Hendrik Chabot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De voetballer (1937), Rotterdam

Henk Chabot, doopnaam Hendrikus, door niet-intimi in geschreven taal ook wel Hendrik genoemd, (Sprang-Capelle, 2 augustus 1894Rotterdam, 2 mei 1949) was een Nederlandse kunstschilder en beeldhouwer.

Als kind verhuisde hij in 1906 met zijn ouders naar Rotterdam. Voor de oorlog exposeerde hij regelmatig bij Carel van Lier in diens Kunstzaal Van Lier in Amsterdam. De laatste jaren voor de oorlog en kort daarna was hij min of meer het boegbeeld van de Nederlandse beeldende kunst. Chabot wordt gezien als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het expressionisme in Nederland. Zijn bekendste werk is waarschijnlijk De brand van Rotterdam.

Biografische gegevens[bewerken]

1894: 2 augustus, geboren te Sprang in Noord-Brabant.

1906: Met zijn ouders naar Rotterdam. Werkzaam als leerling-decorateur.

1908-19: Volgt de avondcursus aan de Rotterdamse Academie. Lessen van onder anderen Antoon Derkzen van Angeren (etsen).

1915: Begin van zijn werkzaamheid als restaurateur (tot 1940).

1916: Eerste eigen atelier op de Zuidblaak, kort daarna in de Wijnstraat.

1921 en ’22: Reizen naar Duitsland en Oostenrijk. Bezoekt de musea van onder andere Dresden, München en Wenen.

1922: Eerste sculpturen. Aansluiting bij de rond 1915 en in 1926 opgeheven kunstenaarsgroep de Branding waaraan onder anderen ook verbonden waren: L. van Kuyk, G. Ladage, T. Gits, B. Canter, J. Tielens, G. Rober, H. Bieling, M. en R. Richters, P. Begeer en L. Bolle.

1927: Huwelijk met Antonia Tolenaars.

1930: Het schilderen krijgt de overhand op het beeldhouwen: onderwerpen ontleend aan het Rotterdamse stads- en havenleven.

1933: Verblijf in Vrouwenpolder in Zeeland. Eerste ontmoeting met Charley Toorop. Nieuwe onderwerpen: de zee, boeren, paarden en koeien. Sluit zich aan bij de kunstenaarsgroep R 33 (opgeheven in 1940).

1933-40: Jaarlijkse tentoonstellingen bij de kunsthandelaar Carel van Lier aan het Rokin te Amsterdam (uitgezonderd 1935)

1934: Vestigt zich aan de Rotte in Bergschenhoek nabij Rotterdam. Het meeste werk blijft opgeslagen in de bergruimte van het atelier aan de Wijnstraat, waar zijn broer Wim is blijven werken. Als Wim in 1936 z'n atelier naar de Wijnhaven verhuist, verhuist het opgeslagen werk van Henk mee.

1935-40: Nieuwe onderwerpen: tuinders, tuinderijen en figuren en interieurs.

1937: Onthulling van ‘De Voetballer’, groot beeld in beton (Feijenoordstadion). Opdracht voor een schilderij in de kapiteinshut van de Nieuw Amsterdam van de Holland-Amerika Lijn: Chabot huurt hiervoor een ruimer atelier en schildert een groot landschap.

1938: Na dit jaar nauwelijks nog gebeeldhouwd.

1940: 14 mei, Duitse bommen verwoesten het inmiddels naar de Wijnhaven verhuisde atelier van Wim, waarheen het opgeslagen werk van Henk meeverhuisde.

1943: Reeks schilderijen op het thema ‘vlucht’: hoogtepunt van de werken die betrekking hebben op de oorlog. Donker palet.

1944-49: Het palet wordt in snel tempo lichter. Nieuwe thema’s onder meer: dubbele en afzonderlijke koppen (fysionomie van de lach) en in ’48 variaties op het motief ‘moeder met kind’.

1949: 2 mei overleden te Rotterdam.

Periodisering landschappen[bewerken]

  • 1926-30: De eerste landschappen dateren van na Chabots strakke, wel als kubistisch betitelde periode in de jaren 1924-’25. Ze ontstaan gelijktijdig met de gladde, sensuele sculpturen en schilderijen uit deze tijd, maar lijken daar door hun forse opzet toch van te verschillen. Overigens kunnen we ons alleen uit de achtergrond van het schilderij ‘huiswaarts kerende boeren’ uit 1926 een indruk van deze landschappen vormen. Vermoedelijk zijn de werken die we van de reproducties kennen vernietigd bij het bombardement van Rotterdam.
  • 1931-32: Uit deze jaren zij twee winterlandschappen in een grove, schetsmatige trant bewaard gebleven, maar tevens een subtiel tekenachtig werk, ‘Honingerdijk’, in krijt en zeer dun opgebrachte temperaverf, dat wel de techniek en de vlekkerige, ronde vormen betreft aansluit bij figuurstukken uit dezelfde periode.
  • 1933-34: Het verblijf in Zeeland brengt een ingrijpende verandering in werkwijze met zich mee. In de landschappen, overwegend zeeën trouwens, worden de grillige patronen van de voorgaande jaren gecombineerd met een extreem pasteuze schildertechniek, waardoor een uniek soort materieschilderkunst ontstaat. Aardekleuren, ultramarijn, schuimend wit.
  • 1935-37: Chabot werkt nu aan de Rotte. De eerste schilderijen van tuinders ontstaan. Opnieuw een transformatie in het werk. De vormen verstrakken, de verf wordt karig en betrekkelijk egaal aangewend, het palet verschraalt tot zwart- en grijstonen, geel en geelgroen. Polders. Voor het eerst verschijnt de hoekige structuur die typerend blijft voor het hele vervolg. De horizon snijdt als een mes door het landschap. Harde winters, de barste en grimmigste van Chabots hand. Daarnaast zomers, het grote landschap, in opdracht geschilderd voor het schip de Nieuw Amsterdam (Holland Amerika Lijn), waarin een warm geel overheerst en de wolkenketens een zelfstandig landschap vormen.
  • 1938: De kleuren worden rijker, de toets zwaarder. De zomers vertonen een scala van gelen, rozes en blauwen. De gedaanten van de wolken worden gecompliceerd en spookachtig, de lucht verdubbelt zich tot twee verdiepingen, een tapijt van in elkaar grijpende figuren. Het wit wordt weer belangrijk. Bovendien een serie zeeën in kleiner formaat.
  • 1939-40: Kouder licht – zwavelgeel, wit – dringt op; tekenachtiger, definiërende manier.
  • 1940-41: Twee zomers met grote menierode luchten.
  • 1942-43: De kleur verduistert maar handhaaft zich in een sobere tonaliteit van donkerblond, oker, groen en ossenbloed. De luchten, geheel door wolken bezet, concentreren zich in compacte formaties die uitgehouwen of gesabeld aandoen. De op het Brabantse landschap geïnspireerde zomers en herfsten tonen een ongelijker terrein dan gewoonlijk in de landschappen. Het ruige verfoppervlak lijkt op oud leer. In 1943 ontstaan magistrale winter, zeer vuil van kleur. Dit is het jaar van de vluchtelingen.
  • 1944-45: De inundaties. De kleur licht op, van nu af zal dit telkens weer en steeds intenser gebeuren. Rozeroden in het grote landschap uit 1945.
  • 1946-47: Maanlandschappen. De nacht als fond en kader van het licht. In 1946 een radicale facettering van de verfspiegel: wat acht jaar eerder gebeurde in het patroon van het schilderij, vindt nu plaats in het reliëf.
  • 1948-49: De lentes, lichter dan ooit, fluorescerend, rood, wit. Vereenvoudigde structuur, vlijmend hoekig, tot aan houtsnede-effecten in de winters. De nacht verdwijnt achter een rag van licht, een glacis van onverdunde verf die het doek maar nauwelijks heeft geraakt. De illusie compleet.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Kees Vollemans / Maarten Beks (1989), ‘Henk Chabot, concerterende landschappen’, Waanders Uitgevers.
    De biografische gegevens zijn op een klein onderdeel aangepast.