Ambacht (gebiedsnaam)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een ambacht was vroeger een rechtsgebied, een ambtsgebied of vrije heerlijkheid, in Holland, Zeeland of Vlaanderen waar de landsheer een ambtenaar, de zogenaamde ambachtsheer, voor bestuur en rechtspraak had aangesteld. Bijvoorbeeld: Veurne-Ambacht, Vlaardingerambacht, nu een wijk in de gemeente Vlaardingen.

De precieze terminologie verschilde in de verschillende graafschappen en hertogdommen.

Brabant en Vlaanderen[bewerken]

De kasselrij Brugse Vrije was ingedeeld in ambachten. Elk ambacht was op zijn beurt ingedeeld in één of meerdere parochies.

De berijder had op niveau van het ambacht de touwtjes in handen. Hij was een dienstman van de hoogbaljuw, en stond dus in voor de orde-handhaving, en kon daartoe boetes uitdelen en overtreders van de wet voor de rechter brengen. Hij deed beslagnames etc. en werd vaak bijgestaan door officieren.

De amman was een gerechtelijk ambtenaar die op het niveau van het ambacht de dagingen deed voor rechtszaken, daarnaast moest hij nieuwe wetgeving bekendmaken aan de bevolking.

West-Friesland[bewerken]

Onderverdeling van West-Friesland in vier ambachten en de verdeling van ambachten in bannen rond 1750. De bannen waren vergelijkbaar met wat men elders in Holland een ambacht noemde.

In West-Friesland week de betekenis enigszins af: van oudsher was West-Friesland verdeeld in vier ambachten, die beduidend groter waren dan wat in Holland gebruikelijk was en die kennelijk al bestonden voor de definitieve onderwerping door de Hollandse graven. Deze ambachten waren een combinatie van enkele koggen, die ieder weer uit bestonden ongeveer vier bannen. Deze kleinste eenheden kwamen ruwweg overeen met een ambacht in de rest van Holland. De West-Friese ambachten waren geen heerlijkheden. Vanaf de 15e eeuw hadden de ambachten vooral een waterstaatkundige taak als dijkgraafschappen, en ze hebben als zodanig tot ver in de twintigste eeuw bestaan.