Roger Raveel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Roger Raveel
Brussel, Metrostation Merode (1976)
Brussel, Metrostation Merode (1976)
Persoonsgegevens
Volledige naam Roger Henri Kamiel Raveel
Geboren 15 juli 1921
Overleden 30 januari 2013
Nationaliteit Vlag van België België
Beroep(en) kunstschilder, beeldhouwer
Oriënterende gegevens
Jaren actief 1945 - 2013
Stijl(en) De Nieuwe Visie
RKD-profiel
Website
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Palen van Haarlem, Grote Markt, Haarlem, 2004

Roger Henri Kamiel ridder Raveel (Machelen, 15 juli 1921Deinze, 30 januari 2013) was een Vlaams postexpressionistisch kunstschilder en maker van keramiek en kunstobjecten. Hoewel zijn werk niet goed valt onder te brengen in een van de bekende kunststromingen, wordt het verwant geacht aan popart.

Jeugd, opleiding en vorming[bewerken]

Roger Raveel is geboren in het dorp Machelen-aan-de-Leie, een dorp nabij Gent waar hij altijd heeft gewoond en gewerkt tot zijn dood.[1] Hij groeide op in een katholiek maar ruimdenkend gezin; zijn vader was vlaskenner en zijn moeder huisvrouw. In zijn jeugd deed hij niets liever dan lezen en tekenen. Toen hij drie jaar oud was viel hij in een wastobbe gevallen en werd door een buurman na enige tijd eruit gehaald die hem moest reanimeren. Dit voorval veroorzaakte een chronisch longontsteking waarvoor hij toen regelmatig naar een longarts moest in Gent. Al jong zag hij in de wachtkamer voor het eerst schilderijen van de Vlaamse expressionisten hangen die toen al hevig wisten te boeien. Zelf vertelde hij later daarover: 'Die schilderijen toonden heel gewone dingen; landschappen, beesten. Maar de manier waarop ze geschilderd waren intrigeerde mij enorm. De schilderijen waren intens, niet-realistisch, heel anders dan wat ik ooit gezien had. Ik kon me er niet van los maken. Toen mijn moeder mijn fascinatie zag, heeft ze me meegenomen naar een galerie in Gent.' [2]

Al snel stuurden zijn ouders hem naar de Stedelijke Academie nabij Deinze (bij Gent) waar hij ook kunstgeschiedenis en scheikunde volgde. Hier werd zijn mentor de schilder Hubert Malfait (1898-1971) te Deinze van 1933 tot 1937 en maakte een stormachtige ontwikkeling door. Later werd hij een vrije leerling van 1940 tot 1941. Die opleiding zette hij van 1942 tot 1945 voort aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent. Ook hier kreeg hij les van Hubert Malfait, die hem de techniek van Frans Hals en Rubens leerde kennen. Raveel leerde daar het relativeren van een andere docent, Jos Verdegem, die woorden van lof sprak over zijn werk. Zelf vond Raveel dat zijn eerste mentor eigenlijk de Italiaanse schilder, beeldhouwer en architect Giotto (1267-1337) was.

Leven en Werk[bewerken]

Privéleven[bewerken]

Graf Roger Raveel, Machelen-aan-de-Leie, 2018

In 1948 trouwde Raveel met Zulma de Nijs; hij noemde haar graag 'mijn muze'. Ze stierf 17 mei 2009 - 96 jaar oud. Zulma speelde een meer dan cruciale rol in het leven van de kunstenaar. Ze kenden elkaar van jongs af aan, want ze woonden in elkaars buurt in de Petegemstraat in Machelen-aan-de-Leie. Zulma's vader was een zelfstandig kleermaker en haar moeder een vroedvrouw. Toen de moeder van Raveel in 1946 zwaar ziek werd stopte Zulma met haar werk om zijn moeder te kunnen verzorgen. Dit maakte op Raveel zo'n indruk dat hij haar in 1948 ten huwelijk vroeg, wat niet naar de zin was van haar vader. Desondanks trouwde het koppel en om in hun levensonderhoud te voorzien zette Zulma het buurtwinkeltje van Raveels moeder voort, een likeurwinkel aan huis; financieel hadden ze het de eerste tijd niet breed want het drankenwinkeltje was hun enige bron van inkomen in die jaren.[3]In 1953 werden enkele van zijn werken aangekocht door baron Ernest van Zuylen; ook werd hij de jaren daarna daarna uitgenodigd voor deelname aan enkele internationale manifestaties zoals de Biënnale van Venetië en Documenta in Kassel. Raveel kreeg grotere bekendheid en zijn werken werden aangekocht voor harde valuta. Zo kon hij met Zulma verhuizen naar een ruime woning in Machelen-aan-de-Leie, waar de twee zich definitief vestigden.[4]

Vanaf 1945 leerden Raveel en Hugo Claus elkaar kennen; Claus woonde toen in Sint-Martens-Leerne, op 10 kilometer afstand van Machelen. Vanaf die tijd onderhielden ze contact en wisselden veel uit over kunst; later zouden veel brieven op en neer gaan omdat Claus een reiziger was en zich lang niet altijd in België bevond. Claus publiceerde o. a. een interview met Raveel in het socialistische blad 'Vooruit' in 1957 waarin Raveel aangaf waarom hij niet in de grote stad wilde wonen maar in het kleine landelijke Machelen bleef:P 'De stad biedt ongemene voordelen, accoord. Maar ik vind dat ze niet opwegen tegen de directe, onvervalste inspiratie van het natuurlijke leven dat ik hier vind.' [3]

Op het eind van zijn leven, op 3 februari 2011, hertrouwde Raveel met Marleen De Muer, een lerares van de basisschool in Lotenhulle; na een kleine twee jaar stierf Raveel.[5] Hij overleed aan de gevolgen van een longontsteking in het Sint-Vincentiusziekenhuis van Deinze.[6]
Eind 2013 plaatste men een monument op het graf van de kunstschilder, op het kerkhof van Machelen-aan-de-Leie, naar een ontwerp van architect Marc Felix.

Werk[bewerken]

Raveel's vroege schilderijen rond 1940-42 leunden zwaar op de thematiek, kleurstelling en atmosfeer van zijn vroegere idolen, zoals de expressionistische schilders Van den Berghe, Gustaaf De Smet en Permeke. Zijn docent Malfait bezwoer hem toen te breken met die oude Vlaamse schilderstijl en slechts zijn eigen tekenen te benutten als startpunt voor zijn schilderen. Dit zou duren tot in 1948; toen begon Raveel, zoals hij later kernachtig verduidelijkte aan kunst-criticus Hans Sizoo: 'opnieuw aan het ABC' ! De voor Raveel zo karakteristieke objecten in zijn schilderijen - de vele paaltjes, schuttingen, daken, dorpelingen en ook hij zelf - kregen vanaf die tijd steeds grotere eenvoud; de details werden spaarzamer en stukken van het doek bleven bovendien leeg. Ook zijn kleurgebruik werd heel uitgesproken. April 1948 schreef hij Hugo Claus over een werk dat hij onder handen had: '..een schilderij, een landschap met hevige kleuren en willekeurig het gebruik ervan; Blauw en groen neven mekaar gescheiden door een wit lijntje, hevigst rood nevens hevigst groen' [3] Raveel erkende rond die tijd dat de moderne wereld ook zijn eigen landelijke dorp was binnengetrokken in de vorm van reclame en allerlei nieuwe consumptiegoederen en hij wilde dit als een gegeven in zijn verdere werk meenemen.[2] Zelf schreef hij Claus begin 1950 dat hij eigenlijk pas eind 1948 echt met schilderen begonnen was, met zijn schilderij 'Wit Paard'.[3]

Raveel werkte niet alleen als schilder, maar ook als beeldhouwer en als graficus. In 1984 verschenen bijvoorbeeld 33 prenten van zijn Genesis, vergezeld van de 33 erbij passende gedichten van Hugo Claus. Ook maakte hij talrijke keramiek. Raveel gaf zelf les van 1960 tot 1973 aan de academie van Deinze waar hij o.a. Raoul de Keyser als belangrijke leerling had. In 1995 werd Raveel in de adelstand verheven als ridder.

de nieuwe figuratie: de Nieuwe Visie[bewerken]

In 1948 richtte hij de groep La Relève op met Jan Burssens, Kamiel D'Havé en Pierre Vlerick. Hij had het gevoel dat hij alles opnieuw moest bekijken en de zaken in een ander licht moest beschouwen. Invloed van gegevens uit de fysica en nieuwe technische ontwikkelingen gaven Raveel een andere kijk op de wereld. Hij wilde dat nieuwe wereldbeeld zichtbaar maken in zijn kunst, die daardoor een heel aparte en specifieke vormgeving en inhoud kreeg. Hij noemde zijn benadering 'De Nieuwe Visie', door velen later gezien als een onderdeel van de Nieuwe figuratie-beweging. Zo kon in Raveel's wereld een schaduw wit zijn in plaats van donker, zoals de schaduw van de tafelpoot in zijn kleurenlitho 'Tafel met koffiekan' (1970). In een brief van februari 1950 beschrijft Hugo Claus zijn reactie op drie schilderijen van zijn vriend die hij in Brussel zag hangen: '..zij verrasten mij wel, in die mate, dat ik het kon voorzien dat gij naar zulke hoge kleur zoudt gaan en zulke gereduceerde vormen, maar anders.. ..zijt gij niet veranderd, dus 'goed' gebleven.' [3] Via Claus leerde Raveel kort na 1950 de schilders van de Cobragroep kennen, onder andere Karel Appel en Corneille; Raveel zocht echter heel andere wegen in zijn schilderkunst, waarbij hij de werkelijkheid om zich heen kon benutten en afbeelden.[1] Hij schreef Claus begin 1951: 'Dat werk [van Mondriaan past inderdaad gegoten in zeer moderne vertrekken.. ..maar er kan dan nooit meer een stootkar in rijden.. .Ik verlang een schilderij die kan hangen in een moderne omgeving en die toch een "eigen leven" heeft.. ..In Leger vind ik een kiemken daarvan. Daar hebben we iets poëtisch, surrealistisch, klassiek en een organisch leren aanvoelen, en toch hoort het werk thuis in een modern intérieur met ijzeren ramen en betonnen muren.[2]

In de periode 1955-1961 werkte Raveel vooral abstract. Van 1960 tot 1962 maakte hij studiereizen naar Italië; zo verbleef hij in 1962 drie maanden in Albisola Mare waar hij werkte en tentoonstelde met kunstenaars als Lucio Fontana en Asger Jorn. Het kelderfresco in het Kasteel te Beervelde vormde een eerste hoogtepunt van de 'nieuwe visie', naast het Dulcia-project van Zottegem in 1969. Bij de Brusselse Noord-Zuid-verbinding kreeg hij in 1977 een opdracht voor een muurschildering in het metrostation Merode toegewezen en in 1989 realiseerde hij een ruimtelijke muurschildering in het gebouw van het Loodswezen in Oostende. In de grote kunstmanifestatie "Beaufort 2003", langs de hele Belgische kustlijn, beschilderde hij een volledig tramstel van de De Lijn.

stijlkenmerken[bewerken]

Raveel's stijl wordt gekenmerkt door een mengeling van abstract en figuratief schilderen. Vanaf c. 1955 ontstonden er schilderijen met vierkante of rechthoekige vlakken, in allerlei verschillende kleuren neergezet. Omstreeks 1960 begonnen deze vlakken overwegend wit te worden, met meestal een zwarte brede band eromheen. Zo verschijnt in het beeld van een typische Vlaamse landelijke achtertuin met wasdraad en betonnen muurtjes ineens een volledig wit vierkant (bijna het keurmerk van een Raveel). Soms heeft hij ze vrij los geschilderd en dienen ze vooral als een abstracte vorm in een abstracte compositie. Maar in zijn figuratieve schilderijen werden de witte vlakken veel tastbaarder en concreter. Dan kunnen ze afhankelijk van de situatie worden gezien als raam, een spiegel, hangend wasgoed aan de lijn, een vel papier of een nog leeg doek. Maar dan werken de witte vlakken voor de kijker ook als stoorzenders, want ze benemen een flink deel van het zicht op de voorstelling of ze slaan er zelfs een gat in; dan stellen ze in feite leegtes voor of afwezigheid.[2] Beweging gaf Raveel aan door het schilderen van vlekken, omdat een bewegend object niet kan worden weergegeven met een scherpe afbeelding ervan.

Op zijn terugreis vanuit Albisola in Italië zag Raveel voor het eerst in augustus 1962 in levende lijve een aantal werken van de Amerikaanse voorlopers van de Pop-Art in Genève; o.a. van Jaspar Johns en Robert Rauschenberg; vooral het werk van de laatste met de aanwezigheid van allerlei concrete voorwerpen in het doek geïntegreerd stimuleerde Raveel om zijn abstractie los te laten en zich te richten op het ontwikkelen van een nieuwe vorm van figuratie. Hij greep voor zijn onderwerpen terug op zijn eigen werken uit c. 1950, maar begon nu de echte voorwerpen in zijn schilderijen te verwerken, zoals in het werk 'Het Venster' van 1962, waarin een echt raam was verwerkt.[3] Ook verwerkte hij houten bedstijlen in Herinneringen aan het doodsbed van mijn moeder (1965) en maakte zelfs een kooitje met een levende duif in 'Neerhof met een levende duif' (1962). Enkele keren maakte Raveel ook driedimensionale objecten, zoals het kubusvormige 'Karretje om de hemel te vervoeren' (1968) of zijn later gemaakte witte houten zwanen voor de reien in Brugge. Hij integreerde soms ook echte spiegels in zijn werk, waarmee de omringende omgeving een deel van het werk kon worden. Hij deed dit onder meer in zijn genoemde 'Karretje'; ook plaatste hij twee tegenover elkaar staande spiegels in zijn project van kasteel 'Beervelde' in 1966. Motieven in felle, vitale kleuren werden door hem soms met donkere contouren afgelijnd.

kelderschilderingen van Beervelde[bewerken]

Graaf Charles de Kerchove de Denterghem bewoonde het oude kasteel Beervelde. Rond 1965 bezocht de graaf in Brussel in het Paleis voor Schone Kunsten een tentoonstelling van het werk van Raveel. Hij raakte geboeid door de thema's en de voor die tijd ongewone en frisse werkwijze van de kunstenaar. Hij vroeg Raveel om muur- en plafondschilderingen te willen maken in de kelderruimtes van het kasteel. Raveel accepteerde, maar wilde de opdracht uitvoeren in samenwerking met zijn vrienden-kunstenaars Raoul De Keyser, Etienne Elias en de Nederlander Reinier Lucassen. Het project zou enige weken duren maar liep uit. Eén van de zoons van de graaf (17 jaar) volgde de vorderingen van dichtbij: '..de realisatie duurde uiteindelijk enige maanden; al die tijd logeerde Raveel in de villa. Hij schilderde snel maar dacht lang na. Voor ieder nieuw fragment werd eindeloos gewikt en gewogen. De traagheid had ook te maken met onderlinge spanningen tussen Raveel en zijn voormalige leerling Raoul de Keyser die toen door kunst-recensenten werd uitgemaakt voor een 'Raveel-epigoon' en daarom afstand wilde nemen. Het project werd al gauw gezien als een embleem van de Nieuwe figuratie in België. Het abstraherende van Piet Mondriaan en het expressionisme van Vincent van Gogh waren inspiratiebronnen bij het ontstaan van zijn schilderstijl die ook bekend werd als de 'nieuwe visie'. Graaf Kerchove de Denterghem en Raveel waren samen een aantal uitgangspunten overeengekomen voor het project:

De bezoekers van de kelder moeten de indruk hebben dat ze vertoeven midden in het kunstwerk, waardoor ze over de mogelijkheid beschikken om zelf actief deel te nemen aan de kunst. Een schilderij is een tweedimensioneel tafereel. Hier worden de keldergangen in hun geheel betrokken in de muurschilderingen. De kunstenaars gebruiken de breedte. Maar er is meer: zij voegen er een vierde dimensie aan toe, nl. de betrokkenheid van de bezoeker waardoor deze verplicht is zich in te leven in het kunstwerk en waar ze wel degelijk in geslaagd zijn.
Door optische effecten moet de indruk worden gewekt dat de gangen er ruimer uitzien dan in werkelijkheid.
De schilderingen moeten een harmonieus geheel vormen met het park. Vanuit gelijk welke plaats in de gang moet men een fragment van het domein kunnen waarnemen.
Raveel kreeg verder de volledige vrijheid; de groep kunstenaars begon op 2 september 1966; het werd voltooid in maart 1967.[7]

Het project te Beervelde is te zien als een hommage en als een beginselverklaring van de 'Nieuwe Visie'-kunst. De groep kunstenaars liet zien waar ze voor stonden: een sardonisch en lichtvoetig modernisme waar kleurrijk realisme, strip-achtige overdrijvingen en abstracte partijen naast elkaar in het beeld konden staan. Volgens de graaf was dit geen incident; hij had hoge verwachtingen van de groep die echter niet lang zou blijven bestaan; ieder ging een eigen weg.[2]

activistische kunstenaar[bewerken]

Rond 1970 begon Raveel zich te ontwikkelen tot een geëngageerde en zelfs activistische kunstenaar. Tijdens de Triënnale van Brugge in 1971 liet hij vier houten zwanen met zijn karakteristieke vierkanten gaten in hun romp op het water van de reien drijven, (vernoemd naar het vroegere riviertje de Reie dat door Brugge liep) als protest tegen de vervuiling van het water. Het stadsbestuur was woedend maar korte tijd later werd een nieuwe zuiveringsinstallatie gebouwd. In datzelfde jaar deed hij de performance 'Raveel' op het water van de Leie, naar aanleiding van de gemeente om de arm van de Leie langs Machelen te dempen voor luxe-woningen, waarmee het oude dorp zijn karakteristiek zou verliezen. Op een zelfgemaakt vlot met blauwe luchtzakken had hij een schilderij gemonteerd en liet zich door een motorboot van Machelen naar Gent slepen; alle bruggen gingen open en mensen met spandoeken stonden aan de Leie hem toe te roepen; zelfs de burgemeester van Gent keek toe. Deze actie zette echter bij de plaatselijke landeigenaren (deels boeren) kwaad bloed; ze probeerden zijn huis in brand te steken, waarna Raveel een tijd lang bewaakt moest worden door de Rijksdienst.[2]

Roger RaveelMuseum[bewerken]

Sinds 1999 heeft Raveel zijn eigen museum in zijn geboortedorp Machelen-aan-de-Leie, gebouwd naar een ontwerp van architect Stéphane Beel. Het bestaat uit een ouder gebouw dat is gerestaureerd en een nieuw gedeelte. In het nieuwe gedeelte is een belangrijk deel van zijn eigen werk ondergebracht. De opstelling is geplaatst in chronologische volgorde en toont aldus de ontwikkeling die de schilder doormaakte. In het oude gedeelte zijn er wisseltentoonstellingen. In het voorjaar van 2010 was er een hommage aan Zulma, Raveels overleden echtgenote. Er waren schilderijen en tekeningen te zien van de kunstenaar met het beeld van Zulma, zijn favoriete model. Na zijn eigen dood bracht het museum hulde aan de kunstenaar met de expositie Tekeningen en objecten (en enkele schilderijen).[8]

Retrospectief[bewerken]

Naar aanleiding van de 85ste verjaardag van de schilder was er begin 2007 een overzichtstentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen op de dijk te Oostende, met als titel De schilder spreekt. In deze expo werd zowel het plastische als het literaire werk van Raveel belicht. Behalve schilderijen, tekeningen en grafiek waren er objecten, installaties en kunstenaarsboeken tentoongesteld. Raveel ontwierp verder voor het Koningspark te Oostende de permanent opgestelde installatie Confrontatie.

Prijzen en titels[bewerken]

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Ronny Delrue. Het onbewaakte moment. De gecontroleerde ongecontroleerdheid bij het tekenen. Ronny Delrue in gesprek met Luc Tuymans, Anne-Mie Van Kerkhoven, Roger Raveel, Katleen Vermeir Kris Fierens, en Philippe Vandenberg, Mercatorfonds, Brussel, 2011.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een verzameling Engelstalige citaten gerelateerd aan Roger Raveel.