Haïtiaanse Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Strijd tegen het leger van Napoleon

De Haïtiaanse Revolutie (17911804) was de eerste en enige succesvolle slavenopstand op het Westelijk halfrond. Deze vond plaats in de toenmalige Franse kolonie Saint-Domingue. De catalisator voor deze opstand was de Franse Revolutie. De revolutie kon slagen doordat er een overmacht van vijftien keer zoveel slaven als kolonisten was. Daarnaast kwamen de Fransen ook nog in een oorlog met Groot-Brittannië en Spanje terecht. De revolutie bestond uit twee oorlogen en leidde tot de vrije zwarte republiek Haïti.

Achtergrond[bewerken]

Een slavenopstand in 1791

Sinds 1659 was Saint-Domingue een Franse kolonie die het westelijke deel van het Caraïbische eiland Hispaniola besloeg. De economie van Saint-Domingue leunde grotendeels op de export van suiker en in mindere mate van andere landbouwproducten zoals koffie en cacao. Door het klimaat en doordat er veel aandacht was besteedt aan goede irrigatie was het halverwege de achttiende eeuw samen met Jamaica de grootste leverancier van suiker geworden. Om deze productie mogelijk te maken waren echter zoveel slaven via de Trans-Atlantische slavenhandel naar de kolonie gebracht dat het aantal slaven tien keer zo hoog was als het aantal blanke kolonisten. Dit gegeven zorgde ervoor dat de slaven extra hard werden onderdrukt en bestraft om elke mogelijke opstand in de kiem te smoren. Daarnaast was de sterfte onder slaven erg hoog, o.a. door de gele koorts, waardoor steeds nieuwe slaven geïmporteerd moesten worden. De Franse koning Lodewijk XIV had in 1685 wel de Code Noir uitgegeven. Dit was een wet die het geweld tegen slaven moest verminderen maar deze wet maakte in Saint-Domingue weinig indruk.

Rond 1758 begon men de maatschappij juridisch op te delen in verschillende groepen. Je had de blanken, zij hadden de meeste rechten. Daarnaast had je de Gens de couleur (vrije zwarte mensen). Dit waren ex-slaven die op een bepaald moment door hun eigenaar vrij waren gelaten. Zij hadden meer rechten, mochten in het leger dienen en hadden soms zelf een plantage met slaven. Veel van deze vrije zwarte mensen waren mulatten, nakomelingen van vaak een blanke man en een zwarte slavin. Deze mulatten waren nog wel eens goed opgeleid en zouden later na de revolutie de nieuwe elite gaan vormen. De derde groep vormden de slaven. Binnen deze groep was vaak een sterke hierarchie en stonden slaven die op de plantage geboren waren hoger in aanzien dan de geïmporteerde slaven.

Reeds voordat de revolutie van start ging waren er al grote opstanden op verschillende plantages geweest en ontsnapte slaven (Mawons) die in de bossen leefden voerden regelmatig aanvallen op de plantages uit. Van 1751 tot 1757 leidde de Vodou-priester François Mackandal een grote opstand tegen de plantagehouders. Hij had een uitgebreid netwerk opgebouwd tussen slaven en Mawons die steeds grotere aanvallen uitvoerden en daarnaast zelfs plantagehouders wisten te vergiftigen. Mackandal werd uiteindelijk gepakt en levend verbrand in de koloniale hoofdstad Cap-Haïtien. Na zijn dood gingen de aanvallen echter gewoon door. De Franse schrijver Honoré Gabriel de Riqueti schreef dat de bewoners van Saint-Domingue eigelijk aan de voet van de Vesuvius leefden. Je kon op je vingers natellen dat het vroeg of laat heel erg mis zou gaan.

Aanleiding[bewerken]

In 1789 brak de Franse Revolutie uit. Veel plantagehouders zagen dit goedkeurend aan, hopend dat deze uiteindelijk tot de onafhankelijkheid van Saint-Domingue zou leiden. Ook de Verklaring van de rechten van de mens en de burger die de Franse revolutionairen naar buiten brachten werd gezien als iets positiefs. Het verdeelde de kolonisten wel. Een deel van hen wilde de situatie zo houden als die was en deel wilde inderdaad hervormingen. Hierdoor werd het regime intern verzwakt en wist het minder accuraat op te treden. Mogelijk speelden ook tegenstellingen tussen de verschillende regio's in de kolonie een rol. Ondertussen was het aantal slaven al vijftien keer zo groot geworden als het aantal kolonisten.

Twee vrije zwarte mannen, Julien Raimond en Vincent Ogé, begonnen meer rechten op te eisen voor de vrije zwarte mensen. Ogé eiste zelfs stemrecht. Hij leidde een kleine opstand rond Cap-Haïtien en werd in 1791 geëxuteerd op het plein. Ookal vocht Ogé niet voor de slaven, toch wordt deze executie wel gezien als de vonk in het kruidvat dat de revolutie zou veroorzaken.

In mei 1791 kwam dit stemrecht er toch. De Franse regering nam hiervoor een wet aan. De koloniale regering wiegerde. Dit zou hun macht te veel aantasten aangezien de vrije zwarten bijna net zo'n grote groep waren als de blanken. Hierna zou een nieuwe opstand uitbreken.

De revolutie[bewerken]

Eerste oorlog[bewerken]

Op 14 augustus 1791 voerde de Vodou-priester Boukman Dutty in Bois Caïman nabij Cap Haitiën een Vodou-ritueel uit waarin hij de slaven en Mawons opriep om de wapens op te nemen. Boukman was zelf een Mawon-leider en zou één van de eerste leiders van de opstand worden. In korte tijd nam het aantal opstandelingen toe tot 100.000 en vrij snel wist men de hele noordelijke regio, inclusief de hoofdstad, in te nemen.

Op 4 april 1792 werd de slavernij door Frankrijk afgeschaft. Frankrijk verklaarde Groot-Brittannië in 1793 de oorlog. Spanje koos de kant van de Britten en Spaanse soldaten vielen vanuit hun deel van Hispaniola de kolonie binnen en sloten zich aan bij de opstandelingen.

Toussaint Louverture was een invloedrijke zwarte leider. Hij vocht eerst mee met de Spanjaarden maar besloot later juist vóór de Fransen te gaan vechten omdat de Spanjaarden de slavernij niet wilden afschaffen. Van de Fransen kreeg hij deze toezegging wel waarna zijn troepen zich voor hen gingen inzetten. In 1801 riep hij min of meer de onafhankelijkheid uit en wees zichzelf aan als leider voor het leven. Hiermee zou het gebied de eerste vrije zwarte staat worden. Napoleon stuurde een expeditie naar het eiland onder leiding van zijn zwager Charles Leclerc. Met een list wisten ze Louverture gevangen te nemen en mee te nemen naar Frankrijk. Hij zou daar een paar maanden later sterven in gevangenschap. Zijn manschappen werden ondergebracht in het Franse leger. Hierna werd het weer een tijdje rustig in de kolonie.

Tweede oorlog[bewerken]

Na verloop van tijd kwam het gerucht dat de Fransen de slavernij op Guadeloupe gewoon weer opnieuw hadden ingevoerd en dat dit in Saint-Domingue ook zou gaan gebeuren. Jean-Jacques Dessalines die had uigeblonken onder Louverture zou de strijd nu gaan leiden. In de zomer van 1803, terwijl de kolonie last had van Britse blokkades van hun grootste havens waardoor het Franse leger steeds meer verzwakte, wist hij in korte tijd het hele noorden van Saint-Domingue te veroveren. Bij de slag bij Vertières wist hij de Fransen definitief te verslaan. De verslagen Fransen vroegen hulp aan de Britten die op hun beurt bemiddelden dat Dessalines hen veilig het land zou laten verlaten mits ze voor 1 december vertrokken.

Onafhankelijkheid[bewerken]

Op 1 januari 1804 riep Dessalines de onafhankelijkheid uit over het nieuw gevormde land "Haïti". Deze naam werd ooit door de oorspronkelijke bewoners, de Arowakken gebruikt. Haïti werd hiermee het eerste zwarte onafhankelijke land en na de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten in 1776, de tweede onafhankelijke natie op het westelijk halfrond. Dessalines gaf vervolgens opdracht om alle overgebleven blanken in het land te doden. Ook de vrouwen en de kinderen. Later dat jaar riep Dessalines zichzelf uit tot keizer Jacob I van Haïti.

Opnieuw slavernij[bewerken]

Standbeeld van Dessalines als Keizer Jacob I van Haïti

Dessalines besefte dat de economie van het land in puin lag en dat het mogelijk in de toekomst weer door Frankrijk ingelijfd zou worden. Hij besloot dat de gehele mannelijke bevolking in twee groepen ingedeeld moest worden. Ofwel je ging het leger in, ofwel je ging weer op een plantage werken. Hiermee werd in feite de slavernij weer ingevoerd, zij het wel onder mildere omstandigheden. Er was nu een nieuwe elite ontstaan die de Affranchi werden genoemd. Zij waren de Gens de couleur, de vroegere vrije zwarte mensen en zij werden door het leger in het zadel gehouden.

In 1807 werd Henri Christophe tot president gekozen. Hij noemde zich voortaan Hendrik I van Haïti. Hij wilde het land inrichten als monarchie naar westers voorbeeld. Hij liet het paleis Sans-Souci bouwen en de Citadel Laferrière. Hij vervreemde zich van de bevolking en zou uiteindelijk zelfmoord plegen. Van 1818 tot 1843 was Jean-Pierre Boyer president van Haïti. Hij wist het land uit het internationale isolement te halen maar de Franse regering eiste wel herstelbetalingen in ruil voor erkenning. Haïti zou tot 1947 flink moeten betalen voor deze erkenning. Boyer wist wel het spaanse deel van het eiland te veroveren waardoor het eiland twintig jaar als geheel onder leiding van Haïti zou staan.

Verdere gevolgen[bewerken]

De Haïtiaanse Revolutie was de enige geslaagde slavenopstand en was ook van een enorme schaal. Waarschijnlijk heeft de revolutie aan zo'n 350.000 mensen het leven gekost. Haïti zou na de verenigde Staten het tweede onafhankelijke land van het Amerikaanse continent worden. Aan het begin van de revolutie zijn veel blanken en vrije zwarten de kolonie ontvlucht en een groot aantal van hen vestigde zich in Louisiana en zetten daar nieuwe plantages op. Waarschijnlijk heeft Napoleon Bonaparte op een gegeven moment beseft dat hij Haïti niet terug kon krijgen en toen de hoop op het behoud van Louisiana ook opgegeven. In 1803 gaf hij toestemming voor de Louisiana Purchase waardoor een enorm gebied ten westen van de Mississippi in handen van de Verenigde Staten kwam en dus niet meer in handen van de Engelsen zou komen.

Door de herstelbetalingen en doordat er nieuwe onrusten ontstonden door de nieuwe machtsverhoudingen in het land is Haïti altijd arm en instabiel gebleven. Haïti behoort dan ook tot de mislukte staten.

Externe links[bewerken]