Pellaea

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pellaea
Pellaea andromedifolia
Pellaea andromedifolia
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Clade: Tracheophyta
Clade: Euphyllophyta
Clade: Monilophyta
Klasse: Polypodiopsida
Orde: Polypodiales
Familie: Pteridaceae (Lintvarenfamilie)
Onderfamilie: Cheilanthoideae
Geslacht
Pellaea
Link (1841)
Typesoort
Pellaea atropurpurea (L.) Link (1841)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Pellaea is een geslacht met bijna 70 soorten varens uit de lintvarenfamilie (Pteridaceae).

Pellaea-soorten zijn te vinden in tropische en subtropische streken van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, Centraal- en Zuid-Afrika, Zuidoost-Azië en Oceanië. Het zijn overwegend lithofytische planten, die groeien in ravijnen, kliffen en rotshellingen. Eén soort, Pellaea calomelanos, komt ook voor in het Spanje en op de Azoren.

Naamgeving en etymologie[bewerken]

  • Synoniem: Bakeriopteris O. Ktze. (1891), Cincinalis Desvaux (1811), Crypteris Nuttall (1858), Holcochlaena Baker (1867), Holodanaea Presl (1845), Hymenoloma Davenport (1896), Ormopteris J. Smith (1875), Pellaeopsis J. Smith (1875), Platyloma J. Smith (1841), Pteridella Mett. ex Kuhn (1879), Synochlamys Fée (1857), Mildella Trevis. (1876)
  • Engels: Cliff Brakes

De botanische naam Pellaea is afgeleid van het Oud-Griekse πελλος (pellos), donker, naar de donkere, grijsgroene bladen.

Kenmerken[bewerken]

Pellaea-soorten zijn litofytische varens met een kruipende, meestal vertakte rizoom bezet met lijnvormige tot lancetvormige, bruine of tweekleurige schubben. De bladen staan verspreid of in bundels en zijn van enkele cm tot 100 cm lang. De bladsteel is bruin, zwart, geel of grijs, rolrond, afgeplat of met een enkele groef, glad of behaard, met enkele schubben aan de basis, met een enkele vaatbundel. De bladen zijn eenvormig of vaag dimorf, lijnvormig tot ovaal of driehoekig, één- tot viermaal geveerd, lederachtig, aan de bovenzijde glad en matgroen gekleurd, aan de onderzijde glad of fijn behaard. De bladslipjes zijn meestal gesteeld, ovaal tot lijnvormig, meestal breder dan 4 mm, met een ronde of hartvormige basis, de randen over de hele lengte naar beneden omgekruld.

De sporenhoopjes staan langs de rand van de blaadjes aan de uiteinden van de nerven en worden beschermd door de over de ganse lengte omgekrulde bladranden, zogenaamde pseudo-indusia, die wit of groen gekleurd, smal en weinig uitgesproken zijn. Er zijn geen echte dekvliesjes. Tussen de sporenhoopjes staan dikwijls kliertjes die een meelachtige neerslag veroorzaken.

Taxonomie[bewerken]

In de klassieke beschrijving is het geslacht Pellaea een diverse, weinig gedefinieerde groep van varens met als gemeenschappelijke kenmerk de aanpassingen aan een xerofyte levenswijze, met onduidelijke relaties tussen de Noord-Amerikaanse, Zuid-Amerikaanse en Aziatische soorten, en met vage grenzen met de zustergeslachten Cheilanthes en Argyrochosma. Het is dus zeer waarschijnlijk een polyfyletische groep. Dikwijls wordt het geslacht onderverdeeld in een aantal secties die elk op zich de status van geslacht waard zijn, aangezien ze eerder getuigen van convergente evolutie bij varens met hetzelfde droge, stenige habitat, dan van een gemeenschappelijke afstamming.

Het geslacht telt in de huidige indeling ongeveer 70 soorten. De typesoort is Pellaea atropurpurea

Soortenlijst[bewerken]