Maatschappelijk middenveld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Maatschappelijk middenveld is het geheel van particuliere organisaties in de samenleving die verschillende groepen, meningen en belangen vertegenwoordigen. Zij vervullen een brugfunctie tussen individuele burgers en de overheid. De Wereldbank geeft de volgende definitie [1] van het maatschappelijk middenveld: het betreft hier een breed arsenaal van niet-gouvernementele en non-profitorganisaties die actief zijn in het openbare leven. Zij staan voor de belangen en waarden van hun leden of anderen en baseren zich op ethische, culturele, politieke, wetenschappelijke, religieuze of filantropische overwegingen.

Kenmerkend voor het maatschappelijk middenveld is dat het geen winstoogmerk heeft. Het maatschappelijk middenveld ontvangt vaak financiële middelen van de overheid. In ruil hiervoor nemen deze organisaties bepaalde normen en spelregels in acht.Tot het maatschappelijke middenveld kunnen onder andere kerken, vakbonden, milieubeweging, sociale organisaties, productschappen, werkgeversverenigingen, en pressiegroepen gerekend worden. Deze organisaties versterken de sociale cohesie en nemen deel in het proces rond de vorming van beleid, maar legitimeren het beleid ook naar hun achterban wanneer het van kracht is.

De term wordt ook gebruikt bij internationale samenwerking. Zo proberen Nederlandse ontwikkelingsorganisaties te helpen bij de opbouw van de civil society in Tunesië. Na de Jasmijnrevolutie spelen niet-gouvernementele organisaties een belangrijke rol in de overgang naar democratie.

Geschiedenis[bewerken]

De Normandische socioloog en edelman Alexis de Tocqueville reisde van mei 1831 tot februari 1832 door de Verenigde Staten en Canada en schreef over zijn bevindingen een klassieke politicologische en sociologische studie De la démocratie en Amérique. Het eerste deel daarvan verscheen in 1835 en het boek groeide, nog tijdens Tocquevilles leven, zowel in Frankrijk als in de Verenigde Staten, uit tot een bestseller.

Met zijn Europese achtergrond was Tocqueville zeer bevreesd voor een machtscentralisatie van politieke meerderheden. Amerika beschikte volgens hem over een aantal maatschappelijke tegenkrachten om dit democratische onheil in toom te houden. Hij was getroffen door het enorme aantal verenigingen, dat in Amerika op vele terreinen de maatschappelijke functies vervulde die in de Oude Wereld waren toebedeeld aan de aristocratische klasse of de politieke bureaucratie. Juist in een democratie bestond, volgens Tocqueville, een grote behoefte aan intermediaire instituties en organisaties ,die bemiddelen tussen de individuele burgers en de staat.

Enerzijds verschaffen die de burger een toevluchtsoord, waardoor hij niet onder gaat in de anonieme massa. Anderzijds vormen zij een barrière voor doorgeschoten overheidsbemoeienis en centralisatietendensen, die hij zag als het grote gevaar voor de individuele vrijheid van de burger.Tevens benadrukte Tocqueville de rol die maatschappelijke organisaties spelen als leerschool voor democratisch handelen, als bron van sociaal verantwoordelijkheidsgevoel en een milieu waarin mensen gezamenlijk leren te werken aan de oplossing van collectieve problemen.

Een belangrijke auteur in de actuele discussie is de Amerikaanse politicoloog Robert Putnam. Volgens Putnam dragen maatschappelijke organisaties bij aan de effectiviteit en stabiliteit van het democratisch bestuur. In de eerste plaats hebben zij "interne" effecten op de individuele leden, doordat zij bij hen de bereidheid tot samenwerking, gevoelens van solidariteit en oriëntatie op het algemeen belang bevorderen. Het is door de wisselwerking met anderen dat democratische houdingen en praktijken worden geleerd, het vertrouwen in anderen gevoed en mensen uitgroeien tot competente en mondige burgers.In de tweede plaats dragen maatschappelijke organisaties bij aan de democratie door hun "externe" effecten op de politiek.

Negentiende en twintigste eeuw[bewerken]

Verschuivingen die door Putnam en anderen zijn beschreven lijken hun parallel te hebben in ontwikkelingen binnen de Nederlandse civil society. De sterkste groei in het Nederlandse verenigingsleven deed zich voor in de tweede helft van de negentiende en de eerste decennia van de twintigste eeuw. De Nederlandse socioloog Jolles spreekt met betrekking tot de negentiende eeuw van het vollopen van de ruimte tussen de centrale overheid, die zelf ook geleidelijk aan forse contouren krijgt, en de individuele burger.

De bevolkingstoename, de problemen verbonden met industrialisatie en verstedelijking, de welvaartsstijging en welvaartsspreiding: het zijn alle factoren die hebben bijgedragen aan de grote opbloei van het verenigingsleven destijds. Voor een belangrijk deel kwam deze tot stand via de opkomst van emancipatiebewegingen van onder andere de arbeiders, de vrouwen, de kleine luyden en de katholieken.

Vervolgens lijkt zich op het Nederlandse middenveld in de tweede helft van de vorige eeuw een vergelijkbare ontwikkeling te hebben voorgedaan als in Amerika. Traditionele, grootschalige ledenorganisaties kregen steeds meer concurrentie van enerzijds een veelvoud aan plaatselijk gerichte groepen en anderzijds zogenoemde belangengroeperingen. In de oude organisaties werden lokale initiatieven en gemeenschappen verbonden met het nationale niveau, en doorsneed het profiel van de achterban allerlei klassenverschillen. De belangengroepen worden veelal gekenmerkt door anonieme vormen van betrokkenheid, georganiseerd en gecoördineerd door professionals.

De sociale integratiefunctie van verenigingen wordt sterk naar voren geschoven vanuit de communitarisme, zoals die is te vinden in het werk van auteurs als Walzer (1983) en Sandel (1996). Daarin dienen verenigingen als een schild tegen normvervaging, morele desoriëntatie en sociaal wantrouwen. Via deelname aan het verenigingsleven wordt het gericht zijn op louter eigenbelang doorbroken en worden niet alleen gezamenlijke initiatieven bevorderd, maar ook gevoelens van gemeenschap en verantwoordelijkheid voor de brede samenleving.

Dat ook niet-politieke organisaties van belang zijn voor het democratische gehalte van de samenleving, is een constatering die sinds de dagen van Tocqueville vele malen is gemaakt. Verschil van mening bestaat er waar het gaat om de betekenis die hierbij moet worden toegekend aan "passief lidmaatschap" of "donateurschap." Putnam acht de bijdrage daarvan aan de democratie gering. De heilzame werking van maatschappelijke organisaties is volgens hem afhankelijk van de mate waarin zij gedragen wordt door persoonlijke contacten tussen de aangeslotenen; bij een sportclub zijn die frequent, maar bij de donateurs van Greenpeace geheel en al afwezig.

Na de oorlog[bewerken]

In Nederland zijn ontwikkelingen op het naoorlogse maatschappelijke middenveld vaak beschreven vanuit het perspectief van de individualisering. Een kernelement hiervan is dat traditionele maatschappelijke verbanden (dorp, buurt, klasse, kerk, gezin) veel van hun dwingende karakter hebben verloren en dat de ruimte aanzienlijk is gegroeid om het leven naar eigen inzicht en behoefte in te richten.

Mensen nemen steeds meer zichzelf als uitgangspunt van denken en handelen, en hun eigen leven als basis voor sociale betrekkingen. Dit verdraagt zich slecht met negentiende-eeuwse ideeën over organisatievorming. Veel van de huidige organisaties op het middenveld stammen nog uit de wereld, waarin de organisatie of de groep op de eerste plaats komt en de persoon pas daarna.

Men was allereerst gereformeerd of katholiek, vervolgens ook nog Nederlander. Een fijn vertakt netwerk van verzuilde organisaties begrensde de horizon. Media en opiniemakers uit de eigen stal leverden de oren en ogen waarmee de omringende samenleving werd waargenomen en men was altijd deel van een groter geheel. De organisatiestructuur was hiërarchisch en bureaucratisch. Het was een piramide, met aan de basis een brede vertakking in allerlei lokale afdelingen.

Het middenveld in Vlaanderen[bewerken]

Belangrijke middenveldorganisaties in Vlaanderen zijn o.a. de vakbonden en mutualiteiten. Maar ook andere verenigingen worden er toe gerekend. Prominente voorbeelden zijn: 11.11.11, Bond Beter Leefmilieu, Natuurpunt, het ACW, Forum voor Amateurkunsten, Gezinsbond, Vlaamse Jeugdraad, Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen, Vlaamse Sportfederatie en het Minderhedenforum. Een netwerk van verenigingen die de krachten willen bundelen is "De verenigde verenigingen". Ook actiecomités zoals Ademloos uit Antwerpen behoren tot het maatschappelijk middenveld. Een buurtinformatienetwerk, dat toeziet op de veiligheid in een wijk en de preventie van inbraken is een ander voorbeeld van het middenveld.

In de jaren negentig werd het verzuild verenigingsleven vaak verguisd, omdat het te politiek gekleurd zou zijn of te veel invloed op de besluitvorming van de overheid zou hebben. Het Eerste Burgermanifest van Guy Verhofstadt vormde een frontale aanval op het middenveld. Nu heeft men meer aandacht voor de positieve rol van het verenigingsleven en beseft men dat verenigingen de burger een kans op emancipatie geven.

Trends in Nederland[bewerken]

Het Sociaal Cultureel Planbureau bracht in 2005 een rapport[2] uit over het maatschappelijk middenveld in Nederland. Het bureau hanteerde een brede definitie. Niet alleen grote maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol. Te denken valt onder andere ook aan kleinere organisaties, het lokale verenigingsleven (bijv. een oranjevereniging of wijkvereniging), incidentele initiatieven (zoals een straatfeest of actie voor een geluidswal), sociale netwerken of bewegingen met een lage organisatiegraad.

Verder constateert het SCP dat het percentage Nederlanders dat bij geen enkele maatschappelijke organisatie is aangesloten, in de loop van het vorige decennium toenam. De teruggang valt zowel bij ideële als bij recreatieve organisaties waar te nemen en manifesteert zich inmiddels ook bij belangenorganisaties. Het rapport toont ook aan dat autochtonen aanzienlijk vaker zijn aangesloten bij maatschappelijke organisaties dan de leden van minderheidsgroepen. Grote uitzondering is de organisatiegraad op godsdienstige basis. Deze is veel groter onder vooral Turken en Marokkanen, Surinamers en Antillianen.

De geringere wervingskracht van traditionele organisaties als de politieke partijen en de kerken vloeit niet voort uit een afgenomen belangstelling voor de thema’s waarop zij zich primair richten. Hun afgenomen aantrekkelijkheid heeft waarschijnlijk eerder te maken met kenmerken van hun organisatiestructuur en met de beschikbaarheid van een steeds breder scala aan alternatieve mogelijkheden voor burgers om vorm te geven aan hun interesses en affiniteiten. Het SCP beschrijft deze tendens als volgt: In het hedendaagse Nederland kunnen ze zich oriënteren op een rijke schakering aan media, vormen van spiritualiteit en politieke participatiewijzen. Het complement hiervan is dat de binding met organisaties steeds vaker de trekken vertoont van een tijdelijk verband; de organisaties zelf lijken steeds vaker een soort participatie-uitzendbureaus.