Donald Regan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Donald Thomas Regan.jpg

Donald Thomas Regan (Cambridge (Massachusetts), 21 december 1918Williamsburg (Virginia), 10 juni 2003) was de 66e minister van Financiën van 1981 tot 1985 en stafchef van 1985 tot 1987 onder president Ronald Reagan, en raakte samen met hem gewond tijdens de aanslag in 1980.

Regan studeerde aan de Universiteit van Harvard behaalde daar een bachelor in Engels. Hij ging verder aan de rechten-faculteit, maar stopte daar na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog mee. Hij nam dienst bij het United States Marine Corps en bracht het tot de rank van luitenant-kolonel en was actief in de Pacific bij belangrijke militaire campagnes op onder andere Guadalcanal en Okinawa.

Na de oorlog ging hij werken bij Merrill Lynch & Co. Inc. en bracht het daar in 1971 tot CEO. In dat jaar ging de bank naar de beurs. Hij bleef tot 1980 in deze functie. Hij was een groot voorstander ervan dat financiële instellingen naar de beurs gingen. Regan was er voor voorstander van dat de minimumtarieven die brokers en dealers aan hun klanten in rekening moesten brengen verdwenen. Het ontnam de mogelijkheid tot concurrentie en vond dat het een kartel-achtige beperking. In 1975 verdwenen deze gedwongen tarieven.

President Ronald Reagan vroeg Regan in 1981 als zijn minister van Financiën. Hij zou uitvoering moeten geven aan diens economische beleid, aangeduid als Reaganomics. Hij hielp bij belastinghervormingen waardoor de inkomensbelasting werd verlaagd, en de belasting voor bedrijven. In 1985 werd Regan vrij onverwacht stafchef van Reagan. Hij volgde James Baker op. Regan stapte zelf in 1987 vanwege zijn betrokkenheid bij de Iran-Contra Affaire en het feit dat hij veelvuldig overhoop lag met First Lady Nancy Reagan. In zijn biografie For the Record: From Wall Street to Washington schreef hij uitgebreid over hun conflicten, en claimde hij dat de inzichten van de persoonlijke astroloog van Nancy Reagan ook invloed hadden op de president.

Na zijn aftreden ging hij in Virginia rustig met pensioen. Met zijn vrouw Ann Buchanan Regan had hij vier kinderen. De latere jaren van zijn leven besteedde hij veel tijd aan schilderen. Sommige van zijn schilderijen werden voor duizenden dollars verkocht en hangen in museum. In 2003 overleed hij in een ziekenhuis in Williamsburg als gevolg van hartproblemen.