Dienst voor de Veiligheid van de Staat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Staatsveiligheid (België))
Ga naar: navigatie, zoeken

De Dienst voor de Veiligheid van de Staat/Sûreté de l'État (VSSE), of kortweg Staatsveiligheid, is een afdeling van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie.[1] Het is de enige burgerlijke geheime dienst van België.[2] Militaire tegenhanger is de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht (ADIV).

Hoofdtaken[bewerken]

De opdracht van de Staatsveiligheid is vierledig en beschreven in de wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst van 30 november 1998:

  1. Het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen over activiteiten die de inwendige en/of uitwendige veiligheid van de staat kunnen bedreigen.
  2. Het uitvoeren van onderzoek dat haar wordt toevertrouwd, waaronder personenonderzoek van wie in het bezit moet zijn van een veiligheidsmachtiging om toegang te hebben tot geheime of vertrouwelijke informatie.
  3. Personenbescherming op vraag van de Minister van Binnenlandse Zaken zoals buitenlandse staatshoofden.
  4. Alle andere opdrachten die haar door worden toevertrouwd zoals de aanvragen voor het dragen van een vuurwapen door wie geen verblijfplaats in België heeft.

Werking[bewerken]

De Veiligheid van de Staat verzamelt inlichtingen betreffende de volgende gebieden: ideologisch extremisme, georganiseerde misdaad, radicalisme, schadelijke sektarische organisaties, contraspionage, wapenproliferatie, terrorisme, wetenschappelijke en economische spionage. Drugsdelicten behoren niet tot de bevoegdheid van de Staatsveiligheid.

In 2016 onderhield de dienst bilaterale samenwerkingsrelaties met 93 buitenlandse geheime diensten in 69 landen over de hele wereld. Met deze diensten werden in 2015 zo'n 16.000 inlichtingenberichten uitgewisseld.[3] Daarnaast neemt de VSSE onder meer deel aan de multilaterale samenwerkingsverbanden van de Club de Berne en de Counter Terrorist Group (CTG).

De Staatsveiligheid heeft aanleiding gegeven tot het opsommen van een aantal strafbare feiten in het Belgische Strafwetboek (art. 101-136). Dat gaat onder meer over aanslagen tegen de koning en de regering, aanslagen tegen de uitwendige veiligheid, bijvoorbeeld het opnemen van de wapens of spioneren voor de vijand, en aanslagen tegen de inwendige veiligheid, bijvoorbeeld het organiseren van burgeroorlog, verwoesting, mensenslachting of plundering. Onder de inwendige veiligheid valt ook het verbod op privé-milities. De staatsveiligheid beschikt hiervoor over een budget van ca. 126 miljoen euro.[4]

Daarvoor gebruikt de Dienst informanten die niet in de gerechtelijke dossiers voorkomen, voor hun bescherming. Het is niet toegestaan zonder gerechtelijk bevel telefoons af te luisteren. Wel zijn telefoonbedrijven verplicht om gedurende een jaar de gespreksinformatie op te slaan (tijd, plaats, duur). Op 17 juli 2009 werd door de Senaat het wetsvoorstel op de Bijzondere Inlichtingenmethodes goedgekeurd. Deze wet moet de inlichtingendiensten meer mogelijkheden verschaffen voor het voeren van onderzoek, en laat voor het eerst echte spionagetechnieken toe (telefoontap, doorzoeken van eigendommen, plaatsen van afluisterapparatuur, infiltraties door geheim agenten, opzetten van rechtspersonen door de inlichtingendiensten) toe. Het aanvankelijke wetsvoorstel van de regering stootte op heel wat kritiek, omdat de democratische (parlementaire) controle onvoldoende zou zijn. Daarom dienden enkele senatoren een nieuw wetsvoorstel in, dat uiteindelijk drie jaar in behandeling was. De inlichtingendiensten waren vragende partij voor de wetgeving, daar zij de wettelijke middelen (die enkel mogelijkheid gaven om met informanten te werken) onvoldoende achtten om de taken naar behoren uit te voeren.

De sectie "Persoonsbescherming" zorgt voor de beveiliging van bezoekende staats- en regeringsleiders, bedreigde politici en ambassadeurs van "gevoelige" landen.

Het hoofdkantoor bevindt zich in Brussel, maar er zijn ook afdelingen in Antwerpen, Bergen, Luik, Charleroi, Hasselt, Brugge en Gent. De sterkte van de dienst wordt op zo'n vijfhonderd personen geschat.

Toezicht op de Staatsveiligheid wordt uitgeoefend door de Vaste Commissie voor toezicht op de veiligheidsdiensten (Comité I), die afhangt van het Parlement; voorzitter van de Commissie is dhr. Guy Rapaille. De voormalige voorzitter van het Comité I, dhr. Jean-Claude Delepierre werd na zijn mandaat voorzitter van het Coördinatiecentrum voor dreigingsanalyse van terreuraanslagen en de Cel voor Financiële Informatieverwerking. Het Comité I houdt ook toezicht op de ADIV, de inlichtingendienst van de Belgische Krijgsmacht.

In 2005 vierde de Veiligheid van de Staat haar 175ste verjaardag met een tentoonstelling, "Undercover", die plaatsvond in het Rijksarchief, en een publicatie van Politeia waarvoor academici en analisten van de V.S. bijdragen leverden (zie hieronder).

In 2006 werd de staatsveiligheid in verlegenheid gebracht doordat de radicale Turkse activiste Fehriye Erdal, één dag voor het verschijnen voor de rechtbank wegens terroristische activiteiten, kon ontsnappen aan de agenten van de dienst. De administrateur-generaal Koen Dassen nam ontslag. Hij werd opgevolgd door Alain Winants. In 2014 werd Winants opgevolgd door Jaak Raes, tot dan de directeur-generaal van het crisiscentrum van Binnenlandse Zaken.

Geschiedenis[bewerken]

De 'Sûreté' of Openbare Veiligheid was één van de vijf directies die door het Voorlopig Bewind werden opgericht in 1830. De enige ook die niet uitgroeide tot een volwaardig ministerie, maar bestuurd bleef door een 'administrateur generaal' die met zijn dienst aangehecht was aan het Ministerie van Justitie. Bij de aanvang ging het om een heel bescheiden dienst met slechts enkele medewerkers. Toch is het de op één na oudste inlichtingsdienst ter wereld en moet het enkel de inlichtingsdienst van het Vaticaan voor laten. [5]

De Dienst Openbare Veiligheid, onder leiding van een administrateur-generaal, was afwisselend bij het Ministerie van Justitie, dan weer bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken gevoegd.[6] Zij bestond als Administration de la Sûreté Publique uit 'Vreemdelingenpolitie' (Police d'étrangers) en 'Veiligheid van de Staat' (Sûreté de l'Etat). Die laatste deed aan inlichtingenwerk. Nadat de Openbare Veiligheid zich de eerste tien jaar van Belgiës bestaan moest concentreren op Hollandse spionage en door Nederland geïnspireerde pogingen tot staatsgreep, speelde de veiligheidsdienst samen met het leger een instrumentale rol in het verhinderen van een republikeinse staatsgreep in 1848. Een ander belangrijk succes was het ad hoc opzetten van een uitgebreide inlichtingennetwerk aan de Belgische grenzen tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870, terwijl de vrees voor een invasie van het Belgisch grondgebied groot was. Voor de rest vormden het socialisme en andere dissidente bewegingen, of elementen die als "subversief" werden aanzien, een voorname focus voor de Veiligheid. Bij gebrek aan wettelijk kader die bepaalde hoe ver de dienst daarin mocht gaan, kwam de Openbare Veiligheid in 1888 in grote verlegenheid met de zogenaamde "Affaire Pourbaix" waarbij uitkwam dat informanten en agenten van de inlichtingendienst zelf een republikeinse samenzwering hadden georganiseerd bij wijze van provocatie. Als gevolg werd de Openbare Veiligheid gekortwiekt en werd haar budget teruggedreven. Dat was echter van korte duur, aangezien vanaf de jaren 1890 Europa te maken kreeg met een golf van terroristische aanslagen gepleegd door Russische anarchisten en hun sympathisanten. In deze jaren bouwde de Veiligheid een intensieve samenwerking uit met o.a. de Russische geheime dienst van de tsaar, met de Britse Special Branch, en haalde ze de reeds hechte banden met de Franse geheime dienst verder aan.[7]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het inlichtingenwerk en de coördinatie van het verzet opgenomen door de in 1915 opgerichte militaire inlichtingendienst. Van de activiteiten van de Openbare Veiligheid in die periode is nagenoeg niets gekend. Met de komst van een militaire inlichtingendienst vielen sommige bevoegdheden van de Veiligheid nu aan de militaire dienst toe, in het bijzonder de contraspionage, tot deze laatste in 1923 omwille van een schandaal werd afgeschaft en zijn bevoegdheden opnieuw werden overgeheveld naar de Openbare Veiligheid. In 1929 had een grote reorganisatie plaats, waarbij de dienst werd opgesplitst in een Eerste directie Veiligheid van de Staat en een Tweede directie Vreemdelingenpolitie, elk onder een adjunct-administrateur-generaal.[8] Vanaf dan werd de naam van de dienst gangbaar "Dienst voor de Veiligheid van de Staat", of in de volksmond vaak "Staatsveiligheid". In de jaren 1930 bekommerde de dienst zich om het opkomende communisme en fascisme, als ook het Vlaams nationalisme. In 1937 werd de militaire inlichtingendienst terug opgericht opnieuw met contraspionage als taak, vooral gericht tegen Duitsland. De Duitse dreiging bracht de Belgische regering er in 1940 zelfs toe de twee inlichtingendiensten te verenigen onder het Ministerie van Defensie.

De Veiligheid van de Staat werd door de Duitse bezetter afgeschaft; de Vreemdelingenpolitie bleef in stand. In ballingschap in Londen werd de Staatsveiligheid prompt opnieuw geïnstalleerd. Zowel zij als de militaire inlichtingendienst legden zich toe op de coördinatie van het verzet in België in samenwerking met de Britse geheime diensten. Dit leidde tot heel veel conflict tussen de Staatsveiligheid en haar militaire tegenhanger: de burgerlijke inlichtingendienst werd immers toegelaten het voortouw te nemen in de coördinatie van het verzet, door de regering die, in conflict met de in België krijgsgevangen Leopold III, de militaire inlichtingendienst enigszins wantrouwde. Die kwam daardoor wat op het achterplan terecht en was daar zeer misnoegd over. Het gekibbel werd op den duur zo erg dat in 1943 een 'Hoog commissariaat voor de Veiligheid van de Staat' opgericht, afhangende van de Minister van Defensie, met als hoog commissaris Walter Ganshof van der Meersch, om conflicten te beslechten en de onderlinge relaties te verbeteren. De rivaliteit zou echter een ingebakken aspect van de interactie tussen de twee diensten worden.[9]

Na de oorlog keerde de Staatsveiligheid terug naar België en speelde zij een hoofdrol bij het onderzoeken en bestraffen van de collaboratie met de Duitsers. Zij ontplooide opnieuw haar activiteiten als politieke politie, eerst tegen de tegenstanders van de terugkeer van Leopold III (de Koningskwestie) en dan vooral tegen de nieuwe dreiging van het communisme. Spionage en de uitbouw van de zogenaamde Stay Behind-netwerken, om verzet te faciliteren tegen een gevreesde Sovjet invasie, omvatte een belangrijk deel van het takenpakket. Met de komst van de NAVO naar België in 1967 werd contraspionage nog belangrijker. Het Belgisch veiligheidsbudget nam gestaag toe onder impuls van de Britten en de Amerikanen. Vanaf de jaren 1970 keerde een oud zeer terug: het internationaal terrorisme stak opnieuw de kop op. De Staatsveiligheid speelde een sleutelrol in heel wat terrorismedossiers en bouwde zo een gerespecteerde reputatie op onder haar zusterdiensten in het buitenland. Terwijl ze echter in de vroege jaren 1980 redelijk snel succes boekte tegen de CCC, kwam de dienst echter in opspraak naar aanleiding van een aantal schandalen die te maken hadden met extreem-rechtse groeperingen zoals de Westland New Post, de onthullingen omtrent de Stay behind-operatie en andere private milities, en mysteries rondom de Bende van Nijvel. Vanaf de late jaren tachtig stond de dienst op de rand van de afgrond, terwijl een parlementaire commissie zich boog over de schandalen en de traumatische gebeurtenissen. Voornaamste conclusie van de parlementaire onderzoeken was de nood aan een wettelijk kader voor de werking van de inlichtingendiensten.[10]

Terwijl het wettelijk kader werkt uitgewerkt rolde de Staatsveiligheid nog de laatste restanten van de KGB in België op nadat de Sovjet Unie was gevallen. De dienst kampte echter met een grote malaise omwille van de destabilisatie van de vorige jaren en de onzekerheid over het voortbestaan van de dienst. In afwachting van de nieuwe wet werd de dienst geherstructureerd en klaargestoomd voor de parlementaire controle door het Comité I, welke vanaf 1994 begon de activiteiten van de Belgische inlichtingendiensten te controleren. In 1998 trad dan de Organieke Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten in werking, waarin de bevoegdheden en de mogelijkheden van de diensten werden bepaald, en ook de dreigingen werden gedefinieerd waartegen de diensten België moeten beschermen.

Administrateurs generaal[bewerken]

Opeenvolgende administrateurs-generaal:

Administratie Openbare Veiligheid[bewerken]

Administratie Staatsveiligheid[bewerken]

Hoog Commissariaat[bewerken]

Kort voor, tijdens en kort na de oorlog bestond een Hoog Commissariaat voor de Veiligheid van de Staat, afhangende van het Ministerie van Defensie. Deze dienst was onafhankelijk en stond hiërarchisch boven de Dienst voor de Openbare Veiligheid en boven de Militaire Inlichtingsdienst.

  • Walter Ganshof van der Meersch (maart-juni 1940) (Hoog Commissaris voor de Veiligheid van de Staat)
  • Walter Ganshof van der Meersch (1943-1944) in Londen (Hoog Commissaris voor de Veiligheid van de Staat)
  • Walter Ganshof van der Meersch (1944-1947) (Hoog Commissaris voor de Veiligheid van de Staat)

Literatuur[bewerken]

  • Luc KEUNINGS, Les relations entre l'administration de la sûreté publique et la police de Bruxelles (1830-1839). Contribution à l'histoire du maintien de l'ordre à Bruxelles, Actes du colloque des cercles archéologiques de Nivelles, T. III, Nijvel, 1986, blz. 43-54
  • Nicolas COUPAIN, L'expulsion des étrangers en Belgique (1830-1914), in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 2003, blz. 5-48.
  • P. PONSAERS, M. COOLS, K. DASSEN, R. LIBERT, De Staatsveiligheid: essays over 175 jaar Veiligheid van de Staat, uitg. Politeia, 2005
  • Maarten VANHORENBEECK, Belgium's intelligence community: new challenges and opportunities, 2006
  • Luc KEUNINGS, Des polices si tranquilles. Une histoire de l'appareil policier belge au XIXe siècle, Louvain-la-Neuve, 2009
  • Kenneth LASOEN, '185 Years of Belgian Security Service', Journal of Intelligence History vol. 15 (2016), 96-118.