Abdij van Quedlinburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reichsstift Quedlinburg
Onderdeel van het Heilige Roomse Rijk
 Hertogdom Saksen (-1180) 936 – 1803 Koninkrijk Pruisen 
Wappen Landkreis Quedlinburg 1939.svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Quedlinburg
Regering
Regeringsvorm Vorstendom
Slot Quedlinburg

De abdij van Quedlinburg was een tot de Opper-Saksische Kreits behorende abdij binnen het Heilige Roomse Rijk

De koningin-weduwe Mathilde kreeg in 929 Quedlinburg, nu in Saksen-Anhalt, als weduwe-zetel. Zij stichtte in 936 met toestemming van keizer Otto I bij de burchtkerk een sticht voor kanunnikessen. De leiding van het sticht lag in handen van de koningin-weduwe. Na 997 fungeerde abdis Mathilde, de dochter van Otto I als stadhoudster van het Duitsland tijdens het verblijf van de keizer in Italië. Pas tijdens de Hohenstaufen werd de band tussen het sticht en de keizers zwakker. Otto I verleende het sticht de immuniteit en bewerkte de exemptie bij de paus, waardoor het sticht onafhankelijk werd van de bisschop. De bisschop van Halberstadt erkende dit pas in 1259. Alle kerken in Quedlinburg stonden onder het gezag van de abdis. Ook kon de abdis een klein territorium vormen. In 1273 kwam de voogdij aan de graven van Regenstein.

In 1477 kwam het sticht onder de protectie van de hertogen van Saksen. De hertogen bezetten de stad, maar erkenden de landshoogheid van de abdis. Na 1485 ligt de protectie bij de albertijnse linie van het Saksische Huis.

In 1539 werd de reformatie ingevoerd en werd Quedlinburg omgezet in een evangelisch vrij-wereldlijk sticht. Sinds 1663 had het sticht een zetel in de Rijksdag.

In 1697 verkocht het keurvorstendom Saksen de protectie-rechten af aan het keurvorstendom Brandenburg.

Paragraaf 3 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 voegde de abdij Quedlinburg bij het koninkrijk Pruisen.

Nadat Pruisen in de Vrede van Tilsit van 1807 al zijn gebieden ten westen van de Elbe had moeten afstaan, werd het voormalige abdijvorstendom bij het koninkrijk Westfalen gevoegd. Na de napoleontische nederlagen werd het Pruisische gezag door het Congres van Wenen in 1815 hersteld.

Regenten[bewerken]

  • 937- 965: Diemot
  • 966- 999: Mathilde van Quedlinburg
  • 999-1045: Adelheid I van Saksen (zuster keizer Otto III)
  • 1046-1061: Beatrix I van Franken
  • 1063-1095: Adelheid I van Franken
  • 1106 : N.N. van Reinhausen
  • 1110-1125: Agnes I
  • 1134-1137: Gerberga
  • 1138 1160: Beatrix II van Winzenberg
  • 1160-1161: Meregard
  • 1161 1184: Adelheid III, paltsgravin van Saksen
  • 1184-1203: Agnes II van Meissen
  • 1203-1224: Sophia van Brehna
  • 1224-1230: Bertrade I van Krosigk
  • 1230-1231: Kunigunde van Kranichfeld
  • 1231-1232: Osterlinde van Falkenstein
  • 1233-1270: Gertrude van Amfurt
  • 1270-1286: Bertrade II
  • 1286-1308: Bertrade III
  • 1309-1347: Jutta van Kranichfeld
  • 1347-1348: Irmgard I van Stolberg
  • 1348-1353: Ludgard van Stolberg
  • 1354-1362: Agnes III van Schrapelan
  • 1362-1375: Elisabeth I van Hakeborn
  • 1377-1379: Margarethe van Schrapelan
  • 1380-1405: Irmgard II van Kirchberg
  • 1405-1435: Adelheid IV van Isenburg
  • 1435-1458: Anna I von Plauen
  • 1458-1511: Hedwig van Saksen
  • 1511-1514: Magdalena van Anhalt
  • 1514-1574: Anna II van Stolberg
  • 1574-1584: Elisabeth II van Regenstein
  • 1584-1601: Anna III van Stolberg
  • 1601-1610: Maria van Saksen
  • 1610-1617: Dorothea van Saksen
  • 1618-1645: Dorothea Sophia van Saksen
  • 1645-1680: Anna Sophia I van Palts-Birkenfeld
  • 1681-1683: Anna Sophia II van Hessen-Darmstadt
  • 1684-1704: Anna Dorothea van Saksen-Weimar
  • 1704-1710: Magdalena Sybilla van Saksen-Weissenfels
  • 1710-1755: Maria Elisabeth van Holstein-Gottorp
  • 1755-1787: Anna Amalia van Pruisen
  • 1787-1803: Sophia Albertina van Zweden