Marina Tsvetajeva

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Marina Tsvetajeva
Marina Tsvetajeva
Marina Tsvetajeva
Algemene informatie
Volledige naam Marina Ivanovna Tsvetajeva
Geboren 8 oktober 1892, Moskou
Overleden 31 augustus 1941, Jelaboega
Land Rusland
Beroep Dichteres
Werk
Bekende werken Mijlpalen, Verzen aan mijn zoon
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Marína Ivánovna Tsvetájeva (Марина Ивановна Цветаева) is een 20e-eeuwse Russische dichteres. Haar werk wordt door andere dichters geprezen om zijn natuurlijkheid en diepgang. Zij liet een omvangrijk oeuvre na; meer dan vijftienhonderd gedichten en poëmen, acht toneelstukken, essays en veel brieven. Ze stond bekend om haar zeer sterke en onafhankelijke persoonlijkheid. Haar leven verliep tragisch.

Biografie[bewerken]

Jonge jaren[bewerken]

Marína's vader, Ivan Vladimirovitsj Tsvetajev, was hoogleraar aan de universiteit van Moskou. Zijn levenswerk was de realisatie van een intussen meer dan een eeuw bestaand museum voor beeldende kunst. In eerste instantie was dit bedoeld voor (kopieën van) de klassieke beeldhouwkunst. Het werd in 1912 geopend in bijzijn van tsaar Nicolaas II. Sinds 1937 wordt dit het Poesjkinmuseum genoemd. Haar moeder, Maria Alexandrovna Tsvetajeva (geboren: Meyn), was een pianiste van Duits-Poolse afkomst. Zij had concertpianiste willen worden en nu Marina daartoe voorbestemd. In haar kleuterjaren bracht Marina daardoor vele uren door achter de piano, maar ook op die leeftijd al werd zij veel meer geboeid door taal. Toch heeft haar vroege muzikale ontwikkeling mogelijk effect gehad op haar latere dichtwerk. Het huwelijk van haar ouders was niet gelukkig. Haar vader was hertrouwd maar had het verlies van zijn vorige partner niet verwerkt, hetgeen de sfeer in huis beïnvloedde. Marina had een oudere halfzuster en halfbroer, Valeria en Andrej, en een jongere zus Anastasia, roepnaam Asja. Ze woonden op een landgoed in de Trjochproednystraat in Moskou, met een tuin met eenden, seringen, een koetshuis, duiven, een honderd jaar oude zilverpopulier bij de toegangspoort, en korte tijd een koe. Het huis had elf kamers en geen elektriciteit. 's Zomers verbleef het gezin in hun datsja in Taroesa. Haar moeder overleed toen ze veertien jaar was, haar vader op haar twintigste. Vertaald werk van Marina over haar kindertijd is opgenomen in Herinneringen en Portretten.

Tijdens haar middelbareschooltijd verbleef Marina verscheidene malen in Italië, Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. Ze volgde als zestienjarige een zomercursus Franse letterkunde aan de Sorbonne. In 1910 introduceerde de symbolistische dichter Lev Lvovitsj Koblinski (Ellis) haar bij Musagetes, het Genootschap voor Vrije Esthetiek, in de literaire kringen van Moskou. Kort daarna verscheen haar eerste dichtbundel Avondalbum. Dit bracht haar in ontmoeting met de dichter Maximilian Volosjin en sinds 1911 vertoefde ze vaak in Koktebel op de Krim bij hem, zijn familie en andere gasten. Het ontspannen leven daar vormde een contrast met de strengheid en soberheid van thuis. Daar leerde ze ook Sergej Efron kennen en trouwde met hem in januari 1912. Ze kregen twee dochters: Ariadna (roepnaam: Alja) in 1912 en Irina in 1917. Na enkele jaren op de Krim betrokken ze in 1914 een appartement, 'mijn zolderpaleis', aan de Borisoglebskilaan in Moskou. In dat jaar ontstond een liefdesrelatie tussen haar en Sofia Parnok die tot 1916 zou duren. Ze zou daar twee decennia later in Brief aan de Amazone over schrijven. In de winter van 1915-1916 verbleef ze op initiatief van Parnok in Petersburg en maakte kennis met enkele bekende dichters, waaronder Michail Koezmin en Osip Mandelstam en Sergej Jesenin. Ze raakte met Mandelstam bevriend en liet hem Moskou zien. Hij schreef daar gedichten over. Anna Achmatova, ook in Petersburg woonachtig, ontmoette ze toen niet tot haar spijt. Ze ontkende dat er sprake was van rivaliteit tussen haar en Achmatova, integendeel want 'zij schreef juist gedichten voor Achmatova en Achmatova droeg die handgeschreven gedichten altijd in haar tas met zich mee tot er niets dan vouwen en scheuren van over waren'. Achmatova zou dit laatste 'een welriekende legende' van Tsvetajeva noemen. Ook Aleksandr Blok heeft ze toen gemist. Hem zou ze nooit, 'in de gebruikelijke zin van het woord', ontmoeten. Vanwege het rijke literaire leven werd deze periode wel de 'Zilveren Eeuw' genoemd. Vertaald werk van Marina over haar verblijf op de Krim en in Petersburg is opgenomen in Levend over levend.

Oorlogscommunisme en emigratie[bewerken]

Na de Oktoberrevolutie in 1917 vluchtte haar man naar het zuiden en sloot zich als officier aan bij het Witte Leger. Marina bleef in Moskou met twee jonge kinderen. Het waren zeer moeilijke omstandigheden: Er was gebrek aan voedsel en om te overleven moest ze meubels tot brandhout verwerken, haar spullen proberen te verkopen op de Soecharevka- en de Smolensk-markt, zich daar in gedrang begeven, afdingen. Ook maakte ze een tocht naar het gouvernement Tambov om sits voor graan te ruilen. Dit bracht haar in aanraking met een ander Rusland en een ander Russisch dan het literaire dat ze kende uit haar jeugd. Het verrijkte haar uitdrukkingsmogelijkheden. Tegelijk kon ze in haar werk alleen maar zichzelf blijven. Vele manco's van het communisme herkende ze scherp en onmiddellijk. Vertaald werk van haar over deze periode is opgenomen in Ik loop over de sterren. De jaren 1918-1919 waren ook de jaren waarin ze zich voor drama begon te interesseren. Die belangstelling werd gewekt door de beginnend toneelschrijver Pavel Antokolski, die haar introduceerde bij de acteur en regisseur Joeri Zavadski. Maar de grootste indruk maakte de actrice Sofja Gollidej (Sonetsjka) die, volgens Tsvetajeva, met alleen een keukenstoel het publiek in een monodrama wist te boeien. Ze raakten bevriend en Marina schreef in deze periode, behalve Hartenboer en Sneeuwstorm, een aantal toneelstukken met vrouwelijke rollen die voor haar waren bedoeld: Fortuna, Het avontuur, De stenen engel, De feniks. Later, in emigratie, zou ze de tragedies Ariadna en Phaedra schrijven.

Haar jongste dochtertje, Irina, overleed in februari 1920 in een kindertehuis bij Moskou, mede als gevolg van de hongersnood die de burgeroorlog met zich bracht.

Net als haar man vertrok ze na de burgeroorlog in mei 1922 naar het buitenland. Na korte tijd in Berlijn en drie jaar in Praag en omgeving te hebben gewoond, vestigde zij zich in 1925 in Parijs. Nog in haar Praagse tijd ontstond een liefdesrelatie met Konstantin Rodzevitsj die abrupt werd afgebroken. Dit was aanleiding voor het schrijven van het Poëem van het einde (opgenomen in Werken). In februari 1925 beviel zij van een zoon: Georgi (roepnaam: Moer). Ze correspondeerde in die jaren met Rainer Maria Rilke en Boris Pasternak. Ze schreef naar aanleiding van het overlijden van Rilke, december 1926, het gedicht "Novogodnjeje", vertaald als Nieuwjaars-groet, -brief of -wens. Joseph Brodsky meent in zijn uitvoerig essay Voetnoot bij een gedicht dat dit een mijlpaal is, niet alleen in haar werk, maar in de Russische dichtkunst in het algemeen. Aanvankelijk werd ze in de kringen van de Russische emigranten gewaardeerd. Een voordrachtsavond van Marina in Parijs bijvoorbeeld trok zoveel publiek dat de ramen van de zaal werden opengezet, zodat degenen die niet meer naar binnen konden de avond toch konden meemaken. Maar allengs traden er spanningen op. Zo schreef zij in de herfst van 1928 een open brief aan de door haar gewaardeerde Sovjetdichter Vladimir Majakovski, hetgeen haar in het emigrantenmilieu publicatiemogelijkheden kostte. In de jaren dertig zou zij veel autobiografisch, essayistisch en biografisch proza schrijven om in een schamel onderhoud van haar en de haren te kunnen voorzien. Intussen deden sinds haar vertrek, volgens Pasternak, in Moskou haar nieuwe gedichten in handschrift de ronde.

Terugkeer en suïcide[bewerken]

Tsvetajeva keerde in juni 1939 terug naar de Sovjet-Unie. Deze beslissing werd naast isolement, armoede, heimwee en zorgen over de toekomst van haar zoon toch vooral ingegeven door de in de jaren dertig veranderde houding van haar man jegens de Sovjet-Unie. Hij werd op den duur in Frankrijk verdacht van spionage en betrokkenheid bij moord en voelde zich gedwongen al in 1937 terug te gaan. Haar dochter Alja volgde haar vader in datzelfde jaar. Twee maanden na Marina's terugkeer en hun hereniging werd Alja gearresteerd en uiteindelijk verbannen naar een dorpje in Siberië. De arrestatie van Sergej volgde in oktober 1939. Hij werd beschuldigd van pogingen door middel van infiltratie in de geheime dienst het communistische regime te ondermijnen, ter dood veroordeeld op 6 juli 1941 en uiteindelijk op 16 oktober 1941 in de Lubyanka gevangenis gefusilleerd. Marina heeft nog geprobeerd hun lot te verlichten door het sturen van pakjes en het schrijven van een brief aan Stalin.

Voor een moment terug in de Trjochproednystraat zag ze dat alleen de oude zilverpopulier er nog stond. Marina probeerde zich met vertalingen in leven te houden maar kon zich uiteindelijk maar nauwelijks handhaven in Moskou. In juni 1941 ontmoette ze, voor het eerst en het laatst, Anna Achmatova. Daarna, begin augustus, de Tweede Wereldoorlog was onvermijdelijk ook voor Rusland begonnen, vertrok ze als evacué naar Jelaboega, een stad ongeveer 800 kilometer ten oosten van Moskou. Vermoedelijk veronderstelde ze dat, ten gevolge van haar onafhankelijkheid, de aandacht van de autoriteiten op haar gericht was en dat zij daardoor een bedreiging was voor de toekomst van haar zoon Moer. Ze maakte daarom op 31 augustus 1941 door verhanging, 'mijn ogen zoeken naar een haak', een einde aan haar leven. In Jelaboega is ze begraven, maar waar haar graf precies ligt is niet bekend. Haar zoon is later, als militair, onder onduidelijke omstandigheden tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen. De verbanning van haar dochter Alja werd in 1956 opgeheven. Zij heeft zich daarna voor het behoud en de verspreiding van het werk van Marina Tsvetájeva ingezet.

Eigenschappen van haar werk[bewerken]

Een belangrijk kenmerk van haar lyriek is haar beheersing van alle lagen van het Russisch, van Kerkslavisch en sprookjesidioom tot en met de taal van de Smolenskmarkt. Tezamen met haar grote aandacht voor klank- en betekenisassociaties, voor metrum en ritme, weet ze al deze elementen, elkaar op een natuurlijke manier versterkend, in een gedicht samen te brengen.

Volgens Brodsky wordt bij Tsvetajeva, evenals bij Achmatova maar in tegenstelling tot de meeste Russische schrijvers, het individu niet ondergeschikt gemaakt aan de betekenis of het doel van de geschiedenis. Tsvetajeva is daardoor in staat om zonder terughoudendheid het individu in zijn omstandigheden centraal te stellen.

Blijkens het muurgedicht in Leiden (geschreven in 1913) was Tsvetajeva zich al vroeg bewust van de hoge kwaliteit van haar werk, maar veronderstelde ze dat de meeste van haar lezers dat pas later zouden ontdekken. Volgens Brodsky, in zijn essay over haar gedicht Nieuwjaarsgroet, gaan grote dichters zoals Tsvetajeva in hun ontwikkeling zich op een steeds kleinere groep lezers richten tot op den duur alleen een ideale lezer overblijft.

Ook haar essays hebben de ongewoon grote uitdrukkingskracht van een dichter.

Ze wordt in haar vroege schrijverschap vaak ingedeeld bij het Russisch symbolisme. Maar ook in die jaren had ze al grote belangstelling voor het werk van andere dichters, zoals Achmatova en Mandelstam. Wellicht kan men zeggen dat ze deze indeling in de loop van haar schrijverschap is ontstegen.

Herinnering, invloed, waardering[bewerken]

Marína Tsvetájeva wordt beschouwd als een van de toonaangevende Russische dichters in de 20e eeuw.

Boris Pasternak schreef in zijn autobiografisch essay: "Je moest diep in haar werk doordringen. Toen ik dit deed, stond ik versteld van de afgrond van zuiverheid en kracht die zich voor mij opende. Nergens om mij heen vond ik iets dat daarmee te vergelijken was. Ik geloof niet dat ik overdrijf, wanneer ik zeg: met uitzondering van Innokenti Annenski en Aleksandr Blok, en, met zekere beperkingen Andrej Bely was de vroege Tswetajewa precies wat de andere symbolisten bij elkaar genomen zo graag hadden willen zijn, maar niet konden bereiken. Daar, waar hun literatuur in een wereld van bedachte schema's en levenloze archaïsmen machteloos rond spartelde, steeg Tswetajewa moeiteloos boven alle problemen van de werkelijke creativiteit uit, en wist de erdoor gestelde taken spelenderwijs en met weergaloos technisch brio te vervullen."

Lidija Tsjoekovskaja memoreerde dat Achmatova haar op 2 juli 1960 enkele foto's liet zien, waarvan een van haarzelf en een van Tsvetajeva. Zij vroeg: "Herkent u hem?" Tsjoekovskaja begreep de vraag niet. "Herkent u de broche? Het is dezelfde. Ik heb hem van Marina gekregen." Tsjoekovskaja keek en het was inderdaad zo. Het was dezelfde broche op de jurk van Tsvetajeva en Achmatova. En het was dezelfde broche die Achmatova in De echte twingstigste eeuw memoreerde op de vloer van het Mariinskitheater te hebben laten stukvallen.

Anna Achmatova karakteriseerde Marina Tsvetajeva als iemand die opging in het bovenverstandelijke. Ze omschreef haar als "dolfijnachtig", een term die ze ontleende aan een uitspraak van Cleopatra over Antonius in het naar hen genoemde toneelstuk (Akte 5.2) van Shakespeare.

Nadezjda Mandelstam, de vrouw en sinds 1938 weduwe van Osip Mandelstam, schreef in het Tweede boek van haar memoires over haar: 'Ze was volslagen en verbluffend geheimzinnig. Overal en in alles zocht zij naar extase en volheid van gevoelens, niet alleen in liefde, maar ook in verlatenheid, eenzaamheid en mislukking.'

Marko Fondse, schrijft in het nawoord van Werken: "Haar ingeschapen minachting voor ideologie die in wezen verwante geesten scheidt, deed haar dwars door alle scheidslijnen heenlopen. Midden in de Eerste Wereldoorlog leest ze in Petersburg publiekelijk een anti-oorlogsgedicht voor, dat tegelijk een verheerlijking van de Duitse beschaving is."

Joseph Brodsky noemde, bij zijn aanvaarding van de Nobelprijs, Achmatova, Mandelstam en Tsvetajeva als Russische dichters zonder wie hij als schrijver weinig waard zou zijn geweest.

In het weidse landschap bij Taroesa aan de oever van de Oka en in het drukke Moskou aan de Borisoglebskilaan staan beelden ter nagedachtenis aan haar.

Gedicht[bewerken]

Het gedicht Mijn verzen van Marina Tsvetajeva op een muur in Leiden (Nieuwsteeg 1)

Door gedachten aan het ware
En onvindbare verdoofd,
Heb ik heel de tuin papaver
Na papaverbloem, onthoofd.

Zo zal eens de dood, bij droge
Zomer aan een akkerrand,
Mijn hoofd plukken, onbewogen
En met achteloze hand.

(vertaling Anne Stoffel)

Werk[bewerken]

Dichtbundels

  • 1910 Avondalbum
  • 1912 Toverlantaarn
  • 1921 Mijlpalen
  • 1922 Verzen aan Blok
  • 1923 Het ambacht
  • 1928 Na Rusland
  • 1932 Verzen aan mijn zoon
  • 1957 Het zwanenkamp (politieke gedichten geschreven tussen 1917 en 1921)

Poëmen

  • 1914 Tovenaar (opgedragen aan haar zus Anastasia)
  • 1921 Op een rood paard (opgedragen aan Anna Achmatova)
  • 1924 Poëem van de berg (gericht aan Konstantin Rodzevitsj)
  • 1924 Poëem van het einde (naar aanleiding van de breuk met Konstantin Rodzevitsj)
  • 1925 De rattenvanger (als metafoor voor de Poëzie die wraak neemt op banaliteiten in het dagelijks leven)
  • 1926 Van de zee (een poëtische brief aan Boris Pasternak)
  • 1926 Poging van een kamer. (gericht aan Boris Pasternak en Rainer Maria Rilke)
  • 1926 Poëem van de trap (naar aanleiding van de armoede in Parijse buitenwijken)
  • 1927 Nieuwjaarsgroet (gericht aan Rainer Maria Rilke)
  • 1927 Poëem van de lucht (naar aanleiding van de trans-Atlantische vlucht van Charles Lindbergh)
  • 1928 De rode stier (naar aanleiding van de dood van een broer van haar vriendin Vera Zavadskaja)
  • 1929 Perekop (opgedragen aan haar man)
  • 1930 Siberië (oorspronkelijk bedoeld als proloog van het Poëem over het gezin van de tsaar)
  • 1936 Poëem over het gezin van de tsaar

Sprookjespoëmen

  • 1920 De Tsaar-Jonkvrouw
  • 1922 Steegjes
  • 1922 Mólodets (De jongen / De waaghals)

Toneelwerk

  • 1918-1919 Hartenboer; Sneeuwstorm; Een avontuur; Fortuna; De Stenen Engel; Een feniks
  • 1924 Ariadna
  • 1927 Phaedra

Proza

  • Autobiografisch, essayistisch en biografisch proza
  • Eindeloos veel brieven

Werk in Nederlandse vertaling[bewerken]

  • Marina Tsvetajeva, De Jongen. (vert. Jos Holtzer en Lena Lubotsky). Amsterdam, Pegasus, Slavische Cahiers nr. 17, 2013. ISBN 978-90-6143-378-1.
  • Anna Achmatova, Vladimir Majakovski en Marina Tsvetajeva, Ode aan de voetganger. Amsterdam, Van Oorschot, 2013. ISBN 978-90-2825-092-5
  • Marina Tsvetajeva, Theater. (vert. Jos Holtzer). Delft, Eburon, 2012. ISBN 978-90-5972-561-4
  • Marina Tsvetajeva, Phaedra. (vert. Jos Holtzer). Amsterdam, Pegasus & Stichting Slavische Literatuur, 2011. ISBN 978-90-6143-362-0
  • Marina Tsvetajeva: Ik loop over de sterren : schetsen, dagboekfragmenten en brieven over de Russische Revolutie. (samen., inl. en comm. Irina Grivnina ; vert. Anne Stoffel). Amsterdam, De Bezige Bij, 2000. ISBN 90-234-3869-8
  • Marina Tsvetajeva: Werken. (vert. Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes, red. Tom Eekman). (Lyriek, poëma's, aantekeningen, nawoord van Marko Fondse: o.a biografische schets van Tsvetajeva, kwaliteiten van haar dichtwerk en over de technische aspecten van het vertalen daarvan). Amsterdam, Van Oorschot, 1999. ISBN 90-282-0949-2
  • Marina Tsvetajeva: Nieuwjaarsgroet. (vert. Jattie Enklaar-Lagendijk). Baarn, Arethusa Pers, 1998. Geen ISBN
  • Marina Tsvetajeva: Levend over levend. (voor- en naw.: Irina Grivnina ; vert.: Anne Stoffel) Amsterdam, De Bezige Bij, 1996. ISBN 90-234-3573-7
  • Marina Tsvetajeva: Wat zijn mij wolken nog en wegen. (vert. Margriet Berg, Marko Fondse, Anne Stoffel en Marja Wiebes). Amsterdam, Van Oorschot, 1995. ISBN 90-282-0864-X
  • Marina Tsvetajeva: Negen brieven met een achtergehouden tiende en een ontvangen elfde. (vert. en naw. Jan Robert Braat). Amsterdam, Uitgeverij Pegasus, 1992. (Eerdere editie: 1985) ISBN 90-6143-238-3
  • Marina Tsvetajeva : Jouw tedere mond, een en al kus. (vert.: Toos van Aken et al.) Amsterdam, Prometheus, 1992. ISBN 90-5333-109-3
  • Marina Tsvetajeva : Het uur van de ziel. (vert. en naw. van Petra Couvée en Jan Timmers). Leiden : Plantage - Gerards & Schreurs, 1990. ISBN 90-73023-04-1
  • Kwartet: Osip Mandelstam, Anna Achmatova, Marina Tsvetajeva en Boris Pasternak. (vert. Charles B. Timmer. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1982. ISBN 9029548703
  • Marina Tswetajewa: Brief aan de amazone. (vert. door Gertrude Starink, red. Sylvia Bodnar). Utrecht, Vrouw Holle, 1982. ISBN 90-6518-003-6
  • Laura Starink: Anna Achmatova en Marina Tsvetajeva. Boekje samengesteld naar aanleiding van drie radioprogramma's uitgezonden op 17, 24 & 31 maart 1981. Hilversum, KRO kultuur, 1981. Geen ISBN
  • Marina Tsvetajeva: Herinneringen en portretten. (vert. Charles B. Timmer). Amsterdam, Arbeiderspers, 1981. Privé-domein, nr 73. ISBN 90-295-4936-X

Nederlandstalige publicaties over Tsvetajeva[bewerken]

  • Anna Achmatova: De echte twintigste eeuw, autobiografisch proza, p. 129-130. Beschrijving eerste en laatste ontmoeting tussen Achmatova en Tsvetajeva (in Moskou, juni 1941). (Vert. Alissa Leigh en Silvana Wedemann). Amsterdam, 2006, Privé-domein, nr. 249. ISBN 90-295-0051-4
  • Victoria Schweitzer: Tsvetajeva, biografie over Marina Tsvetajeva. (Vert. Yolanda Bloemen, Opgenomen gedichten: Marja Wiebes en Margriet Berg). Amsterdam, Bezige Bij, 1996. ISBN 90-234-3532-x
  • Ruth Wolf: Vannacht slaap ik met je : Rainer Maria Rilke & Marina Tsvetajeva; een liefde in brieven. Amsterdam, Contact, 1994. ISBN 90-254-0448-0
  • Joseph Brodsky: Tussen iemand en niemand, p. 199-268: Voetnoot bij een gedicht. Dit betreft een essay over het gedicht Nieuwjaarswens (Novogodnjeje). (Vert. Frans Kellendonk en Kees Verheul). Amsterdam, Bezige Bij, 1987. ISBN 90-234-3030-1
  • Charles B. Timmer: Russische notities, een nieuwe bundel, onder andere p. 82-96: Spelen met woordspelingen. In dit essay wordt ingegaan op de keuzes waar een vertaler voor komt te staan bij vertaling van werk van onder anderen Tsvetajeva. Amsterdam, 1985. ISBN 90-295-4840-1
  • Lidija Tsoekovskaja: Ontmoetingen met Anna Achmatova, onder andere p. 261-2. Beschrijving ontmoetingen tussen Achmatova en Tsvetajeva (Moskou, juni 1941). (Vert. Kristien Warmenhoven). Amsterdam, 1982, Privé-domein, nr. 82. ISBN 90-295-4937-8
  • Nadjezda Mandelstam: Memoires en tweede boek: Tweede Boek: onder andere p. 425-435. Beschrijving van een ontmoeting met Tsvetajeva in 1922, van de ontmoeting tussen Tsvetajeva en Achmatova in 1941. (vert. Hans Leerink). Amsterdam 1972. ISBN 90-282-0288-9
  • Boris Pasternak: Autobiografisch essay, onder andere p. 47, 78 en 89-94. (vert. Charles B. Timmer). Amsterdam, 1967. Geen ISBN bekend.

Uitvoeringen (muziek en toneel)[bewerken]

Externe link[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Poems on Russian op Wikisource