Hertogdom Saksen-Lauenburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herzogtum Sachsen-Lauenburg
Deel van het Heilige Roomse Rijk
Lid van de Duitse Bond
 Hertogdom Saksen (1180-1296) 1296 – 1305
1401 — 1803
1814 — 1876
Koninkrijk Pruisen 
COA family de Sachsen-Lauenburg.svg
Kaart
Lauenburg in 1848
Lauenburg in 1848
Algemene gegevens
Hoofdstad Lauenburg en Ratzeburg
Bevolking 34.938 (1815)
45.342 (1848)
49.978 (1867)
Talen Duits, Nedersaksisch
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Ascaniërs, Welfen, Oldenburg, Hohenzollern
Staatshoofd Hertog

Het Hertogdom Saksen-Lauenburg (Duits: Herzogtum Sachsen-Lauenburg) of kortweg Lauenburg was van 1296 tot 1876 een hertogdom in het zuidoosten van de huidige Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein.

Geschiedenis[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het noorden van het latere Lauenburg werd in de 7e/8e eeuw gekoloniseerd door de Polaben, een tot de Slavische Abodriten behorende stam. Karel de Grote kende het gebied in 804 toe aan de Obotriten uit dank voor hun steun tegen de Saksen. Reeds in 810 lijfde hij het echter in bij het Frankische Rijk.

De Saksen veroverden het gebied in 1093 en lijfden het als Graafschap Ratzeburg bij hun stamhertogdom Saksen in. Keizer Frederik I Barbarossa verklaarde hertog Hendrik de Leeuw, uit het Huis der Welfen, in 1180 van al zijn lenen vervallen en beleende de Ascaniër Bernhard I van Anhalt met het hertogdom Saksen. Dit vrij onbeduidende hertogdom bestond uit een gebied rond Wittenberg en een gebied rond Lauenburg

Lauenburg kwam in 1203 aan Waldemar II van Denemarken, maar viel in 1227 weer toe aan de Ascaniër Albrecht I. Na zijn dood (1260) regeerden zijn zoons Johan I en Albrecht II gezamenlijk. De eerste stichtte hierbij de linie Saksen-Lauenburg, de laatste Saksen-Wittenberg.

Saksen-Lauenburg onder de Ascaniërs[bewerken]

Saksen-Lauenburg ontstond als zelfstandig hertogdom in 1296, toen Albrecht II Saksen met zijn drie neven - zoons van Johan I - verdeelde. Hijzelf kreeg Saksen-Wittenberg, de broers Johan II, Erik I en Albrecht III Saksen-Lauenburg. Beide takken bezaten aanvankelijk de keurvorstelijke waardigheid, maar deze viel krachtens de Gouden Bul in 1356 toe aan Wittenberg (Keur-Saksen).

Na het uitsterven van de linie Wittenberg in 1422 trachtte Lauenburg opnieuw de keurvorstelijke waardigheid te verkrijgen. Keizer Sigismund verleende deze in 1428 echter aan Frederik de Strijdbare uit het Huis Wettin.

Sinds 1500 behoorde het hertogdom tot de Neder-Saksische Kreits. Hertog Magnus voerde in 1531 de Reformatie in.

Toen met Julius Frans de Lauenburgse Ascaniërs in 1689 in mannelijke lijn uitstierven, brak er een succesieconflict uit, hoewel zijn dochters opvolgingsgerechtigd waren. De strijd om het hertogdom die uitbrak tussen de dochters, Keur-Saksen, Brunswijk-Lüneburg, Anhalt, Holstein (Denemarken), Zweden, Mecklenburg en Brandenburg, werd uiteindelijk ten gunste van Brunswijk-Lüneburg beslist. Het bij het hertogdom behorende land Hadeln kwam onder keizelijk bestuur.

Saksen-Lauenburg; 1: hertogdom Saksen; 2: paltsgraafschap Saksen; 3: graafschap Brehna; 4: aartsmaarschalk (keurwaardigheid)

Onder de Welfen: Brunswijk en Hannover[bewerken]

Het Welfische Brunswijk-Lüneburg, waarmee Lauenburg sindsdien in personele unie stond, werd in 1692 onder de naam Hannover een keurvorstendom. In 1714 werd keurvorst George I Lodewijk ook koning van Groot-Brittannië.

Franse tijd[bewerken]

Het keurvorstendom Hannover inclusief Lauenburg werd in 1803 door Franse troepen bezet. In 1805 kwam het door het verdrag van Schönbrunn aan Pruisen, dat het in 1806 in bezit nam. In de Vrede van Tilsit van 1807 moest Pruisen afstand doen van al zijn gebieden ten westen van de Elbe, waarna deze bij het napoleontische koninkrijk Westfalen werden gevoegd. In 1810 stond Westfalen zijn noordelijke gebieden, waaronder Lauenburg af aan het Franse Keizerrijk.

Deense soldaten in de Slag bij Dybbøl Skanse (1864)
Sleeswijk-Holsteinse kwestie
Betwiste gebieden
Sleeswijk · Holstein · Lauenburg
Oorlogen
1e Duits-Deense Oorlog (1848-1851) · 2e Duits-Deense Oorlog (1864) · Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866)
Vredes en verdragen
Conventie van Londen (1852) · Vrede van Wenen (1864) · Verdrag van Gastein (1865) · Verdrag van Praag (1866)

Deense tijd[bewerken]

Na de Franse nederlaag kwam er in 1815 op het Congres van Wenen een gecompliceerde ruil tot stand tussen Zweden, Denemarken, Pruisen en Hannover. Hierbij kwam Lauenburg grotendeels aan Denemarken. Alleen de exclave Amt Neuhaus bleef bij Hannover. Ook in deze tijd werd Lauenburg afzonderlijk geregeerd. De regering zetelde in de Duitse kanselarij te Kopenhagen, vanwaar ook Sleeswijk en Holstein werden geregeerd.

In de Eerste Duits-Deense Oorlog (1848-1851; zie ook Sleeswijk-Holsteinse kwestie) werd Lauenburg door Hannover bezet en door een commissaris van de Duitse Bond bestuurd, tot Oostenrijk het in 1851 bezette en weer aan Denemarken overdroeg. Dit land moest Lauenburg na de Tweede Duits-Deense Oorlog in 1864 afstaan aan Pruisen en Oostenrijk. Deze landen regeerden het samen met Sleeswijk en Holstein als condominium. Krachtens het Verdrag van Gastein kreeg Pruisen in 1865 Lauenburg en Sleeswijk alleen in handen.

Pruisische tijd[bewerken]

De Lauenburgse stenden boden de Pruisische koning Wilhelm I in 1865 de hertogstitel aan, die hij aannam. Hij regeerde het hertogdom in personele unie met Pruisen en benoemde premier Otto von Bismarck tot minister ervan.

Lauenburg trad in 1867 als aparte staat toe tot de Noord-Duitse Bond en in 1871 tot het Duitse Keizerrijk. Op 1 juli 1876 werd het hertogdom formeel bij Pruisen ingelijfd. Sindsdien vormt het als Hertogdom Lauenburg een district, aanvankelijk in de provincie Sleeswijk-Holstein, sinds 1946 in de deelstaat Sleeswijk-Holstein.

Bismarck ontving in 1890 bij zijn ontslag van Wilhelm II de titel hertog van Lauenburg. Deze titel, die hij na een aanvankelijke weigering toch aanvaardde, voerde hij echter nooit.

Hertogen[bewerken]