financiën Wim Kok voor het eerst het woord participatiesamenleving in de mond. De PvdA-voorman stuitte in zijn pogingen om de kosten van de WAO terug te dringen op zulk hevig verzet, dat gevreesd moest worden voor zijn positie als partijleider. Toch hield Kok vol dat de verzorgingsstaat niet in volle omvang viel te handhaven. Op een partijcongres in 1991 hield Kok zijn geestverwanten voor dat de saamhorigheid opnieuw georganiseerd moest worden. Letterlijk zei hij: "Wij zitten nu in een overgangsfase: van een verzorgingsstaat naar een werkzame, naar een participatiesamenleving". [2]

Het begrip participatiesamenleving biedt voldoende ruimte om het naar eigen politieke kleur in te vullen en deze term wordt van links tot rechts omarmd. De participatiesamenleving zou de vrijheid van burgers bevorderen (rechts), het maatschappelijk middenveld versterken en mensen meer naar elkaar doen omzien (midden) en burgers zouden geprikkeld worden om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de noden om hen heen (links).

Het hele politieke spectrum onderschrijft de noodzaak tot verandering, omdat de verzorgingsstaat uiteindelijk onbetaalbaar wordt en ten koste gaat van andere belangrijke zaken als goed onderwijs en veiligheid. Bovendien leidt de ideale participatiesamenleving tot actieve burgers die vanzelfsprekend en naar vermogen bijdragen aan de samenleving.

Voordelen[bewerken]

In tijden van bezuinigingen is de participatiesamenleving goedkoper dan de verzorgingsstaat. De zorguitgaven zijn sinds 1972 onafgebroken gestegen en bedragen nu 13 percent van het Bruto Binnenlands Product. In 2013 bedroegen de totale zorgkosten in Nederland 94 miljard euro. Dat is 15 procent van wat burgers en bedrijven in Nederland samen verdienen; het CPB berekende dat dit in 2040 kan stijgen tot 31 procent. Die stijging wordt voor een deel veroorzaakt door de vergrijzing, want ouderen vragen meer zorg. Maar dat is niet hele verklaring. In iedere levensfase neemt de zorgconsumptie toe, door betere en duurdere zorg. [3]

Een tweede voordeel is dat in de ideale participatiesamenleving iedereen meedoet. Iedere burger gebruikt zijn of haar eigen kracht of talent en doet naar vermogen mee aan de samenleving. Wie een lichamelijke of verstandelijke beperking heeft, ontvangt niet meer automatisch en levenslang een uitkering maar blijft– met de nodige aanpassingen – actief. Om de verzorgingsstaat in stand te houden zijn de afgelopen jaren de controle en regelgeving al aangescherpt om misbruik tegen te gaan. De tijd, waarin de mensen het recht leken te hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en andere voorzieningen, lijkt voorbij. [4]

Kritiek[bewerken]

Meteen na de troonrede ontstond op internet en in de media discussie over het begrip participatiesamenleving. Er werd bijvoorbeeld gesteld dat het begrip eigenlijk betekent:zoek het zelf maar uit.[5] Ook werd geopperd dat het een verhullende term is voor verschraling van de voorzieningen en herintroductie van de klassenmaatschappij.[6]

Uitgaan van eigen kracht, zoveel mogelijk zelf doen en meedoen naar vermogen lijken positieve uitgangspunten. Maar sommige kwetsbare mensen hebben helemaal geen familie of ondersteunend netwerk. Bovendien wijzen voorvechters van emancipatie op het gevaar van overbelasting voor vrouwen die vaak al veel zorgtaken vervullen.

Tegenstanders van de participatiesamenleving stellen dat mensen het recht op zorg wordt ontnomen. Wie in de verzorgingsstaat dankzij dat recht onafhankelijk en zelfstandig door het leven kon gaan, moet nu weer terugvallen op familie en vrienden, vrijwilligers en liefdadigheid. Dat is geen prettig vooruitzicht voor ouderen of mensen met een beperking die zich volwaardig burger voelden.

Actief burgerschap[bewerken]

Evelien Tonkens, oud-hoogleraar Actief burgerschap, maakt een onderscheid tussen twee typen burgerschap: de passieve burger, die zijn rechten opeist en zich als passieve ontvanger en claimende consument opstelt. De actieve burger accepteert allerlei nieuwe plichten en verantwoordelijkheden, al zijn ze vaak zonder bijkomende rechten en voorzieningen. [7]

Met actief burgerschap hoopte Tonkens ook splijtende verschillen te overbruggen: bijvoorbeeld tussen gezond en ziek, tussen weerbaar en kwetsbaar of tussen oude en nieuwe Nederlanders. Maar in de praktijk blijkt toch dat actief burgerschap vooral een zaak is van hoger opgeleide stedelingen en van inwoners van hechte kleine dorpen. Dit komt consistent naar voren uit onderzoek. Een beperkte groep mensen, ongeveer een derde van de bevolking, doet bijna alles als het over actief burgerschap gaat. [8]

Rol overheid[bewerken]

Wie zorgt voor kinderen, een dementerende schoonmoeder en een eenzame buurman, de buurtbarbecue organiseert, de bibliotheek open en het park groen houdt, mag minder regelgeving van de overheid terugverwachten. Een overheid die minder regels stelt en zich faciliterend opstelt, zal voor veel burgers een randvoorwaarde zijn om actief te worden.

Wat burgers vinden dat hun rechten en plichten zijn en wat ze vinden dat ze van andere burgers en instituties mogen verwachten, is niet alleen afhankelijk van kosten-baten analyses, maar, zo zegt Tonkens, van moreel geladen emoties, die vaak draaien om erkenning en miskenning. Mag je je buitengesloten en miskend voelen als je in de bijstand zit, of moet je dat zien als je eigen verantwoordelijkheid en dus je eigen schuld? Mag je boos worden als je rechten worden ontnomen, of moet je dat zien als een onvermijdelijkheid?

Daarmee kent de participatiesamenleving een democratisch tekort, zo blijkt ook uit onderzoek naar onvrede in probleemwijken. Veel mensen voelen zich verlaten en niet gehoord. Het democratisch tekort wordt versterkt door de vermarkting en schaalvergroting van de publieke sector van de afgelopen decennia.

Zo blijkt dat de herziening van de verzorgingsstaat gepaard gaat met intensivering van schaamte en daardoor machteloosheid.

De participatiesamenleving is, volgens de voorstanders, niet het tegendeel van de verzorgingsstaat, maar een verbeterde versie ervan. "Dat dwingen wij niet af, dat willen mensen zelf," zegt premier Rutte, "wij sluiten slechts aan bij een beweging die gaande is." [9]

Zie ook[bewerken]