Alice van Battenberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Alice van Battenberg

Victoria Alice Elizabeth Julia Maria (Windsor Castle, 25 februari 1885Buckingham Palace, 5 december 1969) was (door huwelijk) een Griekse prinses. Zij was de schoonmoeder van de Britse koningin Elizabeth II.

Familie[bewerken]

Zij was het eerste kind van Lodewijk Alexander van Battenberg en prinses Victoria Maria van Hessen-Darmstadt. Haar moeder was de oudste dochter van prinses Alice, de tweede dochter van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Prinses Alice trouwde met prins Andreas van Griekenland, met wie ze vijf kinderen kreeg, waaronder prins Philip, de echtgenoot van de huidige Britse koningin Elizabeth II.

Prinses Alice bracht het grootste deel van haar jeugd door in Londen. Er werd bij haar aangeboren doofheid geconstateerd. Toch was dat voor prinses Alice niet onoverkomelijk; ze leerde liplezen in het Engels, Frans, Duits en later ook in het Grieks.

Huwelijk en gezin[bewerken]

Op 7 oktober 1903 trouwde prinses Alice te Darmstadt met Prins Andreas, de zoon van Koning George I van Griekenland. Omdat het paar verwant was aan verscheidene vorstenhuizen, was bijna heel koninklijk Europa bij elkaar gekomen voor hun bruiloft. Vanaf haar huwelijk droeg prinses Alice de titel ‘Prinses Andreas van Griekenland’.

Het paar kreeg vijf kinderen:

Nadat er in Griekenland in 1922 een staatsgreep had plaatsgevonden, werd Andreas beschuldigd van hoogverraad en gevangengenomen. Na tussenkomst van de Engelse regering werd hij vrijgelaten en ging hij met zijn gezin in ballingschap in Frankrijk, waar ze in de buurt van Parijs gingen wonen.

Verdere levensloop[bewerken]

Prinses Alice, 1907, door Philip Alexius de László.

Prinses Alice kreeg in 1930 een zenuwinzinking, waarna ze in een sanatorium in Zwitserland werd geplaatst. Na haar verblijf in het sanatorium kwam ze nog enkele keren in verschillende inrichtingen terecht.

Tijdens haar verblijf in het sanatorium groeiden prinses Alice en prins Andreas uit elkaar, wat er toe leidde dat ze op verschillende plaatsen in Europa gingen wonen. Prins Andreas vestigde zich in Monaco, waar hij in 1944 ook overleed. Prinses Alice ging in Athene wonen, waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een joods gezin bij haar liet onderduiken, waarvoor ze postuum werd onderscheiden met de titel Rechtvaardige onder de Volkeren.

In 1947 ging prinses Alice naar Engeland om de bruiloft van haar zoon Philip en de Engelse prinses Elizabeth bij te wonen. Vervolgens woonde ze twintig jaar lang in Griekenland, dat werd geregeerd door koning Constantijn II. In 1949 richtte ze een Grieks-orthodoxe kloosterzusterorde op, de Christelijke Zusterschap van Martha en Maria.

Toen de koning in 1967 in vrijwillige ballingschap ging vanwege een nieuwe staatsgreep, werd prinses Alice door haar zoon en schoondochter uitgenodigd om in Engeland te wonen. Dat aanbod nam ze aan. Prinses Alice stierf eind 1969 op 84-jarige leeftijd op Buckingham Palace.

Voor haar heengaan had zij te kennen gegeven in de Maria Magdalenakerk bij Getsemane op de Olijfberg te Jeruzalem te willen worden begraven; in 1988 werden haar stoffelijke resten aldaar bijgezet.