Brugse Vrije

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kaart van het Brugse Vrije in 1664, Willem Janszoon Blaeu
De Burg geschilderd in 1672, met op de achtergrond het Landhuis van het Brugse Vrije en de oude Civiele Griffie.

Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen.

Geschiedenis[bewerken]

De oorsprong van de kasselrij van het Brugse Vrije moet gezocht worden in de pagus Flandrensis. Pagi zijn bestuurlijke gebieden uit de Frankische periode die ten oorsprong liggen aan de latere kasselrijen. Het centrum van de kasselrij zal de Brugse burg worden, waar zich vandaag nog steeds, naast het Brugse stadhuis en de Bloedkapel, het Landhuis van het Brugse Vrije bevindt. De leiding van de kasselrij komt in handen een burggraaf: de eerste, Bertulphus de Bruggis, is benoemd door de Vlaamse graaf Boudewijn IV (980-1035). Enkele schepenen, die samen een vierschaar vormen, geven eveneens leiding aan het Brugse Vrije.

Ondertussen ontwikkelt Brugge zich tot een stad. Vanaf 1127 bewandelen de stad Brugge en het omringende platteland gescheiden wegen.

In de eerste helft van de 11de eeuw wordt de nieuwe kasselrij geconfronteerd met de Duinkerke-IIIA-transgressie, waardoor heel wat gebieden ten prooi vallen aan het water. Pas op het einde van de eeuw zouden de verloren gebieden opnieuw bruikbaar worden. Sommige historici betwisten de theorie van de transgressie, maar vaststaat dat omstreeks de 12de eeuw het Brugse Vrije door landwinning (inpoldering en drooglegging) opnieuw een groter gebied gaat bestrijken.

De veranderende situatie noopt ook het bestuur tot aanpassing. Het bestuur wordt meer lokaal: er ontstaan nu acht vierscharen. Midden de 13de eeuw streeft men echter opnieuw een grotere centralisatie na: alle schepenbanken worden weer samengebracht in één grote vierschaar. Een eerder ontstaan onderverdeling van het Vrije in drie gebieden – West-, Oost- en Noordvrije – blijft bestaan, maar zonder bestuurlijke implicaties. Nog in de 13de eeuw verdwijnt het ambt van burggraaf. De burggraaf wordt vervangen door een baljuw, waarover de graaf een groter gezag kan uitoefenen.

In de volgende 14de eeuw wordt de kasselrij van het Vrije een politiek en economisch een te duchten factor. Als enige plattelandskasselrij vervoegt het Brugse Vrije de grote Vlaamse steden Ieper, Brugge en Gent in de Vier Leden van Vlaanderen. Enkele malen heeft de stad Brugge getracht om het Vrije te controleren, maar het stadsbestuur botst op de steun van de vorst (die de macht van de steden wil beperken) voor de kasselrij.

Ten gevolge van de Opstand der Nederlanden zal het noorden van de Nederlanden zich afscheiden om de Republiek der Verenigde Nederlanden te gaan vormen. Op die manier verliest het Brugse Vrije vanaf het einde van de 16de, begin 17de eeuw heel wat gebieden in het huidige Zeeuws-Vlaanderen. Het Brugse Vrije houdt zelf stand tot het einde van de 18de eeuw, wanneer de Franse overheersing in 1795 een einde maakt aan de feodaliteit. Daarmee komt een eind aan de grootste kasselrij van het graafschap Vlaanderen.

Organisatie[bewerken]

Uitgezonderd van enkele steden-enclaves met eigen bestuur (bijvoorbeeld Torhout, Sluis, Hoeke, Gistel, Nieuwpoort ...) is de kasselrij van het Brugse Vrije opgebouwd uit drie delen: het platteland, de appendanten en de contribuanten. Deze drie onderdelen van het Vrije kennen allen een verschillend statuut wat fiscaliteit en rechtspraak betreft. Het bindmiddel tussen al deze onderverdelingen is het zogenaamde Transport: de belastingen. Het Vrije betaalt immers als één geheel belastingen aan het graafschap Vlaanderen.

Het echte Vrije of het platteland[bewerken]

Het eigenlijke Brugse Vrije bestaat uit een gebied achter de duinen van ongeveer 10 tot 15 kilometer breed. Deze gebieden zijn onderverdeeld in drie kwartieren (west, oost en noord) die elk beschikken over een eigen schepenbank. Desalniettemin het platteland eigenlijk rechtstreeks bestuurd door de schepenen en magistraat van het Vrije.

Aanvankelijk gaat het om 35 ambachten (een gebied bestaande uit meerdere parochies). In de 18de eeuw zijn er van die 35 ambachten nog 14 overgebleven.

Appendanten[bewerken]

De appendanten waren dertig heerlijkheden een eigen schepenbank bezaten. Deze waren echter niet bevoegd voor hoge rechtspraak. Tevens hingen deze heerlijkheden af van het Vrije wat betreft de algemene belasting. De dertig heerlijkheden lagen verspreid over het ganse platteland. Het gaat om:

Het Landhuis van Brugse Vrije in de 17e eeuw.
De gebouwen van het Brugse Vrije op de Burg; Links: het 18e-eeuwse, classicistische gedeelte van het vroegere Landhuis van het Brugse Vrije.Rechts: de oude Civiele Griffie (gebouwd: 1534-1537).
De 16e-eeuwse achtergevel van het Landhuis aan de Groenerei.

De contribuanten[bewerken]

De contribuanten zijn zeven heerlijkheden die geheel onafhankelijk zijn van het Vrije wat betreft rechtspraak. Dit betekent dat ze zowel hoge als lage rechtsmacht bezitten. Tevens geldt de schepenbank van het Vrije voor deze heerlijkheden niet als hoger beroepshof maar richten zij zich direct tot de Raad van Vlaanderen. Alleen op het gebied van algemene belasting zijn ze ondergeschikt aan het Vrije. De zeven heerlijkheden zijn:

Het Landhuis van het Brugse Vrije te Brugge[bewerken]

Het bestuur van het Brugse Vrije was gevestigd aan de Burg, het plein waar zowel de burgerlijke als de geestelijke besturen aanwezig waren. Aanvankelijk zetelde het Vrije naast het Steen, aan de Westkant van de Burg. In de 15e eeuw verhuisde het Vrije naar de overzijde, waar het een gedeelte van de voormalige grafelijke Love kon innemen. De Bourgondische hertogen verplaatsen immers de grafelijke residentie naar het nieuwgebouwde Prinsenhof. In 1434-1440 bouwde het Vrije een vierschaar bij aan de zuidzijde richting Groenerei. In 1520-1525 werd het complex uitgebreid tot aan de rei met een nieuwe grote vierschaar, de schepenkamer en een vertrekkamer. De bouwmeester was Jan van de Poele. Aan de Burgzijde werd in 1528-1532 een galerij met rondbogen opgetrokken (vandaar de naam Love). Naast de schepenkamer kwam in 1606-1607 nog een kapel en een wezenkamer in 1664-1666. Daardoor kwam de nog bestaande gevelrij tot stand, kant Groenerei. Uiteindelijk werd het gedeelte van het Landhuis dat zichtbaar is op de Burg en door de aankoop van de Love in 1555 aanzienlijk was vergroot, in 1722-1727 verbouwd in de classicistische stijl naar een ontwerp van Jan Verkruys.

Het intussen geklasseerde (1938) gebouw bestaat nog altijd in die vorm en deed van 1795 tot 1984 dienst als gerechtsgebouw. Nu heeft in het gebouw op de Burg het Stadsarchief zijn thuis gevonden, waarbij de leeszaal in de kapel is gevestigd. Naast de oude assisenzaal ligt de renaissancezaal. In deze voormalige schepenkamer van het oude paleis van het Brugse Vrije bevindt zich de monumentale 16e-eeuwse Keizer-Karel-schouw, in eikenhout, marmer en albast, ontworpen door Lanceloot Blondeel.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Eric Huys, “Kasselrij van het Brugse Vrije (ca. 1000-1795)”, Walter Prevenier en Beatrijs Augustyn red., De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795, Brussel: Algemeen Rijksarchief, 1997, 461-478.
  • J. De Smet, Het bestuur van het Graafschap Vlaanderen. Het Brugsche Vrije, de feodaliteit, de adel, Brugge: Gidsenbond, 1941 (tweede uitgave), 8-11.