Invasie van Sumatra in 1942
| Japanse invasie op Sumatra in 1942 | ||||
| Onderdeel van Azië in de Tweede Wereldoorlog | ||||
Vernietiging van Oosthaven. |
||||
| Datum | 14 februari - 28 maart 1942 | |||
| Locatie | Sumatra, Nederlands-Indië | |||
| Resultaat | Japanse overwinning | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
|
||||
| Commandanten | ||||
|
|
||||
|
||||
De Invasie van Sumatra in 1942 door troepen van het Japanse Keizerrijk vond plaats tussen 14 februari en 28 maart 1942. Deze invasie was onderdeel van de oorlog in Zuidoost-Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog en leidde uiteindelijk tot de capitulatie van Sumatra. De bedoeling was dat Sumatra eerder veroverd werd dan Java zodat de westelijke flank van de geallieerde verdedigingslinie vernietigd kon worden en men toegang kreeg tot Java.
Inhoud |
Inleiding [bewerken]
Toen de Japanse troepen Malakka veroverden begonnen de geallieerden hun troepen in december 1941 te verplaatsen naar Sumatra. Britse en Australische bommenwerpers werden naar gebieden in het zuiden van het eiland gebracht en een troep van 3.400 Australische manschappen werd eveneens daarheen gezonden. Tijdens een gezamenlijke conferentie op 24 december vroeg Nederland om hulp voor de verdediging van Java en Sumatra. Te Sebang werden plannen gemaakt om in Medan en Pekanbaru ondersteunende bases aan te leggen; deze plannen werden echter herzien op 27 december, toen de vliegvelden P1 (Pangkalanbenteng) en P2 (Praboemoelih) werden aangewezen als geschikte locaties voor het het hoofdkwartier voor verdere acties. P2 was tot dan toe niet bekend bij de Japanse vliegtuigen. Omdat de vliegvelden in een slechte staat verkeerden kon de operatie pas op 31 december beginnen, terwijl het beschikbare grondpersoneel pas in de loop van januari aankwam. Een ander vliegveld, te Oosthaven, werd opgebouwd (tegenwoordig Bandar Lampung). Er werd ook begonnen met de wegen te verbeteren te Medan en Pekanbaru. Een tekort aan afweergeschut werd opgelost door de invoering van zes zware en zes lichte Bofors luchtafweergeschut op de Palembangse vliegvelden. Nog eens acht stukken luchtafweergeschut werden geplaatst bij de raffinaderijen. Er was echter een tekort aan munitie omdat de transportschepen waren getroffen door Japans geschut.
Operatie L [bewerken]
De eerste Japanse luchtaanval kwam op 6 februari en trof vliegveld P1 te Palembang. De geallieerden verloren twee Bristol Blenheimtoestellen en vier Hawker Hurricanetoestellen. Twee andere Hurricanes werden zwaar beschadigd. Twee Brewster 339's werden op de grond door de bombardementen verwoest. Tijdens de aanval wisten de geallieerden slechts één Japanse Nakajima Ki-43 neer te schieten. De geallieerden begonnen nu met tegenaanvallen tegen de Japanse linies op Malakka en verschaften luchtsteun aan vluchtelingentransporten van Singapore. Voor operatie L had het Japanse leger de 229ste infanteriedivisie van de 38ste divisie van Hong Kong naar Cam Ranh Bay in Indochina getransporteerd. Van daar vertrokken acht transporten op 9 februari 1942. Beschermd door een kruiser vertrokken 4 torpedobootjagers, vijf mijnenvegers en twee onderzeebootjagers onder commando van viceadmiraal Shintarō Hashimoto om Banka en Palembang te veroveren. De volgende dag volgde viceadmiraal Jisaburō Ozawa met de westelijke vloot, bestaande uit het vlaggenschip Chō en met vijf andere kruisers en drie torpedobootjagers en een luchtafweergeschutgroep onder commando van viceadmiraal Kakuji Kakuta met het vliegdekschip Ryujo en een torpedobootjager. De rest van de invasiemacht volgde op 11 februari in 13 transporten, die begeleid werden door een kruiser, een fregat, vier torpedobootjagers en een onderzeebootjager.
De Nederlandse tanker Manvantara werd op 13 februari 1942 in de Javazee tot zinken gebracht door Japanse bommenwerpers. Vier Nederlandse duikboten lagen te wachten bij de Anambaseilanden maar konden de Japanse vloot niet bereiken. De vrachtschepen, die vluchtelingen vervoerden, en in de richting van Java en Singapore gingen, werden aangevallen door Japanse vliegtuigen van de Ryujo.Ook de Britse lichte kruizer HMS Durban raakte door aanvallen beschadigd en moest derhalve terugkeren naar Colombo. De Japanners vielen intussen steeds weer aan met vliegtuigen afkomstig van de Ryujo en met bommenwerpers die hun basis aan land hadden. Twee geallieerde tankers, een stoomboot en vele kleinere schepen werden tot zinken gebracht; een andere tanker en twee transportschepen werden ernstig beschadigd.
Om 8 uur in de morgen van de 14de februari werd er gewaarschuwd voor grootscheepse Japanse luchtaanvallen op Palembang; alle beschikbare geallieerde troepen waren op dat moment in actie om de konvooien op zee te beschermen en waren niet binnen radiografisch bereik. Allereerst gooiden de Japanse bommenwerpers hun lading op vliegveld P1 en vervolgens deden gevechtsvliegtuigen die daar achteraan kwamen dit werk nog eens over. Niet lang daarna landden 260 Japanse parachutisten van de eerste Japanse Luchtmobiele Divisie op P1. Zij waren afkomstig van het veroverde vliegveld van Kahang (Malakka). De tweede golf bestond uit 100 parachutisten afkomstig uit Kluang en landde een paar kilometer ten westen van P1 bij de raffinaderij. Voor de verdediging waren slechts 150 man van de luchtafweergeschutschafdeling, 110 Nederlandse soldaten en 75 man Brits grondpersoneel beschikbaar. Terwijl de Japanners auto's opstapelden om verkeersblokkades aan te leggen braken er vuurgevechten uit tussen de Japanners en de verdedigers van het vliegveld; het gelukte enkele vliegtuigen hierdoor benzine te tanken en direct door te vliegen naar P2. Het geallieerde hoofdkwartier vertrok ook naar dit vliegveld nadat men het nieuws over de raffinaderij en Palembang te horen had gekregen. In de namiddag kwam het weer tot een treffen. De Britse troepen hielden nog steeds het vliegveld bezet maar hadden tekort aan munitie en werden gehinderd door de opgeworpen blokkades. Na foute rapporten over nog meer parachutisten-landingen op ongeveer 25 kilometer afstand besloot de Britse commandant H. G. Maguire het vliegveld en de stad te evacueren. De volgende dag landden nog eens 100 Japanse parachutisten bij de raffinaderij. Na een gewelddadige strijd, die de gehele dag duurde, dwongen de verdedigers de Japanners terug maar de raffinaderij was toen al zwaar beschadigd door geweervuur en stond in brand. Omringende gebouwen waren zwaar beschadigd.
Intussen was de vloot onder viceadmiraal Ozawa naar het noorden van Banka gevaren om een bescherming te vormen voor de Japanse landingen, die spoedig daarna plaatsvond. De voorhoede ging aan land bij Banka terwijl het grootste gedeelte der troepen nabij Palembang bij de monding van de Musi landde en via de rivier naar de stad trok. Er was geen verdediging bij de monding omdat Nederland had gedacht dat die onbruikbaar was tegen het artillerievuur van de schepen.
Omstreeks deze tijd bespeurden Japanse verkenningsvliegtuigen de troepen der ABDA onder viceadmiraal Karel Doorman op de Gasperstrasse (noordelijke route). Op bevel van Wavell had Doorman de vloot bijeen gekregen ten zuiden van Bali; deze bestond uit de kruisers De Ruyter, de Java en de Tromp, de Engelse kruiser Exeter en de Australische lichte kruizer Hobart met tien pantserdekschepen. Hij vertrok op 14 februari met de vloot in de richting van Sumatra maar bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen afkomstig vanaf de Ryūjō en van Malakka vielen de ABDA-vloot aan in de middag van de dag erop en dat maakte dat Doorman zijn vloot naar het zuiden terugtrok.
De invasievloot te Banka was eveneens gezien door geallieerde verkenningsvliegtuigen, die afkomstig waren van P2. In de vroege morgen stegen 22 Hurricanes, 35 Blenheims en 3 Hudsons op om de schepen aan te vallen maar ze raakten verzeild in hevige gevechten met Japanse gevechtsvliegtuigen. Inmiddels was op P2 bekend geworden dat Japanse parachutisten waren geland op P1. De commandant begon voorbereidingen te treffen voor evacuatie maar toen het nieuws kwam dat P1 niet in handen van de vijand was gevallen werden de teruggekeerde vliegtuigen klaargemaakt voor een nieuwe aanval. In de morgennevel deden geallieerde vliegtuigen hevige aanvallen op de Japanse, die net aan de landing begonnen waren aan de monding van de Musi. Deze trokken zich spoedig terug waardoor de geallieerde vliegtuigen de Japanse troepen goed konden raken. Twintig landingsboten zonken en daarnaast werden honderden Japanners gedood. Het laatste succes dat door de geallieerde troepen behaald werd was de bestoking door Hurricanes van de niet beschermde werklieden op de zuidwestkust van Banka.
Intussen had de Nederlandse commandant order gegeven voor de vernietiging van de olie- en rubbervelden. Ook gaf hij bevel de schepen op de Musi binnen het uur te vernietigen zodat ze niet door de Japanners gebruikt konden worden. De verdedigers van P1 werd gesommeerd zich zo snel als mogelijk was terug te trekken. In de nacht van de 15de februari bereikten de Japanse troepen, die niet vernietigd waren bij de monding van de Musi, Palembang, bevrijdden de parachutisten bij P1 en namen de raffinaderij in bezit.
Maarschalk Wavell was de opperbevelhebber van de ABDA-troepen. In de morgen van de 15de februari regelde hij een geregelde inscheping van de troepen in Oosthaven, waar verschillende kleine schepen in de haven lagen. Aldaar werden 2.500 Engelse RAFleden, 1.890 Britse infanteristen, 700 Nederlandse soldaten en ongeveer 1.000 burgers op de 17de februari geëvacueerd in 12 schepen. De Australische korvet Birnie dekte de terugtocht en vernietigde de havenfaciliteiten en olietanks. Een klein stoomschip bleef nog wat langer in de haven om eventuele nakomers op te pikken. Intussen hadden de Japanse troepen Palembang ingenomen en de olieraffinaderijen vernietigd. Kleine transportschepen stoomden de rivier op naar Menggala. Alle nog resterende geallieerde vliegtuigen vlogen de 16de februari terug naar geallieerd gebied. De staf van de vliegvelden vertrok over zee naar India. Omdat de Japanners voorlopig nog niet naar Oosthaven optrokken ging een troepenmacht daar op 20 februari aan wal om vliegtuigonderdelen op te halen en de infrastructuur verder te vernietigen.
Operatie T [bewerken]
De geallieerde troepen die nog op Sumatra waren, voornamelijk manschappen van het Indische leger, trokken zich terug naar de centrale en noordelijke provincies; Nederland wilde van daaruit Palembang heroveren en de Japanners van Sumatra verdrijven. De Japanse troepen echter, 750 gemotoriseerde en bewapende manschappen, trokken tegen het Indische leger op. Dat bestond, onder commando van majoor C.F. Hazenberg, slechts uit 350 man, verdeeld in 2 compagnieën. Ze waren slecht bewapend en in slechte toestand, waardoor de Japanse troepen snel konden avanceren. Ze werden echter op 2 maart te Moearatebo opgehouden, waardoor Nederlandse troepen uit Padang Panjang in staat waren verder op te rukken. Officieren van het Indische leger hadden nu even tijd aanvullende troepen uit de provincie op te roepen om zodoende de zich terugtrekkende legers beter te kunnen beschermen in de flanken.
Tussen 3 en 7 maart ontstonden diverse hevige vuurgevechten toen de Japanners de door regenval gezwollen rivieren trachtten over te steken. Nederlandse spionnen keerden terug met verhalen over vele gesneuvelde vijanden en ook met het verhaal dat de vijand nog maar 200 man telde. Bemoedigd door deze berichten besloot majoor Hazenberg een tegenaanval te doen in de nacht van 8 op 9 maart 1942. Men deed al voorbereidingen hiertoe toen op de 8ste maart het bericht werd vernomen dat Java gevallen was en dat alle offensieve daden moesten worden beëindigd. Sumatra was namelijk afhankelijk van leveranties van Java en er was besloten een defensieve koers te gaan varen. West-Sumatra moest worden overgegeven aan de Japanners en op een klein stukje van het noorden van Sumatra moest zo lang worden stand gehouden tot een evacuatie over zee mogelijk zou zijn.
Tijdens het terugtrekken werden door het Indische leger alle olievelden en havenfaciliteiten vernietigd. Men trok vervolgens terug in verdedigingsposities op de zuidelijke ingang van de Alice-vallei, waar men de bedoeling had de Japanners zo lang als mogelijk was te bestoken; men besloot aldus tot de guerrillaoorlog. Dat gelukte niet of nauwelijks omdat de bevolking van Sumatra de Nederlandse posities aan de Japanners overbracht.
Operatie T begon op 28 februari toen 27 transporten met 2.2000 soldaten van de Keizerlijke Garde van Singapore vertrokken. Zij waren gesplitst in vier konvooien en werden begeleid door drie kruisers, tien pantserdekschepen, patrouilleerboten en onderzeeboten. Omdat de geallieerde zee- en luchtverdediging niet meer bestond bereikte men ongehinderd de kust van Sumatra. Op 12 maart veroverde het Kobayashi Detachment het eiland Sabang en het vliegveld van Kota Radja zonder enige weerstand te ondervinden. Het Yoshida Detachment was ten zuiden van Idi geland met een enkel infanterie-bataljon en met de order om Lantja en de Pangkalang Brandan olievelden te veroveren. Het moest dan naar het zuiden naar Medan rijden om de Nederlandse bezittingen aldaar te bedreigen. De hoofdmacht landde ongeveer vier mijl ten noordwesten van Tandjoengtiram en moest direct doorrijden naar Pematang Siantar-Balige-Taroetoeng en troepen van het Indische leger de pas afsnijden die probeerden terug te trekken van Medan. Vervolgens moest men ten noorden van Medan het vliegveld innemen.
Sumatra viel op 28 maart, toen commandant generaal-majoor R.T. Overakker en 2.000 soldaten capituleerden bij Kutatjane op Noord-Sumatra. Veel krijgsgevangenen werden door de Japanners gedwongen een spoorweg te bouwen tussen Pekanbaru en Moera. Overakker werd, samen met andere officieren van het Indische leger, doodgeschoten in 1945, toen bleek dat de Japanners de oorlog zouden gaan verliezen. Kolonel G.F.V. Gosenson, commandant van Atjeh en Onderhorigheden, werd door hen onthoofd. Beiden werden eerst door de Japanners gemarteld.
Externe links [bewerken]
- Expositie op Bronbeek over de verovering van Nederlands-Indië door Japan
- The Japanese Invasion Of Sumatra Island (Engels)
- An Abandoned Army - The KNIL And The Japanese Invasion Of Northern Dutch Sumatra (Engels)
- Loss of the Netherlands East Indies (Engels)
Bronnen, noten en/of referenties
|