Lepelsteuren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lepelsteuren
Polyodon spathula
Polyodon spathula
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Actinopterygii (Straalvinnigen)
Orde: Acipenseriformes (Steurachtigen)
Familie
Polyodontidae
Geslachten
Afbeeldingen Lepelsteuren op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Lepelsteuren op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vissen

Lepelsteuren (Polyodontidae) vormen een primitieve familie van vissen uit de orde van de Steurachtigen (Acipenseriformes). Kenmerkend van vissen uit deze familie is de grote bek en langgerekte snuit. Deze lepelachtige snuit neemt de helft van de totale lengte van de vis in beslag. Er bestaan nog twee levende soorten in deze familie, Polyodon spathula en Psephurus gladius. Sommige delen van de vis, zoals het skelet en de diep gevorkte staartvin, lijken op delen van haaien, hoewel ze er niet nauw mee verwant zijn. Lepelsteuren zijn de oudst bekende vissen, waarvan fossiele vondsten dateren van 300 tot 400 miljoen jaar geleden (50 miljoen jaar voor het verschijnen van de dinosaurussen. Het lichaam van de vissen bevat een hoog gehalte aan visolie, en zelfs opgezette exemplaren lekken soms nog een olieachtige vloeistof.

Soorten[bewerken]

Psephurus gladius leeft in de Jangtsekiang. Er zijn exemplaren aangetroffen van 3 meter lang die 300 kilogram wogen. De andere soort, Polyodon spathula, leeft in langzaamstromend water van de Mississippi, Missouri, Ohio en de rivieren in Oklahoma. Ook werd de vis vroeger aangetroffen in de Grote Meren. In mei 2000 zijn de vissen uitgestorven verklaard in Canada. De lepelsteur is een van de grootste zoetwatervissen van Noord-Amerika en wordt gewoonlijk 1,50 meter lang en weegt dan meer dan 25 kilogram. Het grootste exemplaar werd in Iowa gevangen en woog 91 kilogram. Het is lastig om de leeftijd van exemplaren te bepalen, maar ze worden naar schatting meer dan 50 jaar oud. Fossiele exemplaren van andere lepelsteursoorten zijn ook aangetroffen, zoals Crossopholis magnicaudatus die gevonden werd in Wyoming en dateert uit het Eoceen.

Kenmerken[bewerken]

Onderzoekers dachten vroeger dat de lepel van de vissen gebruikt werd om bodemvegetatie van meren en rivieren om te woelen, maar nu is bekend dat deze alleen gebruikt wordt voor het filteren van zoöplankton uit het water. Ze doen dit met de kieuwbogen binnen de bek. Verder blijkt de lepel ook te dienen als stabilisator tijdens het zwemmen, waarbij de lepel als een soort vliegtuigvleugel fungeert. Uit recent onderzoek blijkt dat de vissen elektrosensoren bezitten waarmee ze zwakke elektrische velden kunnen detecteren.

Status[bewerken]

Door onder andere overbevissing en dammenbouw, waardoor migratieroutes worden onderbroken en het voor de vissen lastig wordt om de paaigronden te bereiken, is de populatie sterk in aantal afgenomen.

Kaviaar[bewerken]

Net als de kuit van vissen uit de steurenfamilie, wordt ook de kuit van deze vis gebruikt om kaviaar van te fabriceren. Een wijfje heeft 9 tot 10 jaar nodig om eieren te kunnen leggen en legt per jaar meer dan een half miljoen eieren. Ze paaien echter niet elk jaar.