Lijst van uitdrukkingen en gezegden P-U

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Spreekwoorden

A-E   F-J   K-O   P-U   V-Z

Uitdrukkingen en gezegden

A-E   F-J   K-O   P-U   V-Z

paal

Ergens paal en perk aan stellen.
Orde op zaken stellen.

Voor paal staan.
Voor schut staan.

Als een paal boven water staan.
Aan geen twijfel onderhevig zijn.

Als puntje bij paaltje komt.
Als het erop aankomt.

Zich tussen paal en pruim bevinden.
Zich niet bewust zijn van het nakende gevaar.

paard

Anderhalve man en een paardekop.
Weinig aanwezigen.

Het beste paard van stal.
De belangrijkste persoon in het gezelschap.

Een blind paard zou er geen schade doen.
Een armoedig interieur.

Een oud paard van stal halen.
Wat men vroeger al eens heeft laten horen nog eens ten beste geven.

De prins op het witte paard.
De man van je dromen.

Een paardenmiddel.
Het beste hulpmiddel.

Het is trekken aan een dood paard.
Het is een onbegonnen zaak.

Het paard achter de wagen spannen.
Ook: Men moet de ploeg niet voor de paarden spannen.
Een probleem totaal verkeerd aanpakken.

Het paard van Troje binnenhalen.
Door onnadenkendheid of onnozelheid de vijand toelaten.

Hij is over het paard getild.
Hij heeft teveel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is.

Hij is van zijn paard gevallen.
Hij heeft zijn positie verloren.

Hij zoekt zijn paard en hij zit er op.
Hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet.

Hoog te paard zitten.
Verwaand zijn, eigendunk hebben.

Honger als een paard hebben.
Grote honger hebben.

Iemand te paard helpen.
Iemand helpen een eerste begin te maken.

Je hebt sier-/luxepaarden en werkpaarden.
Niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander.

Man en paard noemen.
Niets verzwijgen.

Met de witte perdekies naar Velzeke rijden.
Krankzinnig worden.
(In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de 'witte perdekies' (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen.)

Op het apostelpaard rijden.
Te voet gaan.

Op het verkeerde paard wedden.
Een verkeerde inschatting maken.

Op zijn stokpaardje zitten.
Over zijn lievelingsthema spreken.

Een dood paard aan een boom binden.
Overdreven voorzichtig zijn.

De man wel, maar het paard niet.
Niet helemaal eerlijk zijn.

Paradepaard.
Een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is.

pad

Van het padje af zijn.
In de war zijn, malende. Maar ook: prettig gestoord zijn.

pakken

Bij de pakken neerzitten.
Ontmoedigd zijn.

Pampus

Voor Pampus liggen.
Niet meer verder kunnen.
(Afgeleid van de ondiepte voor Amsterdam in de Zuiderzee.)

pan

In de pan hakken.
Een vijand dodelijk overweldigen.

pap

Ik kan geen pap meer zeggen.
Ik ben meer dan verzadigd.

Hij heeft een vinger in de pap.
Hij heeft invloed.

Hij lust er pap van.
Hij kan er niet genoeg van krijgen.

Pappen en nathouden.
Situatie min of meer ongewijzigd te laten zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen.

Daar heeft hij geen pap (of kaas) van gegeten.
Hij heeft er geen verstand van.

pappenheimer

Zijn pappenheimers kennen.
De eigenaardigheden kennen van de mensen waarmee men te maken heeft (bijvoorbeeld een leraar zijn leerlingen).

pas

Iemand de pas afsnijden.
Iemand verhinderen een bepaalde actie uit te voeren.

Pas op de plaats maken.
Geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken.

Te pas en te onpas.
Steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet.

Pasen

Wanneer Pasen en Pinksteren op één dag vallen.
Nooit.

paus

Roomser dan de paus zijn.
Zich overdreven precies aan de regels houden.

Is de paus katholiek?
Een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk "Ja" is.

peil

Geen peil op kunnen trekken.
Ergens niets uit kunnen opmaken. Ergens niet van op aan kunnen.

Beneden alle peil.
Stijlloos.

pels

Als een luis in iemands pels zijn.
Iemand voortdurend in de weg lopen. Iemand tegenwerken.

peper

Een gepeperde rekening.
Een hoge rekening.

Hij heeft peper in zijn achterwerk.
Hij heeft een hoog tempo.
Dat ruikt naar peper.
Dat is er duur.
Iemand peper geven.
iemand slaag geven.
De peper groeit bij hem op de rug.
hij wil zijn leven maar niet beteren.
Peperduur.
heel erg duur.
Dat smaakt als peperkoek.
dat smaakt erg goed.
Iemand naar het peperland sturen.
Iemand ver weg sturen.
Iemand iets inpeperen.
Iemand iets betaald zetten, goed laten voelen.

perk

Binnen de perken blijven.
Zodanig beperkt blijven dat het niet teveel overlast of schade veroorzaakt.

Paal en perk stellen.
Grenzen stellen.

pet

Daar heb ik geen hoge pet van op.
Ik geloof niet dat hij/zij tot veel in staat is/zijn.

Ik vind het pet.
Ik vind het een bijzonder slechte zaak.

Dat gaat me boven de pet.
Dat is te ingewikkeld voor mij.

Als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen.
Dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd.

Gooi het maar in m'n pet, dan zoek ik het morgen wel uit.
Daar heb ik nu geen tijd voor, misschien morgen.

Ergens met de pet naar gooien.
Een taak bijzonder slordig uitvoeren.

Zij hielden het onder de pet.
Zij brachten het niet in de openbaarheid.

Met de pet rondgaan.
Geld inzamelen.

Dat is huilen met de pet op.
Bedroevend resultaat.

Petje af!
Ook: Daar neem ik de pet voor af.
Respect betonen voor hoe iemand iets voor elkaar gekregen heeft.

Piet

Een Pietje precies.
Iemand die de dingen altijd heel precies wil doen.

Hij deed mee voor Piet Snot.
Ook: Hij stond erbij voor Piet Snot.
Hij deed mee zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning.

Een hoge Piet.
Iemand van hogere rang of stand.

Een hele Piet.
Iemand die meetelt.

Hij is een Piet Lut.
Hij is kleinzerig.

Iemand de zwartepiet toespelen.
Iemand benadelen.

pijp

De pijp aan Maarten geven.
Opgeven.

De pijp uitgaan.
Sterven.

Een loden pijp hebben.
Een hete vloeistof snel kunnen opdrinken.

pik

De pik hebben op iemand.
Hekel aan iemand hebben.

Zich op zijn pik getrapt voelen.
Zich zwaar beledigd voelen.

pink

Met zijn pink manoeuvreren.
Iets als de beste kunnen.

Bij de pinken zijn.
Erg slim en geleerd zijn.

plaat

De plaat poetsen.
Ervandoor gaan.
(Historisch: als iemand er zo snel vandoor ging dat hij zijn geweer niet meer kon opbergen en achter zich aan sleepte. De metalen plaat op de kolf werd zo 'gepoetst'.)

Je plaat blijft hangen/je plaat hapert.
Dat heb je al gezegd; geen nood om het te herhalen.
(Verwijst naar een kras in een grammofoonplaat, waardoor de naald hapert.)

Een plaat voor je hoofd hebben.
Kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving.

Op je plaat gaan.
Vallen.

plank

De plank misslaan.
Niet het goede inzicht hebben; ernaast zitten.

Van dik hout zaagt men planken.
(Doortastend, maar) niet erg nauwkeurig te werk gaan.
Ook: Iemand met veel geld geeft ook veel geld uit.

plas

Er een plasje overheen doen.
Ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, die wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is.

pleister

Het is een pleister op een zere wonde.
Het is bedoeld om het leed wat te verzachten.

Het is een pleister op een houten been.
Het is een nutteloos voorstel.

pluis

Dat is niet pluis.
Dat is verdacht, niet in orde.

poep

We zullen ze eens een poepie laten ruiken.
We zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie).

pols

Uit de losse pols.
Iets schijnbaar zonder moeite doen.

Iemand polsen.
Behoedzaam bij iemand inlichtingen inwinnen.

pool (textiel)

Poolshoogte nemen.
Een situatie verkennen, op onderzoek uitgaaan.

poot

De poten onder iemands stoel wegzagen.
Iemands positie verzwakken.

Op zijn poot spelen.
Boos uitvallen.

Op hoge poten.
Zeer boos, verontwaardigd.

Pootje lichten.
Iemand doen struikelen.

Geen poot aan de grond kunnen krijgen.
Geen schijn van kans blijken te hebben.

Iemand een poot uitdraaien.
Iemand te veel laten betalen.

pot

Je kunt van mij de pot op.
Je doet maar waar je zin in hebt.

De hond in de pot vinden.
Er is niets meer te eten.

Het is een pot nat.
Het is allemaal hetzelfde.

Rond de pot draaien.
Niet ter zake komen, uitvluchten zoeken.

Op ieder potje past wel een dekseltje.
Voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner.

Hij kan een potje bij hen breken.
Van hem wordt veel getolereerd.

Hij maakt er een potje van.
Hij gaat niet geordend te werk.

praten

Praten als Brugman.
Veel en met grote overtuigingskracht praten.
(Verwijst naar de preker Johannes Brugman.)

prins

Van de prins geen kwaad weten.
Als in: "Hij wist van de prins geen kwaad", hij was zich van geen kwaad bewust, of, hij veinsde onschuld.
(Verwijst mogelijk naar de Prins van Oranje, over wie men geen kwaad woord wenste te horen spreken.)

punt

Als puntje bij paaltje komt.
Als het er op aankomt om de consequentie te trekken en actie te ondernemen.

De puntjes op de i zetten.
De laatste details afwerken.

Dat is geen punt.
Ook: Daar maken we geen punt van.
Dat is geen probleem. (Dat is helemaal geen argument.)

Daar kun je een punt(je) aan zuigen.
Een goede prestatie, die moeilijk is na te doen.

Ergens een punthoofd van krijgen.
Je aan iets ergeren.

Ergens een punt achter zetten.
Er voorgoed mee stoppen.

put

In de put zitten.
Depressief zijn.

Een bodemloze put.
Dat kost ontzettend veel geld.

recht (juridisch)

Het recht in eigen hand nemen.
Eigenmachtig optreden.

recht (wiskundig)

Recht praten wat krom is.
Door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.

regen

Van de regen in de drop.
Een verandering in de situatie, waarbij het ene probleem is opgelost, maar een nieuw probleem is ontstaan, zodat de situatie per saldo niet verbeterd is.

Na regen komt zonneschijn.
Je zal niet altijd pech hebben.

Regen in mei, dan is april voorbij.
De natuur kiest vanzelf de goede volgorde.

rekening

Iemand de rekening presenteren.
Iemand de kosten ten laste brengen (ook figuurlijk).

Het kind van de rekening.
Degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben.

rijk (welvarend)

Een rijke stinkerd.
Een rijk iemand.

rijk (staat)

Het rijk alleen hebben.
Ergens geheel alleen kunnen doen wat men wil, niet te hoeven overleggen.

rijtje

Ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben.
Niet bij zijn volle verstand zijn.
('Alle vijf' verwijst naar de vijf klassieke zintuigen.)

roer

Het roer omgooien.
Beleidsverandering.

roet

Roet in het eten gooien.
De plannen dwarsbomen.

Rome

Zo oud als de weg naar Rome.
Heel oud (kan gezegd worden van iets wat als nieuw idee of ontwikkeling wordt gepresenteerd).

Er zijn vele wegen die naar Rome leiden.
Er zijn meerdere manieren om iets te doen.

Rome is niet in één dag gebouwd.
Relativeren: Leer geduld te hebben.

roos

In de roos schieten.
Precies het doel bereiken.
(Vindt zijn oorsprong in het met pijl en boog op een doelwit schieten.)

Een lulletje rozewater.
Een weinig dynamisch persoon.

rug (anatomie)

Een brede rug hebben.
Veel kunnen verdragen.

scepter

Ergens de scepter zwaaien.
Ergens de baas zijn.

schaap

Zijn schaapjes op het droge hebben.
Financieel alles goed op orde hebben.

Zo koud als een kaalgeschoren schaap.
Heel erg koud.

Nu heb je het schaap aan het schijten.
Nu komen er problemen van.

schaats

Een scheve schaats rijden.
Een misstap begaan. Een morele regel overtreden.

schaduw

In iemands schaduw staan.
Niet opvallen omdat iemand anders meer opvalt.

schelen

Schelen zijn de mooisten niet, maar ze worden wel het meest aangekeken.
Als relativerend antwoord wanneer men zegt dat ze het niets kan schelen.

scheren

Als je geschoren wordt, moet je stilzitten.
Als er scherpe kritiek op je is (je wordt geschoren), kun je beter rustig wachten tot het voorbij is, in plaats van erop in te gaan.

schering

Dat is schering en inslag.
Dat komt bijzonder vaak voor.
(Schering en inslag zijn de lengte- en breedtedraden van een weefgetouw.)

schijf

Over heel veel schijven gaan.
Veel hiërarchische of administratieve niveaus moeten zich ermee bemoeien.

schip

Tussen wal en schip vallen.
Van hulp verstoken blijven omdat men niet aan de criteria voldoet van één van de categorieën waarvoor voorzieningen beschikbaar gesteld worden.

Zijn schepen achter zich verbranden.
Het zichzelf onmogelijk maken om zich nog terug te trekken. (Bijvoorbeeld als iemand verklaart dat hij ontslag zal nemen als aan zijn eisen niet wordt voldaan.)

Schipbreuk lijden.
Het niet tot zijn doel geraken; mislukken.

Zijn schip is binnen.
Hij heeft zijn fortuin gemaakt.

Schoon schip maken.
Grote opruiming houden en alles helder maken.

Het schip ingaan.
Groot risico nemen, leidend tot verlies.

Daar komt een schip met zure appels.
Daar komt een stevige regenbui aan.

schoen

De stoute schoenen aantrekken.
Iets doen wat moed vergt.
(Het woord 'stout' wordt gebruikt in de oude betekenis 'dapper'.)

Iemand iets in de schoenen schuiven.
Iemand aanwijzen als de schuldige of als de verantwoordelijke voor een mislukking.

Met lood in de schoenen.
Met heel veel tegenzin of angst (iets doen).

Naast zijn schoenen lopen.
Een te hoge dunk van zichzelf hebben.

Waar de schoen (of het schoentje) wringt.
Waar iemand hinder van ondervindt (bv. "Na lang praten kwam de directeur er achter waar nu eigenlijk de schoen wrong.").

schoorsteen

Daar moet de schoorsteen van roken.
Dat moet de inkomsten voortbrengen. Daar moeten we van bestaan.

schop

De schop afkuisen.
Stoppen met het werk.

schot

Buiten schot blijven.
Niet worden aangetast (bv. "Het onderwijs blijft bij de nieuwe bezuinigingen buiten schot.").

Een schot voor de boeg.
Een uitspraak of vraag als eerste aanzet tot een gesprek of discussie (eigenlijk: een waarschuwingsschot).

schroef

(Iets) staat op losse schroeven.
Het is onzeker, er valt niet op te bouwen.

Iets op losse schroeven zetten.
Iets wankel maken; het voortbestaan van iets onzeker maken.

schuur

Thuis is in je schuur.
Wordt gezegd als je weinig thuis bent.

servet

Te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken.
Geen kind meer, maar nog te jong voor volwassen zaken.

sfinx

Een sfinx zijn.
Typisch zijn.

Siberisch

Het laat mij Siberisch koud.
Het interesseert me totaal niet.

sigaar

De sigaar zijn.
Ongeluk hebben (veelal door een anders toedoen).

Een sigaar uit eigen doos presenteren.
Iemand iets aanbieden dat in feite door de ontvanger zelf is betaald.

Sinterklaas

Voor Sinterklaas spelen.
Alle wensen vervullen, alles voor iedereen betalen.

Ik ben Sinterklaas niet.
Niet alles voor niets doen.

slag

Helemaal van slag zijn.
In de war zijn.

slak

Op iedere slak zout leggen.
Aanmerkingen maken op elke onbetekenende afwijking, overal op zeuren.

Een slak op de goede weg, wint het van een haas op de verkeerde weg.
Je kunt beter iets langzaam en goed doen, dan snel en niet goed.

Zo snel als een slak op een teerton.
Erg langzaam.

slapen

De slaap der rechtvaardigen slapen.
Een schoon geweten hebben.

Hij stond te slapen.
Hij lette niet op.

slof

Uit zijn slof schieten.
Kwaad uitvallen.

Iets op zijn sloffen aankunnen.
Iets heel gemakkelijk kunnen uitvoeren.

sloot

Van de wal in de sloot belanden.
Van een slechte situatie terechtkomen in een situatie die nóg slechter is.

smetten

Van vreemde smetten vrij.
Onafhankelijk, bevrijd.

snor

Zijn snor drukken.
Zijn werk niet doen.

Dat zit wel snor.
Dat komt wel goed.

soep

In de soep lopen.
Volledig mislukken (van een plan).

Hij maakt er een soepie van.
Hij gaat niet ordelijk te werk.

sok

Van de sokken gaan, raken, vallen.
Bewusteloos vallen.

Iemand van de sokken slaan.
Iemand vellen, neerslaan.

Iemand van de sokken rijden, lopen.
Iemand (bijna) omver rijden of lopen.

Een held op sokken.
Iemand die zich dapper voordoet, maar in werkelijkheid niets durft. Een bangerik.

Een beer op sokken.
Een goedzak.

Je kunt niet met twee voeten in één sok.
Twee onverenigbare zaken kunnen niet worden gecombineerd.

Met de sok op de kop gezet.
Er onbewust door toedoen van anderen voor joker bijlopen.

sop

Het sop is de kool niet waard.
De zaak is zo onbelangrijk, dat het verspilling zou zijn om er veel tijd of woorden aan te besteden.

In zijn sop gaar laten koken.
Zijn kritiek en protesten negeren.

Het ruime sop kiezen.
Op zee gaan.

spaander

Waar gehakt wordt, vallen spaanders.
Waar werk verricht wordt, worden ook wel wat fouten gemaakt.

Er geen spaan van heel laten.
Iets compleet vernielen.

spek

De kat op het spek binden.
Iemand volop de gelegenheid geven zich te vergrijpen aan wat hij wil, maar beslist niet mag hebben.

Voor spek en bonen meedoen.
Iemand niet serieus laten meedoen, een kind aan een spelletje bijvoorbeeld.

speld

Een speld in een hooiberg.
Iets wat vrijwel onvindbaar is.

Er geen speld tussen kunnen krijgen.
Niets tegen in kunnen brengen.

Zo stil dat je een speld kunt horen vallen.
Bijzonder stil.

spiering

Een spierinkje uitgooien om een kabeljauw te vangen.
Een klein verlies accepteren om daarmee kans te maken op een grote winst.

spijker

Spijkers op laag water zoeken.
Kritiek hebben op onbenulligheden.

De spijker op de kop slaan.
De kern van de zaak benoemen.

spuit

Spuit elf geeft ook modder.
Over iemand die een loze opmerking maakt of iets zegt wat al gezegd is.

stap

Grote stappen, gauw thuis.
Een taak uitvoeren zonder zich er druk over te maken of ieder detail correct wordt aangepakt.

De eerste stap zetten.
Initiatief nemen.

stapel

Te hard van stapel lopen.
Iets te snel aanpakken.

steek

Geen steek zien.
Niets zien.

Iemand in de steek laten.
Iemand aan zijn lot overlaten.

Een steek(je) laten vallen.
Een fout maken.

steen

Steen des aanstoots.
Iets waaraan men zich ergert.

Steen en been klagen.
Luid en heftig klagen.

Steenrijk.
Uitzonderlijk rijk.
(Historisch: in de vroege middeleeuwen konden enkel kapitaalkrachtigen zich een stenen huis permitteren; de standaard was toen hout.)

Een steentje bijdragen.
Ergens een bijdrage aan leveren.

Een ezel stoot zich in het gemeen, geen twee maal aan dezelfde steen.
Dezelfde fout meer dan eens maken is zelfs een 'ezel' onwaardig.

stoel

Je mening niet onder stoelen of banken steken.
Je mening niet verbergen, openlijk voor je mening en standpunten uit durven komen, bijvoorbeeld van afkeuring van iets.

stom

Stomdronken.
Helemaal bezopen, meer alcohol genuttigd hebbend dan men aankan.

Met stomheid geslagen.
Plotseling geen woord meer kunnen zeggen.

storm

Een storm in een glas water.
Drukte maken om (bijna) niets.

straat

Iemand op straat zetten.
Iemand ontslaan.

Dat raak je aan de straatstenen niet kwijt.
Dat is niet te verkopen.

stuk

Een stuk in de kraag drinken.
Zich dronken drinken.

Dat is een stuk!
Dat is een aantrekkelijk persoon.

Iemand van zijn stuk brengen.
Iemand onzeker maken.

tafel

Iets ter tafel brengen.
Voorstellen om iets te bespreken.

Zijn kaarten op tafel leggen.
Zijn bedoelingen tonen.

tand

De tand des tijds.
Slijtage, veroudering.

Ergens zijn tanden inzetten.
Vasthoudend zijn, niet snel opgeven.

Haar op zijn tanden hebben.
Goed gebekt zijn, iemand durft goed van zich af te spreken.

Iemand aan de tand voelen.
Hem kritisch ondervragen.

Met zijn mond vol tanden staan.
Niet kunnen antwoorden/reageren op een netelige vraag.

Op zijn tandvlees lopen.
Uitgeput zijn.
Of: Er haveloos bijlopen.

Zijn tanden laten zien.
Tonen dat men niet bang is, van zich afbijten; stevig uitvaren; streng zijn.

Tot de tanden bewapend zijn.
Helemaal bewapend zijn.

tang

Iemand in de tang nemen.
Iemand zo vasthouden dat hij of zij niet kan ontsnappen.
Of: Iemand in zijn macht hebben.

Te vies om met een tang aan te pakken.
Heel vies en smerig.

Een tang van een wijf.
Een heks, feeks.

Een oude tang.
Een oude lastige vrouw.

Dat slaat als een tang op een varken.
Dat slaat nergens op.

teen

Op zijn/haar tenen getrapt zijn.
Zich snel beledigd voelen.

Lange tenen hebben.
Snel geïrriteerd zijn.

Op je tenen lopen.
Meer willen presteren dan je aan kunt.
Of: Voorzichtig te werk gaan.

tegenslag

Een tegenslag.
Een onverwacht nadelig feit of voorval.

teken

Teken aan de wand.
Een waarschuwing dat er iets gaat gebeuren.

tellen

Uitgeteld zijn.
Geen energie meer over hebben. Niet verder kunnen.
(Waarschijnlijk afgeleid van de tien tellen die een bokser krijgt in een wedstrijd om weer overeind te komen.)

Op je tellen passen.
Voorzichtig zijn.

teren (levensonderhoud)

Op iets teren.
Ook: Op iemands zak teren.
Van een (geld)voorraad gebruik maken om in (levens)behoeften te voorzien.

Op zijn vet (of smeer) teren.
Leven van gespaard geld.

De tering naar de nering zetten.
De uitgaven beperken tot het bedrag van de inkomsten.

tering (ziekte)

Ik mag de tering krijgen.
Er zeker in zijn.

teugel

De teugels laten vieren.
Een minder streng beleid voeren.

De teugels in handen hebben.
De baas zijn.

De teugels strakker aanhalen.
Een strengere discipline invoeren.

thuis

Niet thuis geven.
Het verwachtingspatroon niet kunnen nakomen.

Thuis is in je schuur.
Wordt gezegd als je weinig thuis bent.

tien

Een tien met een griffel en een zoen van de juffrouw.
In de volksmond: De beste beloning voor een 19e-eeuws schoolkind.

tij

Het tij keren.
Een ontwikkeling stoppen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het toenemen van zinloos geweld.

tijd

Goed bij de tijd zijn.
Snugger.

tong

Over de tong gaan.
Overal het onderwerp van gesprek zijn.

Het achterste van je tong (niet) laten zien.
Zich (niet) meteen laten kennen; (n)iets verbergen.

toon

Een toontje lager zingen.
Minder pretentieus optreden (bv. "Laat hem eerst maar eens een poosje bij ons stage lopen, dan zal hij wel een toontje lager zingen.").

De boventoon voeren.
Het hoogste woord hebben.

toren

Hoog van de toren blazen.
Praten alsof men heel belangrijk is.
(Historisch: het trompetsignaal van de toren geblazen werd verder gehoord.)

touw

Aan de touwtjes trekken.
De werkelijke macht hebben (in de context van een organisatie).

De touwtjes in handen hebben.
De controle hebben.

Er is geen touw aan vast te knopen.
Er is niets van te begrijpen.

Op touw zetten.
Een actie of iets dergelijks tot stand brengen of in gang zetten.

In touw zijn.
Actief (als in: "hij was al vanaf 5 uur 's morgens in touw").

Zo dom als touw.
Onnozelheid of domheid (als in: "Je bent ook zo dom als touw hè?!").

trekken

Aan zijn/haar trekken komen.
Dat meemaken of verwerven wat men graag wil.

trommel

Een paar mensen optrommelen.
Een paar mensen laten komen.

Turk

Aan de Turken overgeleverd zijn.
Slecht behandeld, bedrogen, mishandeld worden.

Roken als een Turk.
Kettingroken.

ui

Het was uien.
Het ging bijzonder slecht, het viel bijzonder tegen.

uil

Hij is een uil.
Hij is een dwaas, een stomkop.

Uilen naar Athene dragen.
Ook: water naar de zee, kolen naar Newcastle.
Nutteloos werk verrichten.

Een uil vangen.
Een grote strop hebben.

Een uiltje knappen.
Een dutje doen.

uit

We zijn er uit.
We hebben de oplossing gevonden.

uithangbord

Ik ben geen uithangbord.
Ik heb meer te doen, ik blijf niet wachten/zo staan.

uitpakken

Iemand die behoorlijk kan uitpakken.
Iemand die ongeremd zijn toorn kan uiten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren