Kushana

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kushana
 Mauryadynastie
 Indo-Scythen
60–375 Gupta's 
Sassaniden 
Hephthalieten 
Kaart
120-150
120-150
Algemene gegevens
Hoofdstad Baghram, Taxila, Mathura
Talen Pali, Prakrit, Sanskriet, Grieks
Religie(s) zoroastrisme, boeddhisme, hindoeïsme
Munt van Kujula Kadphises. Het (Graeco-)Romeinse voorbeeld is duidelijk te herkennen)
Munt van Vima Takto
Gouden munt van Vima Kadphises
Gouden munt van koning Huvishka, de opvolger van Kanishka I
Gouden munt van Shaka I, uit de laatste periode van het Kushanrijk, ca. 325-345

Kushana of het Kushanrijk was een boeddhistisch rijk ten noorden van India dat in de eerste eeuw na Chr. ontstond. De Indo-Europese Guishuang (Yuezhi) (een volk uit het huidige Sinkiang (Oeigoerië), China, mogelijk verwant aan de Tocharen) veroverde toen dit gebied. Het rijk ging ten onder rond 270, toen het Guptarijk de Kushanen verdreef. Op zijn hoogtepunt (105–250) strekte het rijk zich uit van Tadzjikistan tot Afghanistan en Pakistan, en zuidwaarts tot aan de Gangesvallei in het noorden van India. Het had diplomatieke contacten met Rome, het Sassanidische Rijk en China. Het rijk vormde enkele eeuwen lang het centrum van de Euraziatische uitwisseling tussen het Oosten en het Westen. De bekendste vorst was waarschijnlijk Kanishka. De Kushana's gaven in de 2e eeuw het Sanskriet zijn status als lingua franca in de regio. De traditionele Indiase kennis, daterend uit het 4e millennium v.Chr. werd door hen gesystematiseerd en neergeschreven. De ayurvedische geneeskunst werd door hindupriesters in de 1e eeuw naar het oosten gebracht tot in India en vandaar naar China. Ondanks hun culturele en politieke rol bleven de Kushana's buitenstaanders voor India.

Oorsprong[bewerken]

De meest gangbare opvatting is dat de Kushana één van de vijf clans vormden van de Yuezhi, een confederatie van nomadenstammen. In Chinese bronnen, onder andere de Mu Tianzi zhuan (穆天子传), worden de Kushana als Guishuang (貴霜) genoemd als een van de vijf stammen van de Yuezhi. De namen van de overige stammen waren de Xiumi (休密), Shuangmi (雙靡), Xidun (肸頓) en Dumi (都密). De Yuezhi worden algemeen beschouwd als de meest oostelijke vertegenwoordigers van de Indo-Europese taalfamilie. Mogelijk spraken de leidende clans een variant van het Tochaars. Ze leefden in de droge graslanden van oostelijk Centraal-Azië, in het huidige Sinkiang en Gansu. Tussen 206 en 174 v.Chr. werden ze door de Xiongnu onder leiding van Maodun zuidwestwaarts verdreven. De Yuezhi vestigde zich tijdelijk rond de rivier de Ili, in het gebied van de Saken (die tot de Scythen worden gerekend). Wederom werden de Yuezhi aangevallen, ditmaal door de Wusun, en opnieuw werden ze gedwongen te emigreren. Ze trokken verder westwaarts langs het Tiensjan-gebergte om zich uiteindelijk, tegen het einde van de tweede eeuw v. Chr., definitief in Bactrië te vestigen.[1]

In de annalen van de latere Han-dynastie, het Boek van de Late Han, staat onder meer beschreven hoe de Yuezhi zich in Bactrië vestigden en dat de vijf clans in eerste instantie het gebied onder elkaar verdeelden. Tegen het begin van de christelijke jaartelling verkreeg één van die vijf clans, de Kushana, de macht over de overige clans. Met deze machtsgreep begon het rijk van de Kushana.

De Kushanavorsten[bewerken]

Kujula Kadphises (30-80 n.Chr.)[2][bewerken]

Volgens de Hou Hanshu viel hij, als prins van Guishang, de andere prinsen aan en noemde zichzelf koning van Guishang. Onder zijn leiding werd An-hsi (het rijk van de Parthen) aangevallen en het gebied rond Kao-fu (Kabul) ingenomen. Ook veroverde hij P’u-ta (Puskala-vati) en Chi-pin (Kasjmir). Volgens de Hou Hanshu overleed Ch’iu-chiu-ch’üeh op de respectabele leeftijd van 80 jaar en werd hij opgevolgd door zijn zoon Yen-kao-chen (Vima Tak[to]). De veroverde gebieden legden de fundamenten voor het Kushana rijk.

De muntseries van Kujula Kadphises[bewerken]

De tamga van Kujula Kadphises

Onder leiding van Kujula Kadphises worden de vijf Yuezhiclans samengevoegd, waardoor de Kushana sterk genoeg zijn om het gebied ten noorden van de Hindoekoesj en het gebied ten zuiden van de Hindoekoesj samen te voegen. Deze twee gebieden stonden voorheen onder leiding van verschillende vorsten en hadden daardoor verschillende muntseries en verschillende standaard gewichten voor de munten. Onder leiding van Kujula Kadphises worden deze verschillende muntensystemen in eerste instantie intact gehouden. De bestaande muntseries worden als voorbeeld genomen en worden nagemaakt. Het enige verschil dat wordt aangebracht is zijn naam en titel van Kujula Kadphises en soms werd de persoonlijke tamga van de vorst op de muntseries geplaatst.

Met de uitbreiding van het Kushana-rijk ten zuiden van de Hindoekoesj moest de taal op de munten worden aangepast. Ten noorden van de Hindoekoesj was het meest gangbare schrift het Grieks. Ten zuiden was dit het Kharoshthi. De Griekse vorsten die ten zuiden van de Hindoekoesj regeerden, hadden hier al op ingespeeld door ook het Kharoshthi schrift op de munten te gebruiken. Kujula Kadphises nam dit gebruik over en zijn naam en titel werden zowel in het Grieks als in het Kharoshthi-schrift weergegeven op de muntseries. Hij veroverde ook gebied van de Indo-Parthen en de Indo-Skythen. Ook hier is te zien dat men onder leiding van Kujula Kadphises de bestaande munten namaakt met als enige verandering de toevoeging van de naam, titel en soms de tamga van Kujula Kadphises.

Vima Tak[to] (80-105)[2][bewerken]

Lang werd getwijfeld over wie Kujula Kadphises opvolgde, maar sinds de vondst van de Rabatak-inscriptie is duidelijk geworden dat Yen-kao-chen (genoemd in de "Hou Han-shu") Vima Tak[to] is. Volgens die inscriptie was hij de vader van Vima Kadphises en de grootvader van Kanishka I. In de Hou Hanshu wordt verteld over Yen-kao-chen dat hij T’ien-chu (Noord west India) veroverde en een generaal de leiding gaf over het gebied.

De muntseries van Vima Tak[to][bewerken]

De tamga van Vima Tak[to]

Na de vondst van de Rabatak-inscriptie werd bekend dat Vima Tak[to] de tweede Kushana-vorst is geweest. In het eerste artikel waarin de Rabatak-inscriptie werd besproken, werden ook direct een aantal muntseries aan Vima Tak[to] toegeschreven[3]. Onder andere werden de muntseries van de vorst Soter Megas aan de regeerperiode van Vima Tak[to] toegeschreven. Soter Megas was een vorst die voor de vondst van de Rabatak-inscriptie niet geplaatst kon worden in de chronologie van de Kushana-vorsten. Op de munten werd de titel Soter Megas gebruikt, waardoor hij als zodanig bekend werd. Naast deze muntseries zijn ook een aantal muntseries van Kujula Kadphises opnieuw bekeken door Joe Cribb en toegeschreven aan Vima Tak[to].

Tijdens de regeerperiode van Vima Tak[to] wordt een standaardgewicht voor de munten ingesteld voor het gehele Kushana rijk. Onder leiding van zijn vader Kujula Kadphises waren de bestaande muntsystemen intact gehouden en hadden de Kushana's hun muntseries daarop aangepast. Vima Tak[to] stelde voor het gehele Kushana-rijk de koperen didrachme van circa 8,3 gram in als standaard gewicht.[4]

Vima Kadphises (90-100 of 110-120 n.Chr.)[2][bewerken]

Algemeen[bewerken]

Vima Kadphises was de zoon van Vima Tak[to] en de vader van Kanishka I.

De muntseries van Vima Kadphises[bewerken]

De tamga van Vima Kadphises

Zijn muntenprogramma was opvallend. Onder leiding van Vima Kadphises worden meerdere veranderingen doorgevoerd in het Kushanarijk. Voor het eerst worden er door de Kushana's gouden munten geslagen. De gouden dinar werd geïntroduceerd en daarnaast werd ook de koperen tetra-drachme van circa 17 gram ingesteld. In tegenstelling tot de regeerperiodes van zijn vader en grootvader werd er alleen nog maar gebruikgemaakt van het portret van Vima Kadphises op de muntseries. Het meest in het oog springend is de godheid die wordt afgebeeld op alle muntseries. Op het eerste gezicht heeft de godheid de iconografie van Shiva, maar de god moet worden geïdentificeerd als de OESHO, welke afgeleid is van Vayu, de windgod uit de Avesta.[5]

Kanishka I (100-126 of 120-147)[2][bewerken]

Algemeen[bewerken]

Kanishka regeerde vanuit twee hoofdsteden: Purushapura (nu Peshawar in noord Pakistan) en Mathura in noord India; daar is de Begram-schat gevonden: een serie kunstwerken uit Griekenland en China.

De muntseries van Kanishka[bewerken]

De tamga van Kanishka

Net als zijn voorgangers zijn de muntseries van Kanishka onder andere te herkennen aan een persoonlijke tamga. Op het eerste gezicht komen de goden die worden afgebeeld op de keerzijde van zijn muntseries uit verschillende religieuze tradities: de brahmaanse, de hellenistische en het Avestische pantheon. Daarnaast zijn er nog muntseries te vinden waarop boeddhistische figuren te zien zijn. Met uitzondering van de boeddhistische figuren zijn alle figuren in werkelijkheid Avestische goden, zei het aangekleed met geleende iconografie van hellenistische en brahmaanse goden.

De indruk bestaat sterk dat de Yuezhi geen antropomorfe afbeeldingen maakten van hun goden ten tijde van hun bestaan als nomaden. Door het ontbreken van deze ervaring zien de Yuezhi- en later de Kushana-vorsten zich genoodzaakt om gebruik te maken van antropomorfe afbeeldingen van goden uit andere religies wanneer zij de macht krijgen over een rijk en verantwoordelijk worden voor het slaan van munten. De keuze voor het lenen van iconografie van niet-Kushana-goden lijkt in eerste instantie te zijn gebaseerd op de gelijkstelling tussen goden. Niet-Kushana-goden met dezelfde functie als Kushana-goden werden aan elkaar gelijk gesteld (interpretatio kushanica) waarna vervolgens de iconografie van de niet-Kushana-god gebruikt werd voor het afbeelden van de Kushana-god. De tweede stap die werd genomen is de eigen ontwikkeling van iconografie, zodat de afbeelding beter voldeed aan de kenmerken van de Kushana-godheid.

Noten[bewerken]

  1. Pulleyblank, E. 1970. The Wu-sun and Sakas and the Yüeh-chih migration. Bulletin of the School of Oriental and African studies of London 33, pp. 154-160
  2. a b c d Deze datering van de vorst is afkomstig van J. Cribb. Sims-Williams, N. en Cribb, J. 1995-1996. A new Bactrian inscription of Kanishka the Great. Silk road art and archeology 4, pp.75-142.
  3. Sims-Williams, N. en Cribb, J. 1995-1996. A new Bactrian inscription of Kanishka the Great. Silk road art and archeology 4, pp.75-142.
  4. MacDowall, D. 1987. Indo-Parthian and Kushan Coins from Excavations in Afghanistan.“Numismatics and Archaeology:2nd International Colloquium”,pp.45-53.
  5. Tanabe, K. 1991-1992. OESHO, another Kushan wind god. Silk road art and archeology 2, pp.51-71.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]