Strijd om Tarakan (1945)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Strijd om Tarakan in 1945
Onderdeel van Azië in de Tweede Wereldoorlog
Gewonden bij de geallieerde troepen
Gewonden bij de geallieerde troepen
Datum 1 mei - 21 juni 1945
Locatie Tarakan, Nederlands-Indië
Resultaat Geallieerde overwinning
Strijdende partijen
Vlag van Nederland Nederland KNIL
Vlag van Australië AUS
Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Vlag van Japan JPN
Naval Ensign of Japan.svg Japanse Keizerlijke Marine
Commandanten
David Whitehead Tadai Tokoi
Troepensterkte
15.532 man 2.200 man
Verliezen
Meer dan 251 doden en meer dan 669 gewonden Meer dan 1.540 doden en 252 krijgsgevangenen (voor 15 augustus 1945)
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De Strijd om Tarakan in 1945 was de eerste fase in de Borneo-campagne van de geallieerde troepen in het zuid-westelijke Pacifisch Gebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze begon met een grootscheepse amfibische landing door Australische troepen op 1 mei 1945. De codenaam van de operatie was Oboe Wan. Hoewel de operatie met succes werd bekroond doordat de geallieerde troepen de Japanse versloegen, is men het er in het algemeen over eens dat de resultaten van deze operatie de hoge kosten niet rechtvaardigden.

Achtergrond[bewerken]

Japanse bezetting[bewerken]

Australische troepen naderen Tarakan

Tarakan is een eiland aan de oostkust van Borneo. Het eiland is ongeveer 303 vierkante kilometers groot en bestaat grotendeels uit moeras en heuvels begroeid met ondoordringbaar oerwoud. Tarakan maakte deel uit van Nederlands-Indië en was een belangrijk centrum van olieproductie (80.000 vaten olie per maand in 1941). Een van de belangrijkste doelstellingen van Japan tijdens de de Tweede Wereldoorlog was deze oliebronnen te bemachtigen. Daartoe landden Japanse troepen op 11 januari 1942 op de kust van Tarakan en versloegen daar een klein garnizoen van het Indische leger tijdens een tweedaags gevecht waarbij de helft van dit garnizoen werd gedood. Hoewel de olievelden waren verwoest door de Nederlandse troepen voordat de landing van de Japanners plaatsvond, waren de Japanners in staat de productie van olie al snel te herstellen. Tijdens het jaar 1944 wist men 350.000 vaten per maand te produceren. De resterende manschappen van het Indische leger werden in 1942 geëxecuteerd als straf voor de verwoesting van de olievelden.

Na de Japanse bezetting leden de 5.000 oorspronkelijke bewoners van Tarakan onder de Japanse overheersing. De grote aantallen Japanse soldaten op het eiland bewerkstelligden een tekort aan voedsel en vele bewoners leden dan ook aan ondervoeding. Tijdens de bezetting bracht Japan ongeveer 600 werklieden uit Java naar het eiland; zij dwongen ook ongeveer 300 Javaanse vrouwen om er te gaan werken als "troostmeisjes", na hen gelokt te hebben met valse beloften over goed betaalde banen in onder meer de kledingindustrie. De waarde van Tarakan als militair object nam af bij de nadering van de geallieerde troepen in het gebied. De laatste Japanse olietanker verliet Tarakan in juli 1944 en zware geallieerde aanvallen later dat jaar vernietigden de olieproductie en de bijbehorende infrastructuur. De bombardementen waren waarschijnlijk ook verantwoordelijk voor de dood van een paar honderd burgers op het eiland. Omdat de olieproductie afnam werd ook het Japanse garnizoen op Tarakan verminderd; een van de twee infanterie-bataljons (het 454ste onafhankelijke infanterie bataljon) werd verplaatst naar Balikpapan. Dit bataljon werd vernietigd door de Australische zevende divisie tijdens de slag om Balikpapan in 1945.

Geallieerde strategie[bewerken]

Begraven van omgekomen soldaten op Tarakan

Het belangrijkste doelwit van de geallieerde aanval op Tarakan (codenaam Oeboe One) was het vliegveld zodat het gebruikt kon worden om luchtsteun te verschaffen aan de landingen op Brunei, Labuan en Balikpapan. Een ander doel was om de olievelden van Tarakan te veroveren en weer in productie te brengen als een bron van olie voor de geallieerde strijdmacht op het gevechtsterrein.

De hoofdkwartieren van de negende divisie en de 26ste brigade waren verantwoordelijk voor de strategische planning van de aanval op Tarakan. Hiermee werd al vroeg in maart begonnen, toen beide eenheden Morotai hadden bereikt, en deze voorbereiding was op 24 april afgerond. Het werk werd echter vertraagd door de slechte arbeidsomstandigheden en moeilijkheden met de communicatie met het hoofdkwartier van generaal MacArthur te Leyte.

In de geallieerde plannen werd ervan uit gegaan dat de verovering snel zou verlopen. De operaties zouden een kort gevecht bij het vliegveld inhouden, gevolgd door een consolidatiefase, gedurende welke het vliegveld en de haven geschikt zouden worden gemaakt voor de bevoorrading van de geallieerde troepenmacht. De ontwikkelaars van het plan van aanpak hadden echter geen rekening gehouden met hevige gevechten in het binnenland van Tarakan en ook was er geen strategie ontwikkeld voor de verovering van de gebieden buiten het vliegveld, de stad Tarakan en de kustgebieden. Ze hadden echter wel juist ingezien dat de Japanners de belangrijkste verdedigingslinie zouden opzetten in een ander gebied dan op het strand en dat ze niet in staat zouden zijn een grootscheepse aanval te weerstaan.

In de geallieerde plannen werd er tevens vanuit gegaan dat Tarakan binnen enkele dagen na de landing zou worden omgevormd in een belangrijke militaire basis. In een eerdere versie van de geallieerde strategie was er vanuit gegaan dat de 26ste brigadegroep en de ondersteunende strandgroep klaar zouden zijn om Tarakan te verlaten omstreeks de 21ste mei en dat de RAF-eenheden het eiland zouden kunnen verlaten omstreeks midden-juni, na daarvoor nog ondersteuning te hebben gegeven aan de landing te Palikpapan.

Men bezat veel kennis over Tarakan en zijn Japanse verdedigers. Deze kennis kwam uit een groot aantal bronnen, waaronder SIGINT, verkenningsvluchten, waarbij foto's waren genomen en van Nederlandse officieren van het Indische leger. Tarakan was al het eerste object van de Services Reconnaissance Department (SRD) vanaf november 1944. De moeilijkheid was alleen om een grootscheepse organisatie ter verovering van een klein eiland als Tarakan op te zetten, zodat deze organisatie maar weinig kon bijdragen tot de uiteindelijk te volgen strategie.

Geografie[bewerken]

Geallieerd vliegtuig landt op het vliegveld van Tarakan

Tarakan heeft een driehoekige vorm en is op 3 kilometer van de kust van Borneo gelegen. Het eiland is ongeveer 24 kilometer lang (van het meest noordelijke tot het zuidelijkste punt) en in het noordelijk gedeelte ongeveer 18 kilometer breed. Het kleine eiland Sandau ligt ongeveer 800 meter uit de kust van west-Tarakan. Vrijwel de gehele kustlijn van Tarakan bestaat uit moeras en in 1945 stonden er mangrovebossen op het noordelijke gedeelte van het eiland, die 1,6 tot 2,4 kilometer landinwaards doorliepen. Deze bossen waren aan de kust van het zuidelijke gedeelte van het eiland smaller. Het land binnen de moerasstrook (centraal Tarakan) bestond uit steile heuvels (meer dan 30 meter hoog), begroeid met een dicht oerwoud. Tarakan ligt op drie graad van de evenaar en heeft een tropisch klimaat. De maximale temperatuur gedurende het grootste gedeelte van de dag is omstreeks 25 graden Celsius en de vochtigheidsgraad is steeds meer dan 90%.

In 1945 was Tarakan-stad de belangrijkste plaats op het eiland. Deze stad lag op ongeveer 1,8 kilometer in het binnenland en was gescheiden van de zuidwestkust door kleinere heuvels, begroeid met laag gewas. Vier pieren werden gebruikt om olie in tankers te laden en waren met de stad verbonden door drie verharde wegen. Het vliegveld van Tarakan lag op ongeveer 1,6 kilometer ten noordwesten van de stad Tarakan. Er waren twee olievelden; een was Sesanip Oilfield, dat gelegen was op de noordoosthoek van het vliegveld; het grotere Djoeata of Juata Oilfield lag 4,8 kilometer noordelijker. Het dorpje Djoeata lag op de noordwestkust van Tarakan en was verbonden met het Djoeata-olieveld door een pad.

Geallieerde troepen[bewerken]

Geallieerde troepen op Tarakan

De geallieerde troepen, verantwoordelijk voor de verovering van Tarakan, waren samengesteld rond de zeer ervaren Australische 26ste brigade, bestaande uit 12.000 soldaten. De 26ste brigade was in 1940 geformeerd en was al in het vuur geweest in Noord-Afrika en Nieuw-Guinea. De infanterie bestond uit het 2/23ste, het 2/24ste en het 2/48ste bataljon, ook met oorlogservaring. Deze bataljons werden aangevuld met het 2/4de commando squadron en het 2/3de pionier bataljon, die als infanterie vochten in deze veldslag. De brigadegroep telde verder het 2/7de veldregiment bewapend met 24 25 ponders, een squadron van het 2/9de gewapende regiment met 18 Mathildatanks, een compagnie van het 2/2de machinegeweerbataljon, de 53ste luchtafweergeschutsafdeling en twee genie-squadrons. Deze gevechtseenheden werden gesteund door een groot aantal logistieke en medische eenheden, waaronder de 2de strandgroep. Hoewel het aantal manschappen van de 26ste brigadegroep veel groter was dan het totale aantal Japanse verdedigers te Terakan, achtte men dit toch nodig, gezien eerdere ervaringen die hadden uitgewezen dat de strijd erg moeilijk zou worden als de Japanners zich zouden terugtrekken in het binnenland van Tarakan.

De 26ste brigadegroep werd ondersteund door geallieerde lucht- en marine-eenheden. De luchteenheden waren afkomstig van de Australian First Tactical Air Force en de Thirteenth Air Force en bestonden onder meer uit bombardeer- en gevechtssquadrons. De marinemacht was deels afkomstig van de United States Seventh Fleet en bestond onder meer uit verschillende oorlogs- en transportschepen van de Koninklijke Australische marine. Omdat het belangrijkste doelwit tijdens de aanval op Tarakan het vliegveld was waren er ook veel grondtroepen van de Royal Australian Air Force aanwezig, waaronder de nummer 61 Wing RAAF, de nummer 1 en de nummer 8 Airfield Construction Squadrons.

De macht die landde op Tarakan bestond naast eerder genoemde eenheden uit meer dan 1000 Amerikaanse en Nederlandse manschappen; de Amerikaanse troepen waren afkomstig van de genie van de United States Army; zij bemanden de LCM's en LCVP's. Het 727ste Amphibian Tractor Battalion bestuurde de LVT's en Seabees van de United States Navy hielpen aan boord van de landingsschepen voor tanks. De Nederlandse troepen bestonden uit een Ambonese compagnie, aangevoerd door Nederlandse officieren en een diplomatieke eenheid. Majoor Tokoi leidde de totale Japanse verdediging van Tarakan, hoewel de samenwerking tussen de land- en zeemacht slecht was.

Japanse troepen[bewerken]

Geallieerde troepen op Tarakan

Op het moment van de geallieerde landing bestond de Japanse strijdmacht op Tarakan uit 2200 man van het Japanse Keizerlijke Leger en van de Japanse Keizerlijke Marine. De grootste eenheid was het 740 man sterke 455ste onafhankelijke infanterie bataljon, dat gecommandeerd werd door majoor Tadai Tokoi. 150 manschappen van de ondersteunende troepen waren eveneens op Tarakan. De bijdrage van de marine aan het garnizoen van Tarakan bestond uit 980 zeelieden en werd gecommandeerd door Kaoru Kaharu. De belangrijkste marine-eenheid was de 600 man sterke 2de Naval Garrison Force. Deze marine-eenheid was speciaal geoefend om als infanterie te vechten en bediende verschillende geschutsstukken aan de kust. Van de 350 burgerlijke arbeiders uit de olie-industrie werd eveneens verwacht dat ze zouden meevechten wanneer er een geallieerde aanval zou plaatsvinden. De Japanse troepenmacht bestond verder nog uit 50 Indonesiërs die in een eigen eenheid dienden.

De Japanse troepen waren geconcentreerd rond Lingkas, de belangrijkste havenplaats van Tarakan en de enige plaats die geschikt was voor landingstroepen. De verdedigers hadden maanden besteed aan het versterken van hun posities en het leggen van mijnen. Bij de uiteindelijke inval beperkten de Japanners zich voornamelijk tot het fanatiek verdedigen van deze vaste verdedigingsposities. Zij verrichtten geen grootscheepse tegenoffensieven en de meeste offensieve acties bleven beperkt tot kleine groepjes soldaten die probeerden te infiltreren binnen de Australische linies.

Voorbereidende operaties[bewerken]

Commando's op het strand

De Japanse strijdmacht op Tarakan was al gewaarschuwd voor de dreigende geallieerde inval in april voordat de geallieerden hun bombardement voorafgaand aan de invasie van het eiland waren begonnen. De commandant van het eiland ontving een radiobericht waarin hij werd gewaarschuwd voor een spoedige aanval en de commandant van het oliedepot kreeg opdracht de oliebronnen op 15 april te vernietigen. Het is mogelijk dat deze waarschuwing het gevolg was van een lek bij de Chinese vertegenwoordiger van het leger in Australië of dat het lek zat in het hoofdkwartier van MacArthur. Uiteindelijk had het geen invloed op de daarop volgende strijd, omdat de Japanners maatregelen hadden getroffen om de strijd maandenlang vol te houden; bovendien wisten zij zeer goed dat er een grote geallieerde strijdmacht werd samengesteld op Morotai om Borneo aan te vallen.

Vóór de uiteindelijke grote aanval op Tarakan en Borneo, van 12 tot 29 april 1945, werd het Japanse garnizoen aldaar gebombardeerd en bestookt door de geallieerde marine. De RAAF en de USAAF deed ook luchtaanvallen op Japanse militaire bases in China, Indochina en de NEI om de Japanse luchteenheden te verhinderen zich te verplaatsen. Deze aanvallen vernietigden alle Japanse vliegtuigen in het gebied rond Tarakan. De intensiteit van de bombardementen werd groter in de vijf dagen voordat de landing plaats vond. De aanvallen waren gericht op de aangrenzende gebieden van het terrein, bij Linkas, waar de landing plaats zou vinden, en waren bedoeld om de Japanse defensieve kracht te verminderen. De olie-opslagtanks bij Linkas waren een belangrijk doelwit, omdat men bang was dat de olie gebruikt zou worden als brandstof in de strijd tegen de geallieerde strijdmacht. De bombardementen dwongen daarnaast de oorspronkelijke bewoners van Tarakan om naar het binnenland te vluchten.

Tank op Taragan

De aanvalskracht voor Tarakan verzamelde zich in de maanden maart en april 1945 bij Morotai; de 26ste brigadegroep werd van Australië naar Morotai vervoerd door de United States Army transports, kwam begin april aan en begon voorbereidingen te treffen voor de amfibische landing. Door een tekort aan verschepingsmogelijkheden werden alle eenheden gesommeerd voor de inscheping op 20 april alle niet benodigde motorvoertuigen in Morotai achter te laten. De commandant van de 1st Tactical Air Force luisterde niet naar dit advies, maar werd alsnog tot opvolging gedwongen door zijn superieur, luchtmaarschalk William Bostock. De meeste eenheden waren op de 22ste april ingescheept en de overige troepen deden nog een aantal dagen landingsoefeningen. Een klein konvooi schepen dat het bevel had om het eiland Sadau, voor de kust van Tarakan, te veroveren, vertrok op 26 april van Morotai en de hoofdmacht (150 schepen) volgde de volgende dag.

Doordat men was gedwongen om eerst af te rekenen met de zeemijnen die rond Tarakan waren gelegd en omdat er te veel hindernissen waren gelegd op het strand van Linkas was een verrassingsaanval uitgesloten. Een groep mijnenvegers van de United States Navy en torpedobootjagers kwamen op 27 april bij Tarakan aan en begon met het opruimen van mijnen; de meeste waren oorspronkelijk gelegd door de geallieerde strijdmacht. Dit werk was beëindigd op 1 mei en leverde beschadigingen op aan twee mijnenvegers. Op 28 april kwamen twee USN PT boten bij Tarakan aan en verlichtten de kust 's nachts om te voorkomen dat de Japanners aldaar aan herstelwerkzaamheden konden beginnen. De PT boten vielen ook 7 kleinere Japanse schepen aan, die geankerd lagen voor Linkas en brachten 6 van de 7 tot zinken.

Op 30 april vond de landing op het eiland Sadau plaats van het 2/4de Australische Commando Squadron, de 57ste batterij en het 2/7de Veld Regiment om de genie te ondersteunen bij het vrijmaken van de landingsstranden. Het onbewoonde eiland was snel veroverd. De landing op het eiland Sadau was de eerste keer dat de Australische soldaten hadden geland op niet-Australisch gebied in het Pacifisch Gebied sinds laat in het jaar 1941 (Australische deelname aan de Nieuw-Guinea campagne vanaf 1942 was beperkt gebleven tot het Australische gedeelte van Nieuw-Guinea). Het enige geallieerde verlies gedurende deze operatie was het verlies van de USS Jenkins, die beschadigd raakte door het springen van een mijn, terwijl het schip de landing ondersteunde.

De taak om het zeestrand te schonen van obstakels werd toevertrouwd aan de 2/13de veldcompagnie; onder meer bedrading, stalen rails en houten voorwerpen moesten worden opgeruimd. Op 30 april, om 11.00 uur, gingen genisten per LVT en landingsboten naar Tarakan om hun werk te doen. Zij werden ondersteund door het geschut van het eiland Sadau, geallieerde oorlogsschepen en vliegtuigen. Men deed zijn taak onder Japans vuur maar het lukte om alle obstakels uit de weg te ruimen. Er werden geen verliezen geleden.

Strijd[bewerken]

Landing[bewerken]

Vrachtauto's worden aan land gebracht

De belangrijkste invasiemacht arriveerde bij Tarakan in de vroege uren van de 1ste mei. Begeleid door hevig vuur en bombardementen vanuit de schepen maakten het 2/23 en het 2/48ste bataljon omstreeks 8 uur een amfibische landing. Er werd geen weerstand geboden op het strand en de manschappen van de twee bataljons kregen slechts lichte verwondingen door het opruimen van obstakels op het strand. De daarop volgende nacht werd de frontlijn zowel langs het strand als naar het binnenland uitgebreid. De overige manschappen van de 26ste brigadegroep, inclusief het squadron met de matilda II tanks, landden later op 1 mei. De geallieerde verliezen waren lager dan men eerst had verwacht; 11 manschappen werden gedood en 35 raakten gewond. Het flauwe Japanse verzet werd veroorzaakt door de zware bombardementen voorafgaande aan de landing, dat de verdedigers van Tarakan gedwongen had de zware verdedigingswerken te Lingkas te verlaten.

Terwijl de landingstroepen met succes een bruggenhoofd vestigden werd de eigenlijke landing vertraagd door de slechte omstandigheden van de landingsgrond. Veel van de Australische voertuigen zakten weg in de zachte modder van het strand van Linkas en 7 landingsschepen voor tanks strandden omdat de commandant ervan de kustlijn verkeerd beoordeelde. De smalle strook grond die wel berijdbaar was zorgde ervoor dat er een stremming kwam van voertuigen en had als resultaat dat niet één stuk van het geschut van het 2/7de veldregiment operationeel kon worden gemaakt tot de middag na de landing. Deze stremming werd nog erger doordat de landstrijdmachten van de RAAF op 1 mei landden met alle motorvoertuigen. De 7 landingsschepen voor tanks konden pas op 13 mei uit hun positie bevrijd worden.

Nadat het bruggenhoofd verzekerd was rukte de 26ste brigadegroep oostelijk naar de stad Taragan en naar het vliegveld op. De Australiërs kregen te maken met Japanners die vastberaden waren de opmars te stuiten. De taak om het vliegveld te veroveren was toegewezen aan het 2/24ste bataljon. De eerste aanval op het vliegveld zou plaatsvinden in de nacht van de 2de mei maar werd vertraagd toen de Japanners explosieven lieten afgaan en het vliegveld werd uiteindelijk niet veroverd tot de 5de mei. Terwijl de 26ste brigadegroep het vliegveld veroverden waren de Japanners nog steeds meester van het binnenland. Tijdens de eerste week van de invasie trokken 7000 Indonesische vluchtelingen door de Australische linie; dat was een groter aantal dan verwacht werd en deze groep, velen in zeer slechte conditie, overspoelden de Nederlandse civiele dienst. Ondanks de schrik en ontzetting die werd veroorzaakt door het geallieerde bombardement en de invasie zagen de meeste Indonesiërs de Australiërs als bevrijders. Honderden van hen werkten later als werklieden en dragers voor de geallieerde troepen.

Generaal Thomas Blamey, commandant van de Australische troepen, maakte een inspectietocht naar Tarakan op 8 mei. Tijdens een ontmoeting met Whitehead verordonneerde hij dat de 26ste brigadegroep het eiland nu verder moest gaan onderzoeken, nu het grootste gedeelte van de operaties was beëindigd.

Strijd in het binnenland[bewerken]

Heuvels van Tarakan

Om het eiland verder zeker te stellen en de landingsbaan van het vliegveld tegen aanvallen te beschermen moest de 26ste brigadegroep de Japanners verjagen uit de zwaar beboste heuvels rond Tarakan. Ongeveer 1700 man had zich in posities in het noorden en zuiden van het eiland ingegraven; deze posities waren beveiligd door boobytraps en landmijnen. Omdat het aanvallen van deze posities veel infanteriekracht zou vergen maakten de Australische gebruik van de beschikbare artillerie en luchtsteun om de verliezen binnen de perken te houden. De Australische tanks konden maar beperkte steun geven aan de infanterie omdat de moerassen, het oerwoud en de steile heuvels dat verhinderden. Hun bewegingen waren beperkt tot de reeds gebaande paden. Hun rol was zo beperkt tot ondersteunend vuur bij infanterieaanvallen.

Het 2/3de pionier bataljon en de NEI-compagnie werden aangesteld om de zuidoostelijke kant van Tarakan te zuiveren; de pioniers trokken op 7 mei ten oosten van Tarakan-stad maar kwamen hevig Japans verzet tegen. Vanaf 10 mei werd men opgehouden bij het punt Helen, dat verdedigd werd door 200 man Japanse troepen. Op 12 mei werd korporaal Jack Mackey gedood, nadat hij geheel alleen drie Japanse machinegeweernesten had veroverd. Hij verkreeg postuum het Victoria Cross voor zijn handelingen. Tijdens het gevecht om Helen werden B-24 Liberator bommenwerpers ingezet ter ondersteuning vanuit de lucht; P-38 Lightning Lockheeds gooiden direct na de bombardementen napalm naar beneden. Deze strategische combinatie was erg effectief en werd later standaard door Australische troepen toegepast als er luchtsteun nodig was. De Japanse troepen waren gedwongen Helen op 14 mei te verlaten na een verlies van ongeveer 100 doden. Het 2/3de pionierbataljon bereikte de oostkust van Tarakan op 16 mei. Het had een verlies van 20 doden en 36 gewonden geleden; inmiddels had de NEI-compagnie het overige gedeelte van zuidelijk Tarakan verzekerd en stuitte niet op veel verzet gedurende deze actie.

De Amerikaanse en Australische marine bleef de invasie steunen, ook nadat de landing volbracht was. USN PT boten brachten ten minste 12 kleine boten bij Tarakan en op de rivieren bij de kust van Borneo tot zinken tussen 1 en 10 mei. Zij namen tolken mee, die tijdens patrouilles inlanders ondervroegen over de bewegingen van de Japanse vijand. De Japanse batterij aan de noordoostkust van Tarakan werd op 23 mei vernietigd door de Douglas A. Munro.

Het Japanse garnizoen werd verwoest en de overlevenden zochten hun heil op de heuvels en trokken op 14 juni naar het noorden. Op dezelfde dag verlieten 112 Chinese en Indonesische werklieden het door Japan bezette gebied met een briefje van een Japanse officier, waarin hij verzocht deze mensen goed te behandelen. Radio Tokyo verspreidde het nieuws dat Tarakan op 15 juni was gevallen, maar het laatste Japanse verzet werd op 19 juni waargenomen. Whitehead verklaarde het eiland pas veilig op 21 juni.

Herstelwerkzaamheden[bewerken]

Mathilde II op Tarakan

Terwijl de infanterie van de 26ste brigadegroep tegen de Japanners in de heuvels vocht werden genisten van de Royal Australian Air Force (de nummer 61 Airfield Construction Wing) ingezet om het vliegveld van Tarakan weer operationeel te maken. De landingsbaan was zwaar beschadigd door het bombardement dat plaats had gevonden voor de landing en lag in een moerassig terrein, wat nog meer moeilijkheden opleverde. Herstel duurde acht weken en niet één week, zoals verwacht was. Stalen platen werd gebruikt als een soort mat; restanten hiervan liggen nog steeds op het parkeerterrein van het vliegveld van Tarakan.

De herstelde landingsbaan werd geopend op 28 juni; dat was te laat om nog een rol te kunnen spelen in de landings te Brunei of Labuan of tijdens de slag bij Balikpapan (1945). De nummer 78 Wing RAAF werd vanaf 28 juni gestationeerd op het vliegveld en vervoerde ondersteunende troepen voor Balikpapan tot het einde van de oorlog.

Pogingen om de oliebronnen en de infrastructuur daarom heen te herstellen werden vertraagd door de ernstig schade eraan; dit complex werd pas na de oorlog weer in productie gebracht.

Nederlands aandeel in de strijd[bewerken]

Bij de Australische (26ste) brigade was de tweede compagnie van het eerste (en enige) infanteriebataljon KNIL ingedeeld. Deze compagnie was een licht bewapende infanterie-tirailleur compagnie. Zij bestond uit ongeveer 160 man en was als volgt samengesteld:

  • KNIL-militairen vanuit Australië (kamp CASINO);
  • Een peloton vrijwilligers uit Suriname;
  • Niet lang daarvoor bevrijde KNIL krijgsgevangenen;
  • Enkele Europese KNIL-artilleristen vanuit Curaçao;
  • Enige Engelandvaarders.

De strijd duurde tot 22 juli; het aandeel van de KNIL-compagnie bestond uit patrouillering op de flanken in pelotonsverband, waarbij op 4 mei, 10 mei en 26 mei hevig gevochten werd. De geallieerde verliezen bedroegen aan gesneuvelden: 11 officieren, waaronder eerste luitenant C. de Gooyer, plaatsvervangend commandant van de KNIL-compagnie en 146 overigen, waaronder 5 KNIL-militairen; ruim 400 geallieerde militairen raakten gewond, waaronder ook 5 vrijwilligers uit Suriname.

Japanners na de strijd[bewerken]

Bij het einde van het georganiseerde verzet verdeelden de overgebleven Japanners zich in kleine groepjes, die naar het noorden en oosten van het eiland trokken. Veel van hen probeerden de straat over te trekken die Tarakan scheidt van het vasteland, maar zij werden onderschept door patrouilles van de marine. Geallieerde troepen zochten ook naar Japanners op het eiland Boenjoe, een paar kilometer ten noordoosten van Tarakan. Tijdens de eerste week van juli ontstond er voedseltekort en probeerden groepjes Japanners terug te keren naar hun oude posities in het centrum van Tarakan. Naarmate de honger toenam gaven steeds meer Japanners zich over. Australische troepen bleven patrouilleren en naar Japanners zoeken tot aan het einde van de oorlog; in die dagen werden er iedere dag wel Japanners gedood of gaven die zich over; na de oorlog gaven nog eens 300 Japanners zich over. Deze acties kostte de 26ste brigadegroep nog een aantal doden en gewonden (36) tussen 21 juni en 15 augustus.

Nasleep[bewerken]

Landing op Tarakan

De 26ste brigadegroep bleef als bezettingsmacht op Tarakan tot 27 december 1945, hoewel de meeste eenheden al ontbonden waren voor oktober. Het hoofdkwartier van de brigadegroep keerde terug naar Australië in 1946 en werd datzelfde jaar ontbonden (Brisbane, januari 1946).

De olievelden van Tarakan werden snel gerepareerd en in productie gebracht. Ingenieurs en ander technisch personeel kwam al snel na de inval en de eerste oliebron werd hersteld op 27 juni. In oktober produceerden de oliebronnen al 8000 vaten per dag en verschaften daarnaast werk aan de inheemse bevolking.

De geallieerde troepen vonden dat de strijd was uitgevochten met vakmanschap en professionalisme. Samuel Eliot Morison schreef over de operaties: altogether this was a very well conducted amphibious operation which attained its objectives with minimum loss. De slag te Tarakan liet het belang zien van een gecombineerde inzet, in het bijzonder de noodzaak om de infanterie te laten samenwerken met en ondersteunen door tanks, artillerie en genie tijdens de oorlogsvoering in de jungle.

Ondanks het oordeel van Morison waren de verliezen van de 26ste brigadegroep hoger dan in vergelijkbare landingen tijdens de Borneo-campagnes. De brigade had meer dan twee keer zoveel slachtoffers dan de andere twee brigades van de 9de divisie tijdens hun operaties in Noord-Borneo en 23 keer meer doden dan de 7de divisie in Balikpapan. De verliezen van de 26ste brigadegroep zijn deels toe te schrijven aan het gegeven dat men zich niet terug kon trekken in garnizoen, wat wel mogelijk was in Noord-Borneo en Balikpapan.

De waarde van de verrichtingen van de luchtlandingstroepen werd sterk gereduceerd omdat men geen gebruik kon maken van het vliegveld op het eiland. De verkeerde aanname dat het vliegveld snel gerepareerd kon worden was een belangrijke fout. Ook de handelingen van de RAAF op Tarakan is aan kritiek onderhevig. Een belangrijke punt wat hier speelde was dat het moreel van de eenheden slecht was, ook door de Morotaimuiterij.

De Australische activiteiten op Tarakan blijven zodoende controversieel. Er is nog steeds discussie over de vraag of deze grootschalig actie wel noodzakelijk was in het kader van een geplande operatie om Japan aan te vallen en daarnaast Nederlands-Indië te bevrijden, wat al op de agenda stond voor 1946. Het oordeel van de Australische historicus Gavin Long dat de kosten van de slag om Tarakan de bereikte resultaten niet rechtvaardigden is in overeenstemming met de algemene mening over deze strijd.

Strijdkrachten[bewerken]

Grondtroepen[bewerken]

  • Australische 26ste brigade
    • 2/23de Infanterie bataljon
    • 2/24de infanterie bataljon
    • 2/48de infanterie bataljon
    • 2/3rd Pioneer bataljon (vocht als infanterie)
    • 2/4de cavalerie commando squadron
    • C squadron, 2/9de gewapende regiment
    • D compagnie, 2/2de machinegeweer bataljon
    • 2/7de veldregiment (25 ponder geschut)
    • 53rd Composite Anti-Aircraft Regiment
    • 2/13de veldcompagnie
    • 2de veldcompagnie
    • 2/12de ambulance
  • 2 de strandgroep
    • 2/2de Pionier-bataljon
    • Overige eenheden:
      • 2/11de veldcompagnie
      • 2de strandgroep
      • Royal Australian Navy Beach Commandos
      • 2de medische korps van het Australische leger

Indische leger

  • 2de compagnie, 1ste bataljon

Amerikaanse leger

  • Composite Company, 727de amfibische tractorbataljon
  • Compagnie, 593de genie boot - en kustbataljon

Luchteenheden[bewerken]

  • Nummer 77 Wing RAAF
    • Nummer 76 Squadron RAAF (Kittyhawk) (vanaf 15 mei)
    • Nummer 22 Squadron RAAF] (Beaufighter) (vanaf 4 Juni)
    • Nummer 30 Squadron RAAF (Beaufighter) (vanaf 4 Juni)
    • Nummer 31 Squadron RAAF (Beaufighter)
  • Nummer 78 Wing RAAF (vechter)
    • Nummer 75 Squadron RAAF (Kittyhawk)
    • Nummer 78 Squadron RAAF (Kittyhawk)
    • Nummer 80 Squadron RAAF (Kittyhawk)
    • Nummer 452 Squadron RAAF (Spitfire)
  • Nummer 82 Wing RAAF
    • Nummer 21 Squadron RAAF
    • Nummer 23 Squadron RAAF (B-24)
    • Nummer 24 Squadron RAAF (B-24)
  • 18de Fighter Group USAAF (Mindoro eiland, Zamboang (vanaf 4 mei)
    • 12de Fighter Squadron (P-38)
    • 44ste Fighter Squadron (P-38)
    • 70ste Fighter Squadron (P-38)
  • 347ste Fighter Group USAAF (Palawan eiland)
    • 67ste Fighter Squadron (P-38)
    • 68ste Fighter Squadron (P-38)
    • 339ste Fighter Squadron (P-38)
  • 42ste Bombardment Group USAAF (Palawan eiland)
    • 69ste Bombardment Squadron (B-25)
    • 70ste Bombardment Squadron (B-25)
    • 75ste Bombardment Squadron (B-25)
    • 100ste Bombardment Squadron (B-25)
    • 390ste Bombardment Squadron (B-25)
  • 5de Bombardment Group USAAF (Samar eiland)
    • 23ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 31ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 72ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 394ste Bombardment Squadron (B-24)
  • 307de Bombardment Group USAAF (Morotai eiland)
    • 370ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 371ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 372ste Bombardment Squadron (B-24)
    • 424ste Bombardment Squadron (B-24)
  • 868ste Squadron USAAF (LA B-24)
  • Fleet Air Wing 17 US Navy (Palawan eiland)
    • Patrol Bombing Squadron 128 (VPB-128) (PV-1 Ventura)
    • Patrol Bombing Squadron 106 (VPB-106) (PB4Y-2 Privateer) (vanaf 3 mei)
    • Patrol Bombing Squadron 111 (VPB-111) (PB4Y-2 Privateer)
    • Patrol Bombing Squadron 109 (VPB-109) (PB4Y-2 Privateer met Bat Bombs) tot 6 mei)
  • RAAF grondtroepen op Tarakan tijdens de campagne
    • Nummer 16 Air Observation Post Flight (4 Auster lichte vliegtuigen)
    • Nummer 61 Operational Base Unit
    • Nummer 61 Airfield Construction Wing
      • Nummer 1 Airfield Construction Squadron
      • Nummer 8 Airfield Construction Squadron
    • Nummer 2 Aerodrome Security Squadron
    • Nummer 114 Mobile Fighter Control Unit

Marine-eenheden[bewerken]

  • Dekkingsgroep 74.3
  • Aanvalsgroep 78.1:
    • vlaggenschip: USS Rocky Mount
    • Landingschepen: waaronder: 2 LSI (HMAS Manoora en HMAS Westralia), 1 AKA (USS Titania), 1 LSD (USS Rushmore), 21 LST, 12 LCI, 4 LSM, 12 LCT
    • Ondersteuning: 6 LC], 4 LCI(R), 2 LCI(M), 2 LCI(D) met vier ontmantelingseenheden
    • Bescherming: torpedobootjagers: US schepen Waller, Bailey, Bancroft, Philip, Drayton, Smith, Caldwell; fregatten: HMAS Burdekin, Barcoo, Hawkesbury; eskorten van de torpedobootjagers: USS Formoe, Charles E. Brannon; 1 Gemotoriseerde Torpedo Boot (MTB) tender (USS Wachapreague), 21 MTBs
    • Landing craft control unit: 1 PC, 1 LCI(L), 2 LCS
    • Minesweeping unit: 1 APD, 11 YMS
    • Service unit: 1 AGS, 1 AN, 1 ATR, 1 ATO, 4 LCI(L) equipped for fire fighting and salvage

Japanse eenheden[bewerken]

  • Leger en marine hoofdkwartier
    • 455de onafhankelijke infanterie bataljon
      • 1ste compagnie
      • 2de compagnie
      • 3de compagnie
      • 4de compagnie
      • Machinegeweer compagnie
    • 2de marine bewakingsmacht
      • 1ste compagnie
      • 2de compagnie
      • Lucht verdedigingscompagnie

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • 1985. P. van Meel, redacteur. Tanda kehormatan KNIL. Eerbewijs aan het KNIL. Samengesteld door de Stichting Erefilm KNIL.
  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • I Australian Corps, War in Asia and the Pacific. Volume 6. The Southern Area (Part I), Garland Publishing, Inc, New York and London [1945?], 1980, “Report on Operations. Borneo Campaign (Appendix to Japanese Monograph No. 26: Borneo Operations (1941–1945))” ISBN 082403290X.
  • Bulkley, Robert J., At Close Quarters. PT Boats in the United States Navy, Naval United States Government Printing Office, Washington DC, 1962
  • Coates, John, An Atlas of Australia's Wars, Oxford University Press, Melbourne, 2001 ISBN 0195541197.
  • Coombes, David, Morshead: Hero of Tobruk and El Alamein, Oxford University Press, 2001 ISBN 0-19-551398-3.
  • Coulthard-Clark, Chris, The Encyclopaedia of Australia's Battles, Allen & Unwin, Sydney, 2001 ISBN 10987654321.
  • Wesley Craven and James Cate (1953), The Army Air Forces in World War Two. Volume V: Matterhorn to Nagasaki. Government Printing Office, Washington D.C.
  • Gill, G Herman, Royal Australian Navy, 1942–1945, Australian War Memorial, Canberra, 1968
  • Hopkins, R.N.L., Australian Armour: A History of the Royal Australian Armoured Corps 1927–1972, Australian Government Publishing Service, Canberra, 1978 ISBN 0642994072.
  • Johnston, Mark, That Magnificent 9th. An Illustrated History of the 9th Australian Division 1940–46, Allen & Unwin, Sydney, 2002 ISBN 1865086541.
  • Long, Gavin, The Final Campaigns, Australian War Memorial, Canberra, 1963
  • Long, Gavin, The Six Years War. Australia in the 1939–45 War, Australian War Memorial and the Australian Government Publishing Service, Canberra, 1973 ISBN 0642993750.
  • Samuel Eliot Morison (1959), The Liberation of the Philippines: Luzon, Mindanao, the Visayas 1944–1945. Little, Brown and Company, Boston.
  • Odgers, George, Air War Against Japan, 1943–1945, Australian War Memorial, Canberra [1957], 1968
  • Ogawa, Itsu, War in Asia and the Pacific. Volume 6. The Southern Area (Part I), Garland Publishing, Inc, New York and London [1957], 1980, “Japanese Monograph No. 26: Borneo Operations (1941–1945)” ISBN 082403290X.
  • Rottman, Gordon L., World War II Pacific Island Guide. A Geo-Military Study, Greenwood Press, Westport, 2002 ISBN 0313313954.
  • Royal Navy, Naval Staff History Second World War: War with Japan, Volume VI; The Advance to Japan, Her Majesty's Stationery Office, London, 1959 ISBN 0117728217.
  • Stanley, Peter, Tarakan. An Australian Tragedy, Allen & Unwin, Sydney, 1997 ISBN 1864482788.
  • Wilson, David, Always First: The RAAF Airfield Construction Squadrons 1942–1974, Air Power Studies Centre, Sydney, 1998 ISBN 0642265259.