Frederick Coyett
| Frederick Coyett | ||||
| Borstbeeld van Frederick Coyett. | ||||
| Algemene informatie | ||||
| Geboren | 1615 of 1620, Zweden | |||
| Overleden | 17 oktober 1687, Amsterdam | |||
| Carrière | ||||
| 1656-1662 | VOC-gouverneur Nederlands-Formosa | |||
| Overige informatie | ||||
| Veldslagen | Slag om Fort Zeelandia | |||
|
||||
Frederick Coyett, Coignet of Coijet (Stockholm?, 1615 of 1620[1] - Amsterdam, 17 oktober 1687) is bekend geworden als de eerste Zweed die naar Japan en China reisde en als de laatste gouverneur van Nederlands Formosa. Coyet begon zijn carrière in 1643 als opperkoopman van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), was twee keer opperhoofd op Dejima en vervolgens gouverneur van Formosa. Nadat hij het eiland had uitgeleverd aan Koxinga werd hij gevangengenomen en van hoogverraad beschuldigd. Hij werd op 11 juli 1665 ter dood veroordeeld, maar het vonnis werd niet uitgevoerd en werd verbannen naar een van de meest afgelegen oorden op de Banda-eilanden. De Chinese bezetting van het eiland door Koxinga zou de geschiedenis van het eiland diepgaand beïnvloeden.
Inhoud |
Biografie [bewerken]
Coyett was de zoon van Julius of Gillis Coyett, een muntmeester, en Catharina von Steinberg, de dochter van een koopman uit Stockholm.[2] Zijn vader vertrok in 1629 naar Moskou en stierf er in het jaar 1634.[3] [4] Zijn broer Peter Julius Coyett studeerde aan het Athenaeum Illustre en rechten in Leiden. Hij werd een vooraanstaande Zweedse diplomaat [5] en stierf tijdens de onderhandelingen bij de Vrede van Breda. Otto Coyett, een andere broer, had een glasblazerij in Moskou.[6]
In 1643 trad Frederick Coyett in dienst als opperkoopman van de VOC. In 1644 was hij lid van de Raad van Justitie in Batavia. In juni 1645 trouwde Coyett met Susanna Boudaens of Boudaen.[7] Door zijn huwelijk werd Coyett een zwager van François Caron, de gouverneur op Nederlands Formosa.[8]
Dejima [bewerken]
In 1643 waren tien leden van de bemanning van het schip de Breskens, waaronder de schipper Hendrick Cornelisz. Schaep door de Japanners van boord gelokt, gevangengenomen en naar Edo vervoerd. Een half jaar later kwamen de mannen weer vrij, toen Johan van Elseracq beloofde dat er een gezant langs zou komen om excuses aan te bieden. In het kader van de Nambu-affaire moest Coyett zich bemoeien met een oplossing. Hij reisde direct na zijn aankomst op 4 november 1647 naar Edo, maar werd niet ontvangen omdat hij volgens de Japanners niet de juiste papieren zou hebben. Hij is op 16 januari 1648 met al zijn geschenken teruggestuurd naar Nagasaki. De shogun was namelijk ontstemd over het uitblijven van een ambassadeur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
De gouverneur-generaal Cornelis van der Lijn en François Caron bedachten een diplomatieke charade: in 1649 stuurden zij "uit erkentelijkheid" een doodzieke jurist, de 50-jarige Peter Blokhovius, vergezeld van planken voor een lijkkist naar Japan als "ambassadeur".[9] Caron gaf duidelijke instructies wat ze moesten doen als hij naar verwachting onderweg zou sterven.[10] De nieuwe rector werd postuum tot doctor in de rechten bevorderd en naar Edo getransporteerd. Het shogunaat bemerkte tot zijn opluchting dat deze gezant, gezouten en wel, in Nagasaki werd afgeleverd, geen persoonlijke brief van de Prins van Oranje bij zich had. De shogun concludeerde dat het hier ‘de dood van een handelsreiziger’ betrof.[11] Dirck Snoucq, het nieuwe opperhoofd, probeerde de fictie in stand houden dat de gezant speciaal voor het bezoek aan Japan uit de republiek was gekomen. De shogun vertrouwde het niet, maar kon niets bewijzen.
Formosa [bewerken]
In 1656 werd Coyett in Formosa benoemd als gouverneur. Het was duidelijk dat Coxinga ooit het eiland zou aanvallen, als hij in het nauw gedreven zou worden gedreven op het vasteland. In maart 1661 staken drie Chinese vloten, bestaande uit mogelijk 1.000 schepen onder leiding van Koxinga de Gele Zee over en positioneerden zich strategisch voor de westkust van het eiland. Daarna gingen 25.000 man aan land. De stad Anping werd ontruimd en de huizen in brand gestoken toen het Fort Zeelandia begin mei werd omsloten door de Chinezen.
De Chinezen wisten met 28 kanonnen een bres te slaan in de muur van het fort Zeelandia. Binnen de muren stierf het volk aan waterzucht, buikloop en scheurbuik. De kerk en de pakhuizen lagen vol zieken en gewonden. Vanwege een gebrek aan voedsel en drinkwater gaf Coyett zich op 10 februari 1662 over na een belegering van negen maanden. Vanwege het verlies van Taiwan en 1.600 man werd hij bij aankomst in Batavia opgesloten [12] Het verlies van een waardevolle lading werd hem zeer kwalijk werd genomen. Hij werd na drie jaar gevangenschap berecht.[13] Coyett werd van hoogverraad beschuldigd en is op 11 juni 1665 ter dood veroordeeld. Op het schavot zwaaide het zwaard over zijn hoofd. Coyett kreeg te horen dat hij werd verbannen naar het meest oostelijke eiland van de archipel Rosengain, een van de Banda-eilanden.[14]
In 1674 werd hij op verzoek van zijn kinderen en vrienden en op voorspraak van stadhouder Willem III vrijgelaten. In 1675 publiceerde hij waarschijnlijk onder pseudoniem C.E.S. " 't Verwaerloosde Formosa, of Waerachtig verhael, hoedanigh door verwaerloosinge der Nederlanders in Oost-Indien, het eylant Formosa, van den Chinesen Mandorijn, ende zeeroover Coxinja, overrompelt, vermeestert, ende ontweldight is geworden".[15] In dit boek beschuldigde hij de VOC van onwetendheid en nalatigheid omdat zij geen hulp had gestuurd toen Fort Zeelandia werd belegerd.
Coyett kocht in juni 1684 een (nieuwbouw)grachtenpand aan de Keizersgracht 458 te Amsterdam, op het terrein waar tot 1680 Pieter en François Hemony hun klokkengieterij hadden gehad. Hij ligt begraven in de Westerkerk.
Balthasar Coyett [bewerken]
Zijn zoon Balthasar reisde in het gezelschap van Coenraad van Klenck naar Rusland. Van Klenck gold als Ruslandkenner en kreeg het verzoek om naar tsaar Aleksej van Rusland te reizen. In zijn gevolg van 53 personen bevonden zich Adam Bessels, de schoonzoon van Gerard Reynst en Balthasar Coyett, die volgens de meeste bronnen het opmerkelijke verslag schreef.[16] Aan boord hadden zij drie koetsen en 28 paarden.[17] De reis van Archangelsk naar Moscovië over de rivier Vologda duurde drie maanden vanwege de vorst en de voorbereidingen voor een ontvangst.[18] Hij werd gouverneur op Ambon, zijn kleinzoon Frederick Julius was opperkoopman bij de VOC en in 1733 gezant naar Bantam.
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Voorganger: Willem Verstegen |
Opperhoofd in Dejima 1647-1648 |
Opvolger: Dirck Snoucq |
| Voorganger: Adriaen van der Burgh |
Opperhoofd in Dejima 1652-1653 |
Opvolger: Gabriel Happart |