Lijst van uitdrukkingen en gezegden P-U
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
|
|
|
paal
-
- Ergens paal en perk aan stellen.
- Orde op zaken stellen.
-
- Voor paal staan.
- Voor schut staan.
-
- Als een paal boven water staan.
- Aan geen twijfel onderhevig zijn.
-
- Als puntje bij paaltje komt.
- Als het erop aankomt.
-
- Zich tussen paal en pruim bevinden.
- Zich niet bewust zijn van het nakende gevaar.
paard
-
- Anderhalve man en een paardekop.
- Weinig aanwezigen.
-
- Het beste paard van stal.
- De belangrijkste persoon in het gezelschap.
-
- Een blind paard zou er geen schade doen.
- Een armoedig interieur.
-
- Een oud paard van stal halen.
- Wat men vroeger al eens heeft laten horen nog eens ten beste geven.
-
- De prins op het witte paard.
- De man van je dromen.
-
- Een paardenmiddel.
- Het beste hulpmiddel.
-
- Het is trekken aan een dood paard.
- Het is een onbegonnen zaak.
-
- Het paard achter de wagen spannen.
- Ook: Men moet de ploeg niet voor de paarden spannen.
- Een probleem totaal verkeerd aanpakken.
-
- Het paard van Troje binnenhalen.
- Door onnadenkendheid of onnozelheid de vijand toelaten.
-
- Hij is over het paard getild.
- Hij heeft teveel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is.
-
- Hij is van zijn paard gevallen.
- Hij heeft zijn positie verloren.
-
- Hij zoekt zijn paard en hij zit er op.
- Hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet.
-
- Hoog te paard zitten.
- Verwaand zijn, eigendunk hebben.
-
- Honger als een paard hebben.
- Grote honger hebben.
-
- Iemand te paard helpen.
- Iemand helpen een eerste begin te maken.
-
- Je hebt sier-/luxepaarden en werkpaarden.
- Niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander.
-
- Man en paard noemen.
- Niets verzwijgen.
-
- Met de witte perdekies naar Velzeke rijden.
- Krankzinnig worden.
- (In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de 'witte perdekies' (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen.)
-
- Op het apostelpaard rijden.
- Te voet gaan.
-
- Op het verkeerde paard wedden.
- Een verkeerde inschatting maken.
-
- Op zijn stokpaardje zitten.
- Over zijn lievelingsthema spreken.
-
- Een dood paard aan een boom binden.
- Overdreven voorzichtig zijn.
-
- De man wel, maar het paard niet.
- Niet helemaal eerlijk zijn.
-
- Paradepaard.
- Een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is.
pad
-
- Van het padje af zijn.
- In de war zijn, malende. Maar ook: prettig gestoord zijn.
pakken
-
- Bij de pakken neerzitten.
- Ontmoedigd zijn.
Pampus
-
- Voor Pampus liggen.
- Niet meer verder kunnen.
- (Afgeleid van de ondiepte voor Amsterdam in de Zuiderzee.)
pan
-
- In de pan hakken.
- Een vijand dodelijk overweldigen.
pap
-
- Ik kan geen pap meer zeggen.
- Ik ben meer dan verzadigd.
-
- Hij heeft een vinger in de pap.
- Hij heeft invloed.
-
- Hij lust er pap van.
- Hij kan er niet genoeg van krijgen.
-
- Pappen en nathouden.
- Situatie min of meer ongewijzigd te laten zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen.
-
- Daar heeft hij geen pap (of kaas) van gegeten.
- Hij heeft er geen verstand van.
pappenheimer
-
- Zijn pappenheimers kennen.
- De eigenaardigheden kennen van de mensen waarmee men te maken heeft (bijvoorbeeld een leraar zijn leerlingen).
pas
-
- Iemand de pas afsnijden.
- Iemand verhinderen een bepaalde actie uit te voeren.
-
- Pas op de plaats maken.
- Geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken.
-
- Te pas en te onpas.
- Steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet.
Pasen
-
- Wanneer Pasen en Pinksteren op één dag vallen.
- Nooit.
paus
-
- Roomser dan de paus zijn.
- Zich overdreven precies aan de regels houden.
-
- Is de paus katholiek?
- Een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk "Ja" is.
peil
-
- Geen peil op kunnen trekken.
- Ergens niets uit kunnen opmaken. Ergens niet van op aan kunnen.
-
- Beneden alle peil.
- Stijlloos.
pels
-
- Als een luis in iemands pels zijn.
- Iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken.
peper
-
- Een gepeperde rekening.
- Een hoge rekening.
-
- Hij heeft peper in zijn achterwerk.
- Hij heeft een hoog tempo.
-
- Dat ruikt naar peper.
- Dat is er duur.
-
- Iemand peper geven.
- iemand slaag geven.
-
- De peper groeit bij hem op de rug.
- hij wil zijn leven maar niet beteren.
-
- Peperduur.
- heel erg duur.
-
- Dat smaakt als peperkoek.
- dat smaakt erg goed.
-
- Iemand naar het peperland sturen.
- Iemand ver weg sturen.
-
- Iemand iets inpeperen.
- Iemand iets betaald zetten, goed laten voelen.
perk
-
- Binnen de perken blijven.
- Zodanig beperkt blijven dat het niet teveel overlast of schade veroorzaakt.
-
- Paal en perk stellen.
- Grenzen stellen.
pet
-
- Daar heb ik geen hoge pet van op.
- Ik geloof niet dat hij/zij tot veel in staat is/zijn.
-
- Ik vind het pet.
- Ik vind het een bijzonder slechte zaak.
-
- Dat gaat me boven de pet.
- Dat is te ingewikkeld voor mij.
-
- Als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen.
- Dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd.
-
- Gooi het maar in m'n pet, dan zoek ik het morgen wel uit.
- Daar heb ik nu geen tijd voor, misschien morgen.
-
- Ergens met de pet naar gooien.
- Een taak bijzonder slordig uitvoeren.
-
- Zij hielden het onder de pet.
- Zij brachten het niet in de openbaarheid.
-
- Met de pet rondgaan.
- Geld inzamelen.
-
- Dat is huilen met de pet op.
- Bedroevend resultaat.
-
- Petje af!
- Ook: Daar neem ik de pet voor af.
- Respect betonen voor hoe iemand iets voor elkaar gekregen heeft.
Piet
-
- Een Pietje precies.
- Iemand die de dingen altijd heel precies wil doen.
-
- Hij deed mee voor Piet Snot.
- Ook: Hij stond erbij voor Piet Snot.
- Hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning.
-
- Een hoge Piet.
- Iemand van hogere rang of stand.
-
- Een hele Piet.
- Iemand die meetelt.
-
- Hij is een Piet Lut.
- Hij is kleinzerig.
-
- Iemand de zwartepiet toespelen.
- Iemand benadelen.
pijp
-
- De pijp aan Maarten geven.
- Opgeven.
-
- De pijp uitgaan.
- Sterven.
-
- Een loden pijp hebben.
- Een hete vloeistof snel kunnen opdrinken.
pik
-
- De pik hebben op iemand.
- Hekel aan iemand hebben.
-
- Zich op zijn pik getrapt voelen.
- Zich zwaar beledigd voelen.
pink
-
- Met zijn pink manoeuvreren.
- Iets als de beste kunnen.
-
- Bij de pinken zijn.
- Erg slim en geleerd zijn.
plaat
-
- De plaat poetsen.
- Ervandoor gaan.
- (Historisch: als iemand er zo snel vandoor ging dat hij zijn geweer niet meer kon opbergen en achter zich aan sleepte. De metalen plaat op de kolf werd zo 'gepoetst'.)
-
- Je plaat blijft hangen/je plaat hapert.
- Dat heb je al gezegd; geen nood om het te herhalen.
- (Verwijst naar een kras in een grammofoonplaat, waardoor de naald hapert.)
-
- Een plaat voor je hoofd hebben.
- Kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving.
-
- Op je plaat gaan.
- Vallen.
plank
-
- De plank misslaan.
- Niet het goede inzicht hebben; ernaast zitten.
-
- Van dik hout zaagt men planken.
- (Doortastend, maar) niet erg nauwkeurig te werk gaan.
- Ook: Iemand met veel geld geeft ook veel geld uit.
plas
-
- Er een plasje overheen doen.
- Ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, die wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is.
pleister
-
- Het is een pleister op een zere wonde.
- Het is bedoeld om het leed wat te verzachten.
-
- Het is een pleister op een houten been.
- Het is een nutteloos voorstel.
pluis
-
- Dat is niet pluis.
- Dat is verdacht, niet in orde.
poep
-
- We zullen ze eens een poepie laten ruiken.
- We zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie).
pols
-
- Uit de losse pols.
- Iets schijnbaar zonder moeite doen.
-
- Iemand polsen.
- Behoedzaam bij iemand inlichtingen inwinnen.
pool (textiel)
-
- Poolshoogte nemen.
- Een situatie verkennen, op onderzoek uitgaaan.
poot
-
- De poten onder iemands stoel wegzagen.
- Iemands positie verzwakken.
-
- Op zijn poot spelen.
- Boos uitvallen.
-
- Op hoge poten.
- Zeer boos, verontwaardigd.
-
- Pootje lichten.
- Iemand doen struikelen.
-
- Geen poot aan de grond kunnen krijgen.
- Geen schijn van kans blijken te hebben.
-
- Iemand een poot uitdraaien.
- Iemand te veel laten betalen.
pot
-
- Je kunt van mij de pot op.
- Je doet maar waar je zin in hebt.
-
- De hond in de pot vinden.
- Er is niets meer te eten.
-
- Het is een pot nat.
- Het is allemaal hetzelfde.
-
- Rond de pot draaien.
- Niet ter zake komen, uitvluchten zoeken.
-
- Op ieder potje past wel een dekseltje.
- Voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner.
-
- Hij kan een potje bij hen breken.
- Van hem wordt veel getolereerd.
-
- Hij maakt er een potje van.
- Hij gaat niet geordend te werk.
praten
-
- Praten als Brugman.
- Veel en met grote overtuigingskracht praten.
- (Verwijst naar de preker Johannes Brugman.)
prins
-
- Van de prins geen kwaad weten.
- Als in: "Hij wist van de prins geen kwaad", hij was zich van geen kwaad bewust, of, hij veinsde onschuld.
- (Verwijst mogelijk naar de Prins van Oranje, over wie men geen kwaad woord wenste te horen spreken.)
punt
-
- Als puntje bij paaltje komt.
- Als het er op aankomt om de consequentie te trekken en actie te ondernemen.
-
- De puntjes op de i zetten.
- De laatste details afwerken.
-
- Dat is geen punt.
- Ook: Daar maken we geen punt van.
- Dat is geen probleem. (Dat is helemaal geen argument.)
-
- Daar kun je een punt(je) aan zuigen.
- Een goede prestatie, die moeilijk is na te doen.
-
- Ergens een punthoofd van krijgen.
- Je aan iets ergeren.
-
- Ergens een punt achter zetten.
- Er voorgoed mee stoppen.
put
-
- In de put zitten.
- Depressief zijn.
-
- Een bodemloze put.
- Dat kost ontzettend veel geld.
recht (juridisch)
-
- Het recht in eigen hand nemen.
- Eigenmachtig optreden.
recht (wiskundig)
-
- Recht praten wat krom is.
- Door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.
regen
-
- Van de regen in de drop.
- Een verandering in de situatie, waarbij het ene probleem is opgelost, maar een nieuw probleem is ontstaan, zodat de situatie per saldo niet verbeterd is.
-
- Na regen komt zonneschijn.
- Je zal niet altijd pech hebben.
-
- Regen in mei, dan is april voorbij.
- De natuur kiest vanzelf de goede volgorde.
rekening
-
- Iemand de rekening presenteren.
- Iemand de kosten ten laste brengen (ook figuurlijk).
-
- Het kind van de rekening.
- Degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben.
rijk (welvarend)
-
- Een rijke stinkerd.
- Een rijk iemand.
rijk (staat)
-
- Het rijk alleen hebben.
- Ergens geheel alleen kunnen doen wat men wil, niet te hoeven overleggen.
rijtje
-
- Ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben.
- Niet bij zijn volle verstand zijn.
- ('Alle vijf' verwijst naar de vijf klassieke zintuigen.)
roer
-
- Het roer omgooien.
- Beleidsverandering.
roet
-
- Roet in het eten gooien.
- De plannen dwarsbomen.
Rome
-
- Zo oud als de weg naar Rome.
- Heel oud (kan gezegd worden van iets wat als nieuw idee of ontwikkeling wordt gepresenteerd).
-
- Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.
- Er zijn meerdere manieren om iets te doen.
-
- Rome is niet in één dag gebouwd.
- Relativeren: Leer geduld te hebben.
roos
-
- In de roos schieten.
- Precies het doel bereiken.
- (Vindt zijn oorsprong in het met pijl en boog op een doelwit schieten.)
-
- Een lulletje rozewater.
- Een weinig dynamisch persoon.
rug (anatomie)
-
- Een brede rug hebben.
- Veel kunnen verdragen.
scepter
-
- Ergens de scepter zwaaien.
- Ergens de baas zijn.
schaap
-
- Zijn schaapjes op het droge hebben.
- Financieel alles goed op orde hebben.
-
- Zo koud als een kaalgeschoren schaap.
- Heel erg koud.
-
- Nu heb je het schaap aan het schijten.
- Nu komen er problemen van.
schaats
-
- Een scheve schaats rijden.
- Een misstap begaan. Een morele regel overtreden.
schaduw
-
- In iemands schaduw staan.
- Niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt.
schelen
-
- Schelen zijn de mooisten niet, maar ze worden wel het meest aangekeken.
- Als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen.
scheren
-
- Als je geschoren wordt, moet je stilzitten.
- Als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan.
schering
-
- Dat is schering en inslag.
- Dat komt bijzonder vaak voor.
- (Schering en inslag zijn de lengte- en breedtedraden van een weefgetouw.)
schijf
-
- Over heel veel schijven gaan.
- Veel hiërarchische of administratieve niveaus moeten zich ermee bemoeien.
schip
-
- Tussen wal en schip vallen.
- Van hulp verstoken blijven omdat men niet aan de criteria voldoet van één van de categorieën waarvoor voorzieningen beschikbaar gesteld worden.
-
- Zijn schepen achter zich verbranden.
- Het zichzelf onmogelijk maken om zich nog terug te trekken. (Bijvoorbeeld als iemand verklaart dat hij ontslag zal nemen als aan zijn eisen niet wordt voldaan.)
-
- Schipbreuk lijden.
- Het niet tot zijn doel geraken; mislukken.
-
- Zijn schip is binnen.
- Hij heeft zijn fortuin gemaakt.
-
- Schoon schip maken.
- Grote opruiming houden en alles helder maken.
-
- Het schip ingaan.
- Groot risico nemen, leidend tot verlies.
-
- Daar komt een schip met zure appels.
- Daar komt een stevige regenbui aan.
schoen
-
- De stoute schoenen aantrekken.
- Iets doen wat moed vergt.
- (Het woord 'stout' wordt gebruikt in de oude betekenis 'dapper'.)
-
- Iemand iets in de schoenen schuiven.
- Iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking.
-
- Met lood in de schoenen.
- Met heel veel tegenzin of angst (iets doen).
-
- Naast zijn schoenen lopen.
- Een te hoge dunk van zichzelf hebben.
-
- Waar de schoen (of het schoentje) wringt.
- Waar iemand hinder van ondervindt (bv. "Na lang praten kwam de directeur er achter waar nu eigenlijk de schoen wrong.").
schoorsteen
-
- Daar moet de schoorsteen van roken.
- Dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan.
schop
-
- De schop afkuisen.
- Stoppen met het werk.
schot
-
- Buiten schot blijven.
- Niet worden aangetast (bv. "Het onderwijs blijft bij de nieuwe bezuinigingen buiten schot.").
-
- Een schot voor de boeg.
- Een uitspraak of vraag als eerste aanzet tot een gesprek of discussie (eigenlijk: een waarschuwingsschot).
schroef
-
- (Iets) staat op losse schroeven.
- Het is onzeker, er valt niet op te bouwen.
-
- Iets op losse schroeven zetten.
- Iets wankel maken; het voortbestaan van iets onzeker maken.
schuur
-
- Thuis is in je schuur.
- Wordt gezegd als je weinig thuis bent.
servet
-
- Te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken.
- Geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken.
sfinx
-
- Een sfinx zijn.
- Typisch zijn.
Siberisch
-
- Het laat mij Siberisch koud.
- Het interesseert me totaal niet.
sigaar
-
- De sigaar zijn.
- Ongeluk hebben (veelal door een anders toedoen).
-
- Een sigaar uit eigen doos presenteren.
- Iemand iets aanbieden dat in feite door de ontvanger zelf is betaald.
Sinterklaas
-
- Voor Sinterklaas spelen.
- Alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen.
-
- Ik ben Sinterklaas niet.
- Niet alles voor niets doen.
slag
-
- Helemaal van slag zijn.
- In de war zijn.
slak
-
- Op iedere slak zout leggen.
- Aanmerkingen maken op elke onbetekenende afwijking, overal op zeuren.
-
- Een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg.
- Je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed.
-
- Zo snel als een slak op een teerton.
- Erg langzaam.
slapen
-
- De slaap der rechtvaardigen slapen.
- Een schoon geweten hebben.
-
- Hij stond te slapen.
- Hij lette niet op.
slof
-
- Uit zijn slof schieten.
- Kwaad uitvallen.
-
- Iets op zijn sloffen aankunnen.
- Iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren.
sloot
-
- Van de wal in de sloot belanden.
- Van een slechte situatie terechtkomen in een situatie die nóg slechter is.
smetten
-
- Van vreemde smetten vrij.
- Onafhankelijk, bevrijd.
snor
-
- Zijn snor drukken.
- Zijn werk niet doen.
-
- Dat zit wel snor.
- Dat komt wel goed.
soep
-
- In de soep lopen.
- Volledig mislukken (van een plan).
-
- Hij maakt er een soepie van.
- Hij gaat niet ordelijk te werk.
sok
-
- Van de sokken gaan, raken, vallen.
- Bewusteloos vallen.
-
- Iemand van de sokken slaan.
- Iemand vellen, neerslaan.
-
- Iemand van de sokken rijden, lopen.
- Iemand (bijna) omver rijden of lopen.
-
- Een held op sokken.
- Iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik.
-
- Een beer op sokken.
- Een goedzak.
-
- Je kunt niet met twee voeten in één sok.
- Twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd.
-
- Met de sok op de kop gezet.
- Er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen.
sop
-
- Het sop is de kool niet waard.
- De zaak is zo onbelangrijk, dat het verspilling zou zijn om er veel tijd of woorden aan te besteden.
-
- In zijn sop gaar laten koken.
- Zijn kritiek en protesten negeren.
-
- Het ruime sop kiezen.
- Op zee gaan.
spaander
-
- Waar gehakt wordt, vallen spaanders.
- Waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt.
-
- Er geen spaan van heel laten.
- Iets compleet vernielen.
spek
-
- De kat op het spek binden.
- Iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben.
-
- Voor spek en bonen meedoen.
- Iemand niet serieus laten meedoen, een kind aan een spelletje bijvoorbeeld.
speld
-
- Een speld in een hooiberg.
- Iets wat vrijwel onvindbaar is.
-
- Er geen speld tussen kunnen krijgen.
- Niets tegen in kunnen brengen.
-
- Zo stil dat je een speld kunt horen vallen.
- Bijzonder stil.
spiering
-
- Een spierinkje uitgooien om een kabeljauw te vangen.
- Een klein verlies accepteren om daarmee kans te maken op een grote winst.
spijker
-
- Spijkers op laag water zoeken.
- Kritiek hebben op onbenulligheden.
-
- De spijker op de kop slaan.
- De kern van de zaak benoemen.
spuit
-
- Spuit elf geeft ook modder.
- Over iemand die een loze opmerking maakt of iets zegt wat al gezegd is.
stap
-
- Grote stappen, gauw thuis.
- Een taak uitvoeren zonder zich er druk over te maken of ieder detail correct wordt aangepakt.
-
- De eerste stap zetten.
- Initiatief nemen.
stapel
-
- Te hard van stapel lopen.
- Iets te snel aanpakken.
steek
-
- Geen steek zien.
- Niets zien.
-
- Iemand in de steek laten.
- Iemand aan zijn lot overlaten.
-
- Een steek(je) laten vallen.
- Een fout maken.
steen
-
- Steen des aanstoots.
- Iets waaraan men zich ergert.
-
- Steen en been klagen.
- Luid en heftig klagen.
-
- Steenrijk.
- Uitzonderlijk rijk.
- (Historisch: in de vroege middeleeuwen konden enkel kapitaalkrachtigen zich een stenen huis permitteren; de standaard was toen hout.)
-
- Een steentje bijdragen.
- Ergens een bijdrage aan leveren.
-
- Een ezel stoot zich in het gemeen, geen twee maal aan dezelfde steen.
- Dezelfde fout meer dan eens maken is zelfs een 'ezel' onwaardig.
stoel
-
- Je mening niet onder stoelen of banken steken.
- Je mening niet verbergen, openlijk voor je mening en standpunten uit durven komen, bijvoorbeeld van afkeuring van iets.
stom
-
- Stomdronken.
- Helemaal bezopen, meer alcohol genuttigd hebbend dan men aankan.
-
- Met stomheid geslagen.
- Plotseling geen woord meer kunnen zeggen.
storm
-
- Een storm in een glas water.
- Drukte maken om (bijna) niets.
straat
-
- Iemand op straat zetten.
- Iemand ontslaan.
-
- Dat raak je aan de straatstenen niet kwijt.
- Dat is niet te verkopen.
stuk
-
- Een stuk in de kraag drinken.
- Zich dronken drinken.
-
- Dat is een stuk!
- Dat is een aantrekkelijk persoon.
-
- Iemand van zijn stuk brengen.
- Iemand onzeker maken.
tafel
-
- Iets ter tafel brengen.
- Voorstellen om iets te bespreken.
-
- Zijn kaarten op tafel leggen.
- Zijn bedoelingen tonen.
tand
-
- De tand des tijds.
- Slijtage, veroudering.
-
- Ergens zijn tanden inzetten.
- Vasthoudend zijn, niet snel opgeven.
-
- Haar op zijn tanden hebben.
- Goed gebekt zijn, iemand durft goed van zich af te spreken.
-
- Iemand aan de tand voelen.
- Hem kritisch ondervragen.
-
- Met zijn mond vol tanden staan.
- Niet kunnen antwoorden/reageren op een netelige vraag.
-
- Op zijn tandvlees lopen.
- Uitgeput zijn.
- Of: Er haveloos bijlopen.
-
- Zijn tanden laten zien.
- Tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn.
-
- Tot de tanden bewapend zijn.
- Helemaal bewapend zijn.
tang
-
- Iemand in de tang nemen.
- Iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen.
- Of: Iemand in zijn macht hebben.
-
- Te vies om met een tang aan te pakken.
- Heel vies en smerig.
-
- Een tang van een wijf.
- Een heks, feeks.
-
- Een oude tang.
- Een oude lastige vrouw.
-
- Dat slaat als een tang op een varken.
- Dat slaat nergens op.
teen
-
- Op zijn/haar tenen getrapt zijn.
- Zich snel beledigd voelen.
-
- Lange tenen hebben.
- Snel geïrriteerd zijn.
-
- Op je tenen lopen.
- Meer willen presteren dan je aan kunt.
- Of: Voorzichtig te werk gaan.
tegenslag
-
- Een tegenslag.
- Een onverwacht nadelig feit of voorval.
teken
-
- Teken aan de wand.
- Een waarschuwing dat er iets gaat gebeuren.
tellen
-
- Uitgeteld zijn.
- Geen energie meer over hebben. Niet verder kunnen.
- (Waarschijnlijk afgeleid van de tien tellen die een bokser krijgt in een wedstrijd om weer overeind te komen.)
-
- Op je tellen passen.
- Voorzichtig zijn.
teren (levensonderhoud)
-
- Op iets teren.
- Ook: Op iemands zak teren.
- Van een (geld)voorraad gebruik maken om in (levens)behoeften te voorzien.
-
- Op zijn vet (of smeer) teren.
- Leven van gespaard geld.
-
- De tering naar de nering zetten.
- De uitgaven beperken tot het bedrag van de inkomsten.
tering (ziekte)
-
- Ik mag de tering krijgen.
- Er zeker in zijn.
teugel
-
- De teugels laten vieren.
- Een minder streng beleid voeren.
-
- De teugels in handen hebben.
- De baas zijn.
-
- De teugels strakker aanhalen.
- Een strengere discipline invoeren.
thuis
-
- Niet thuis geven.
- Het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen.
-
- Thuis is in je schuur.
- Wordt gezegd als je weinig thuis bent.
tien
-
- Een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw.
- In de volksmond: De beste beloning voor een 19e-eeuws schoolkind.
tij
-
- Het tij keren.
- Een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld.
tijd
-
- Goed bij de tijd zijn.
- Snugger.
tong
-
- Over de tong gaan.
- Overal het onderwerp van gesprek zijn.
-
- Het achterste van je tong (niet) laten zien.
- Zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.
toon
-
- Een toontje lager zingen.
- Minder pretentieus optreden (bv. "Laat hem eerst maar eens een poosje bij ons stage lopen, dan zal hij wel een toontje lager zingen.").
-
- De boventoon voeren.
- Het hoogste woord hebben.
toren
-
- Hoog van de toren blazen.
- Praten alsof men heel belangrijk is.
- (Historisch: het trompetsignaal van de toren geblazen werd verder gehoord.)
touw
-
- Aan de touwtjes trekken.
- De werkelijke macht hebben (in de context van een organisatie).
-
- De touwtjes in handen hebben.
- De controle hebben.
-
- Er is geen touw aan vast te knopen.
- Er is niets van te begrijpen.
-
- Op touw zetten.
- Een actie of iets dergelijks tot stand brengen of in gang zetten.
-
- In touw zijn.
- Actief (als in: "hij was al vanaf 5 uur 's morgens in touw").
-
- Zo dom als touw.
- Onnozelheid of domheid (als in: "Je bent ook zo dom als touw hè?!").
trekken
-
- Aan zijn/haar trekken komen.
- Dat meemaken of verwerven wat men graag wil.
trommel
-
- Een paar mensen optrommelen.
- Een paar mensen laten komen.
Turk
-
- Aan de Turken overgeleverd zijn.
- Slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden.
-
- Roken als een Turk.
- Kettingroken.
ui
-
- Het was uien.
- Het ging bijzonder slecht, het viel bijzonder tegen.
uil
-
- Hij is een uil.
- Hij is een dwaas, een stomkop.
-
- Uilen naar Athene dragen.
- Ook: water naar de zee, kolen naar Newcastle.
- Nutteloos werk verrichten.
-
- Een uil vangen.
- Een grote strop hebben.
-
- Een uiltje knappen.
- Een dutje doen.
uit
-
- We zijn er uit.
- We hebben de oplossing gevonden.
uithangbord
-
- Ik ben geen uithangbord.
- Ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan.
uitpakken
-
- Iemand die behoorlijk kan uitpakken.
- Iemand die ongeremd zijn toorn kan uiten.