Maria Antonia van Beieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maria Antonia Walpurgis Symphorosa van Beieren

Maria Antonia Walpurgis Symphorosa van Beieren (München, 18 juli 1724 - Dresden, 23 april 1780) was de oudste dochter van de Beierse keurvorst Karel Albrecht, de latere keizer Karel VII Albrecht, en van Maria Amalia van Oostenrijk. Zij was als oudste dochter van de keizer een begeerde bruid en had een verzorgde opvoeding genoten, onder meer in de schilderkunst, dichtkunst en het bespelen van muziekinstrumenten.

In 1747 huwde zij met de Saksische keurvorst Frederik Christiaan, haar neef in de eerste graad, met wie zij tijdens de Zevenjarige Oorlog in 1759 voor de Pruisen naar Praag diende te vluchten. Het paar kreeg negen kinderen:

Slechts 74 dagen na zijn aantreden als keurvorst overleed haar echtgenoot, Frederik Christiaan aan de pokken. De oudste zoon van het paar, Frederik August III, was nog minderjarig en Maria Antonia nam het regentschap waar samen met haar zwager, Frans Xavier. Het kwam tot een breuk tussen beide regenten toen Frans Xavier in naam van zijn neef afzag van de rechten op de Poolse troon, terwijl Maria Antonia onvoorwaardelijk vasthield aan de aanspraken op het prestigieuze ambt. Maria Antonia was ook bedrijvig als ondernemer. Zo begon zij in 1763 bij Naundorf met een katoenfabriek en was zij sinds 1766 eigenaar van de Beierse brouwerij in Dresden. Zij was lid van de orde der Sklavinnen der Tugend. Aan het einde van haar leven schreef zij de verhandeling Von der Befestigung des Gemütes gegen die Schrecken des Todes.

Maria Antonia als kunstenares[bewerken]

Het keurvorstelijk paar had haar geboorte al laten vieren met een opvoering van Pietro Torris opera Amadis de Grecia en tijdens haar jeugd in München kreeg zij onderricht van de bekende operacomponisten Giovanni Battista Ferrandini en Nicola Porpora. Nadat zij bij haar huwelijk met Frederik Christiaan van Saksen, stukken van Bibiena, Christoph Willibald Glucks opera Le nozze d'Ercole e d'Ebe en Johann Adolf Hasses opera La Spartana generosa gehoord had, vervolledigde zij tijdens haar verblijf in Dresden met behulp van deze laatste en van Porpora haar muzikale opleiding. Zij voelde zich vooral aangetrokken tot de stijl van de opera seria. Zij trad op in talrijke opvoeringen aan het hof als zangeres en cimbaliste. In 1747 werd zij opgenomen in de Accademia dell'Arcadia in Rome, een instelling voor operahervorming en nam het pseudoniem ETPA (Ermelinda Talea Pastorella Arcadia) aan.

Naast vele kunstenaars en wetenschappers steunde zij ook de kapelmeester Johann Gottlieb Naumann en de schildersfamilie Mengs.