Piraterij in de Caraïben

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Centraal-Amerika en de Caraïben
Een 18de-eeuwse piratenvlag

De piraterij in de Caraïben begon in de 16e eeuw en stopte in de jaren 20 van de 18e eeuw. Het gebied zelf werd pas later economisch interessant maar het lag strategisch op de doorvoerroutes van de Spaanse schepen die goud en zilver uit midden- en Zuid-Amerika naar Europa vervoerden, de zogenaamde Zilvervloot.

Engeland, Frankrijk en Nederland stonden lange tijd piraten toe om Spaanse schepen te overvallen. Deze piraten werden kapers genoemd en moesten bij thuiskomst het grootste deel van de buit inleveren. De kapers in de Caraïben werden vaak boekanier genoemd omdat ze niet alleen schepen maar zelfs ook steden aanvielen.

Hoogtijdagen[bewerken]

De piraterij in de Caraïben kende drie intensieve perioden:

  • van 1650 tot 1680, waarin Franse en Engelse boekaniers de Spaanse havens en schepen overvielen.
  • Vanaf 1690 toen, met name Engelse piraten, de Britse en Nederlandse schepen aanvielen die van Europa naar Azië voeren. De Caraïben lagen weliswaar van de route verwijderd maar hier keerden de piraten steeds weer terug.
  • Van 1716 tot 1726, nadat de kaperij verboden was geworden kende deze toch een opleving door de toenemende handel.

Geschiedenis[bewerken]

1628: Piet Hein overvalt de Zilvervloot voor de kust van Cuba.

In 1492 bereikte Christoffel Columbus Amerika en twee jaar later tekenden Portugal en Spanje het Verdrag van Tordesillas waardoor bijna het gehele Amerikaanse continent, en daarmee ook de gehele Caraïben, aan Spanje toebedeeld werd.

De Spanjaarden bouwden een aantal versterkte steden in de Caraïben die als doorvoerhavens dienden waar de Spaanse schepen voedsel konden inslaan en konden groeperen om gezamenlijk naar Spanje te varen.

Goud uit Peru en Bolivia werd eerst over de Grote Oceaan naar Panama-Stad vervoerd, vervolgens over land naar Portobelo en daarna over zee naar Cartagena en of Havana om de reis naar Spanje te maken. Kostbaarheden uit Mexico werden vanuit Veracruz verscheept.

Omdat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland in bepaalde perioden in oorlog waren met Spanje vroegen zij kapers om, in ruil voor een deel van de buit, Spaanse schepen te overvallen. De piraterij floreerde in de Caraïben dankzij havensteden zoals het Britse Port Royal in Jamaica, Nassau op de Bahama's en het Franse eiland Tortuga waar de kapers konden aanleggen.

In 1713 werd de Vrede van Utrecht getekend waarin Spanje, Engeland, Frankrijk en Nederland afspraken om de kaapvaart te verbieden. Op het kapen stond voortaan de doodstraf. Doordat de vrede was getekend nam de handel enorm toe. Juist dit zorgde voor een tijdelijke opleving van de piraterij.

Belangrijkste gebeurtenissen[bewerken]

De aanval door Henry Morgan op Panamá Viejo.

In 1555 wist de Franse piraat Jacques de Sores Havana te plunderen en zwaar te beschadigen. Hij vond overigens niet de rijkdom die hij verwacht had. Deze gebeurtenis was voor de Spanjaarden de reden om zware verdedigingswerken rond de stad te bouwen.

Piet Hein, kaper in dienst van de Nederlandse West-Indische Compagnie, wist in 1628 tijdens de Slag in de Baai van Matanzas voor de kust van Cuba de Spaanse zilvervloot te veroveren. Met de opbrengst kon in 1629 het beleg van 's-Hertogenbosch gefinancierd worden.

In 1654 deden de Engelsen een poging om het eiland Hispaniola in te nemen. Dit mislukte en de Engelsen leden zware verliezen. Om niet met lege handen terug te komen besloten ze Jamaica te veroveren dat toen nog een Spaanse kolonie was. Jamaica zou een uitvalsbasis worden voor kapers. De voormalige boekanier Henry Morgan zou zelfs een paar korte termijnen als gouverneur van de Kolonie Jamaica dienen.

Henry Morgan wist als kaper een aantal Spaanse steden te plunderen, zoals Maracaibo, Camagüey, Portobelo en in 1671 zelfs Panamá Viejo (bij het huidige Panama-Stad) waarbij ze eerst door het oerwoud van de Landengte van Panama moesten trekken.