Rainer Maria Rilke

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Rainer Maria Rilke afgebeeld door Paula Modersohn-Becker

Rainer Maria Rilke (Praag, 4 december 1875Montreux, 29 december 1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. Daarnaast schreef hij verhalen, een roman, opstellen over kunst en cultuur en ook talrijke vertalingen, onder andere uit het Frans, van literaire werken en lyriek. Zijn omvangrijke briefwisseling vormt een belangrijk deel van zijn literair nalatenschap.

Leven[bewerken]

1875–1896: Jeugdjaren en opleiding[bewerken]

Rilke werd op 4 december 1875 te Praag geboren als René Karel Wilhelm Johann Josef Maria Rilke. In die tijd spraken vooral de hogere klassen in Praag geen Tsjechisch, maar Duits, zo ook Franz Kafka. Zijn kinderjaren en jeugd verliepen moeilijk.

Zijn vader, Josef Rilke (18381906) was een ontevreden man met een zwak karakter. Na een mislukte militaire carrière werd hij ambtenaar bij de spoorwegen. Zijn moeder, Sophie ("Phia") Entz (18511931) was een bazige vrouw uit een welgestelde Praagse familie van industriëlen (oorspronkelijk Joods, maar later tot het christendom bekeerd om aan antisemitisme te ontkomen). Zij zag haar dromen over een voornaam leven niet vervuld in haar huwelijk. In 1884 leidde dit tot een echtscheiding.

De verhouding met zijn moeder werd belast doordat zij niet over de vroegtijdige dood van haar oudste dochter heen gekomen was en zij daarom René (Frans: De herborene) in de rol van zijn overleden zuster dwong en zich zo uit emotionele hulpeloosheid aan hem bond. Tot zijn zesde levensjaar werd Rilke zo als meisje opgevoed: op oude foto's staat hij afgebeeld in een jurkje en met lang haar.

Onder druk van zijn ouders volgde de jongen, die veel talent voor dichten en tekenen aan de dag legde, vanaf 1885 een militaire opleiding, als voorbereiding op een loopbaan van officier. De eisen van de militaire oefeningen en de ervaringen binnen een samenleving die uit louter mannen bestond, traumatiseerden de gevoelige jongen blijvend. In 1891 stopte hij vanwege een ziekte met zijn militaire opleiding, waarna hij zich van 1892 tot 1895 met privé-onderwijs voorbereidde op zijn eindexamen waar hij in 1895 voor slaagde. Vervolgens studeerde hij in 1895 en 1896 literatuur, kunstgeschiedenis en filosofie in Praag en München.

Na zijn vertrek in 1896 veranderde Rilke zijn voornaam van "René" in Rainer en legde daarmee ook voor de buitenwereld zijn pogingen vast, om die ongelukkige band met zijn familie te verwerken.

1897–1902: Ontwikkelingsjaren[bewerken]

In 1897 raakte Rainer Maria Rilke te München verliefd op de veelbereisde Russisch-Duitse filosofe en schrijfster Lou Salomé, die echter gehuwd was en haar tweede familienaam Andreas handhaafde. Rilke reisde Lou Andreas-Salomé in de herfst van 1897 naar Berlijn achterna en nam zijn intrek in een woning vlak bij haar in de buurt. In 1898 ondernam hij zijn eerste buitenlandse reis van meerdere weken naar Italië. In de twee opvolgende jaren bezocht hij Rusland tweemaal. In 1899 reisde hij met het echtpaar Andreas naar Moskou, waar hij Leo Tolstoj ontmoette. In de maanden mei tot augustus van 1900 volgde een tweede Ruslandreis, deze keer alleen met Lou Andreas-Salomé, waarin hij wederom naar Moskou ging en naar Sint-Petersburg.

De innige relatie met de bijna vijftien jaar oudere Lou Salomé duurde tot omstreeks 1900. Ook na de scheiding bleef ze tot het einde van zijn leven Rilkes beste vriendin en adviseur. Zij had in 1912 en 1913 psychoanalytische ervaringen en kennis opgedaan bij Sigmund Freud, die bij haar dood over haar schreef dat zij "voor de grote dichter Rainer Maria Rilke, die nogal hulpeloos in het leven stond, zowel muze als zorgzame moeder was geweest".

In de herfst van 1900 ontmoette Rilke de beeldhouwster Clara Westhoff (1878–1954), toen hij een bezoek bracht aan Heinrich Vogeler in Worpswede. Het voorjaar daarop huwden ze. In december 1901 kregen zij een dochter Ruth (1901-1972), echter reeds in de zomer van 1902 gaf Rilke de gemeenschappelijke woning op en reisde hij naar Parijs om daar aan een monografie over de beeldhouwer Auguste Rodin (1840-1917) te werken. De relatie tussen Rilke en Clara Westhoff bleef gedurende zijn verdere leven bestaan, doch hij bleek niet de man voor een burgerlijk en plaatsgebonden gezinsleven. Tegelijkertijd ging hij gebukt onder financiële problemen, die slechts moeizaam opgelost konden worden door werkopdrachten aan te nemen.

1902–1910: De eerste scheppingsperiode[bewerken]

Zijn eerste oponthoud in Parijs viel Rilke zwaar, aangezien de vreemde en grote stad veel verschrikkingen verborg. Deze ervaringen heeft Rilke later in het eerste deel van zijn enige roman De aantekeningen van Malte Laurids Brigge (Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge) weergegeven. Tegelijkertijd echter zorgde de ontmoeting met het moderne voor talrijke prikkels: Rilke verdiepte zich eerst grondig in de beeldhouwwerken van Auguste Rodin en daarna in het werk van de schilder Paul Cézanne (1839-1906). Langzamerhand werd Parijs de belangrijkste woonplaats van de dichter. Van 1905 tot 1906 werd Rilke tot secretaris bij Auguste Rodin benoemd, die tegelijkertijd een idealistische vaderfiguur voor hem was. Kort nadat Rilkes echte vader gestorven was brak Rodin in mei 1906 de dienstbetrekking abrupt af. Voor de evolutie van Rilke als dichter is de samenwerking met Rodin van belang gebleken. Rodin wees hem op het belang van het observeren in de kunst. Dit leidde ertoe dat Rilke zijn poëtische opvattingen veranderde. Terwijl zijn vroegere gedichten sterk emotioneel geladen waren, vertrok hij nu van een object (een plant, een dier, een carrousel) waarvan hij na intense objectieve observatie het meest essentiële, de kern probeerde weer te geven zodat een soort dialoog ontstaat tussen dichter en object. Een typisch voorbeeld van deze zogenaamde 'dinggedichten' is het beroemde gedicht "Der Panther".

Zijn belangrijkste dichtwerken uit de tijd in Parijs zijn de Nieuwe gedichten (Neuen Gedichte) (1907), De nieuwe gedichten. Het andere deel (De neuen Gedichte anderer Teil) (1908) de beide Requiem-gedichten (1909) en de vermelde roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge), waar hij in 1904 al aan was begonnen, maar die hij pas in januari 1910 voltooide.

1910-1919: Innerlijke en uiterlijke omwentelingen[bewerken]

Slot Duino

Na de verschijning van de Aantekeningen kwam Rilke in een langdurige periode waarin het hem aan scheppingsvermogen ontbrak, een periode die pas in februari 1922 eindigde, toen hij de Elegieën van Duino (Duineser Elegien) voltooide, waarmee hij al in 1912 begonnen was. Deze gedichtencyclus dankt zijn naam aan zijn verblijf van oktober 1911 tot mei 1912 op het slot Duino van Marie prinses von Thurn und Taxis, dat bij Triëst ligt.

De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog verraste Rilke tijdens een verblijf in Duitsland. Hij kon niet meer naar Parijs terug. Zijn bezittingen die hij daar achtergelaten had werden in beslag genomen en geveild. Het grootste deel van de oorlog bracht Rilke te München door. Van 1914 tot 1916 had hij een stormachtige affaire met de schilderes Lou Albert-Lasard.

Begin 1916 werd Rilke opgeroepen voor militaire dienst en moest hij in Wenen een militaire basisopleiding doorlopen. Op voorspraak van een invloedrijk vriend werd hij overgeplaatst naar het oorlogsarchief en op 9 juni 1916 uit militaire dienst ontslagen. De tijd daarna bracht hij weer in München door, onderbroken door een verblijf op het landgoed Böckel in Westfalen van Herta Koening. De traumatische ervaring van de militaire dienst, die een vernieuwing van de verschrikkingen van zijn militaire schooltijd tot gevolg had, deed hem als dichter vrijwel volledig verstommen.

1919–1926: De voltooiing[bewerken]

Op 11 juni 1919 reisde Rilke van München naar Zwitserland. De uiterlijke reden was een uitnodiging uit Zürich om een voordracht te geven, de eigenlijke reden was echter de wens om te ontsnappen aan de naoorlogse hectiek, om zo het werk aan de Elegieën van Duino na lange tijd weer te kunnen opnemen. De zoektocht naar een geschikte en betaalbare woning bleek moeilijk. Rilke verbleef onder andere in Soglio, Locarno en Berg am Irchel. Pas in de zomer van 1921 vond hij zijn uiteindelijke verblijfplaats in het Chateau de Muzot dat in de buurt van Sierre in het Kanton Wallis ligt. In 1922 kocht Rilkes mecenas Werner Reinhart (1884–1951) het gebouw en hij liet Rilke er kosteloos in wonen.

Hier brak een zeer productieve tijd aan, en binnen enkele weken voltooide Rilke in februari 1922 de Elegieën van Duino, niet lang daarna schiep hij daar ook de beide delen van de gedichtencyclus Sonnetten aan Orpheus (Sonnette an Orpheus). Beide werken worden tot de hoogtepunten van Rilkes werk gerekend.

Sinds 1923 had Rilke echter met gezondheidsproblemen te kampen, waardoor hij langere tijd in een sanatorium opgenomen moest worden. Ook zijn langdurige verblijf in Parijs van januari tot augustus 1925 was een poging om door verandering van plaats en levensomstandigheden aan zijn ziekte te ontsnappen. Toch schreef hij ook nog in deze laatste jaren tussen 1923 en 1926 nog talrijke losse gedichten (bijvoorbeeld Gong en Mausoleum) alsook een omvangrijk en tot op heden niet voldoende naar waarde geschat lyrisch werk in de Franse taal.

Pas kort voor zijn overlijden werd vastgesteld dat Rilke aan leukemie leed. De dichter stierf op 29 december 1926 in het sanatorium Valmont sur Territet in de buurt van Montreux en werd op 2 januari 1927 op de begraafplaats van Raron, westelijk van Visp bijgelegd. Op zijn grafsteen staat een door hemzelf uitgekozen epitaaf:

Rose, oh reiner Widerspruch, Lust,
Niemandes Schlaf zu sein unter soviel
Lidern.

Roos, oh zuivere tegenspraak, het genot,
niemands slaap te zijn onder zoveel
oogleden.

Het artistieke werk[bewerken]

Rilke volgde in zijn gedichten een spoor dat verwant is aan de filosofie van zijn tijd, namelijk die van Arthur Schopenhauer en met name Friedrich Nietzsche, die hij reeds vroeg leerde kennen. Dit spoor leidt enerzijds tot een radicale afrekening van de vanzelfsprekendheden van het westelijke christendom en anderzijds tot eenzelfde afrekening met de moderne natuurwetenschappelijke verklaringspogingen van de werkelijkheid.

De biografie van de jonge Rilke is sterk beïnvloed door de ervaring geen vaderland te hebben en daarom lijkt het ook niet verbazingwekkend dat zijn eerste gedichten zich vooral met het thema "Heimat" (Vaderland, geboortegrond, plaats van oorsprong) bezighouden. Tot deze gedichten behoren beschouwingen over zijn geboorteplaats Praag, met name in de dichtbundel Larenoffer (Larenopfer), die in 1896 verscheen.

Uitstapje: Praag en de Literatuur
Het naar de buitenwereld toe open Praag, de zetel van de eerste universiteit die in het Duitse rijk gesticht is, leek rond 1900 een kweektuin voor aankomende schrijvers. Alleen al drie dichterskringen wedijverden met elkaar: De kleinere Praagse kring vormden Max Brod en zijn vrienden Franz Kafka, Felix Weltsch en Otto Baum. Veel auteurs waren lid van vereniging "Wefa", doch zij zijn vandaag de dag in de vergetelheid geraakt. Rilke, de uit Turkije afkomstige Gustav Meyrink, die beroepshalve in Praag was, en de jonge Franz Werfel behoorden tot de neo-romantische kring Jong-Praag. De dromerige en zwaarmoedige uitdruk in Rilkes eerste gedichten weerspiegelt het conflict tussen zijn melancholische en zwerverige levensgevoel en de kolkende levenslust van de stad.

Tot de eerste werken van Rilke behoren de dichtbundels Wilde cichorei (Wegwarten), Droomgekroond (Traumgekrönt) en Advent. Met de bundel Mij tot plechtigheid (Mir zur Feier) (1897/89) richt Rilke zich voor het eerst op een systematische verhandeling van het innerlijke menselijke leven, die vooral de plaats van zijn eigen, in het buitenleven gemiste, geboortegrond is. De gedichtenverzameling U tot plechtigheid (Dir zur Feier) (1987/98) is een liefdesverklaring aan de vereerde Lou Andreas-Salomé. Het Getijdenboek (Das Stunden-Buch) (drie delen, verschenen in 1899–1903) is naar het traditionele kerkelijke gebedenboek (ook getijdenboek genaamd) vernoemd, en vormt het eerste hoogtepunt van het vroegere werk van Rilke. Het vormt, naar zijn eigen zeggen, een uitdrukking van zijn directe relatie tot God, die volledig zonder de traditionele en kerkelijke binding bestaan kan. In de extatische uitdrukking tonen zich hier al de eerste aanloopjes tot Rilkes typische muzikale en virtuoze taalgebruik.

De filosofie van Nietzsche – die ook door Lou Andreas-Salomé, die een vriendin van beide mannen was, overgedragen werd – oefent rond de eeuwwisseling steeds meer invloed op Rilke uit. De radicale erkenning van de werkelijkheid zonder de consolatie van een genezijde of enige romantiek van sociale ontwikkeling geven ook Rilkes begrip van de wereld vorm. Daarvoor staan intensieve waarnemingen van de natuur en van de menselijke verhoudingen en gevoelslevens. Door dit alles wordt Rilkes "wereldinterieur" gevormd, waaruit alleen de gehele immanente wereldlijke werkelijkheid bestaat.

Van Rilkes werken uit zijn middelste periode tussen 1910 en 1912 zijn vooral zijn Neuen Gedichte en de roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge vormend. Rilke keert zich in deze werken radicaal tot de wereld van menselijke ervaringen. Met behulp van deze ervaringen probeert hij het wezen van de dingen te pakken te krijgen. Zo ontstaan zijn gedichten over dingen, zoals Blauwe Hortensia (Blaue Hortensie) en De Panter (Der Panther), die door een intensieve waarneming het eigenlijke en tijdloze geldende van de beschreven zaken openbaren. Daardoor stijgen ze boven zichzelf uit en werken bewustzijnsvormend op de lezer. In zoverre kunnen Rilkes gedichten symbolistisch genoemd worden. Deze manier van de wereld begrijpen (Rilke noemt het hierzijn) bereikt haar diepste radicaliteit zodra ze niet meer voor de ervaring van ellende en dood terugschrikt. Dit leidt tot het voor Rilke specifieke expressionisme dat in de eerste delen van de Duineser Elegien, waar de roerende stijl de plaats van de zakelijkheid en de vergaande passieloosheid van de voorgaande periode inneemt.

Deze stijl perfectioneert Rilke vervolgens na de lange productieloze periode tussen 1912 en 1922 met de voltooiing van zijn Duineser Elegien en zijn Sonetten an Orpheus. Die latere gedichten zijn apotheosen van zinnelijkheid en werkelijkheid, die door de geliefden (die Liebenden) en de "jong overledenen" in zuivere innerlijkheid gegrepen kan worden. Daarmee komt het prijzen van de wereldimmanentie en het peilen van de menselijke gesteldheid door Rilke bij haar einddoel.

Rilke vandaag[bewerken]

Vooral in Duitsland kan Rilke sinds enige jaren weer op toenemende belangstelling rekenen, ook buiten het "literair gevormde circuit". Dit kan het gevolg zijn van het toenemende individualisme van de huidige tijd, die in de gedichten van Rilke op adequate kunstzinnige wijze tot uiting komt, of simpelweg doordat het auteursrecht van de Insel-uitgeverijen sinds 1996 is verlopen, 70 jaren na het overlijden van Rilke. Zijn werk is op verscheidene websites gepubliceerd en in Duitsland ook bekend geworden door het Rilke-Projekt, waarbij gedichten op muziek gezet worden. In het Engelse taalgebied heeft de kunstenares Anne Clark op haar album Just after sunset uit 1998 ook werken van Rilke gebruikt. In Vlaanderen kreeg de Rilke receptie een stimulans doordat componist Piet Swerts in zijn Symphonie no 2 - Morgenrot een drietal teksten van Rilke op muziek zette. Van deze symfonie is in 2007 een cd-opname verschenen.

In 2009 gebruikte de Duitse filosoof Sloterdijk een passage uit Rilke's sonnet "Archaïscher Torso Apollos", waarmee hij in 1908 zijn cyclus "Die neuen Gedichte anderer Teil" opende, als titel voor zijn werk "Du mußt dein Leben ändern".

Rilke-project[bewerken]

In het kader van het "Rilke-project" vertolken (in Duitsland) bekende hedendaagse zangers en toneelspelers (onder wie Mario Adorf, Iris Berben, Karlheinz Böhm, Hannelore Elsner, Nina Hagen, Rudolph Moshammer, Xavier Naidoo, Wolfgang Niedecken, Jürgen Prochnow, Katja Riemann, Otto Sander, Peter Ustinov) teksten van Rilke. Hierdoor wordt geprobeerd Rilke voor nieuwe generaties toegankelijk te maken. In 2004 verscheen de derde CD van het project, tegelijkertijd werd ook een concerttour gehouden met talrijke live-optredens. De waardering van critici van deze grensverleggende interpretaties van literaire kunst is gemengd, deels vanwege de glitter en glamour waarmee de shows verzorgd worden. Op 4 april 2008 verscheen de CD "Erinnerung" van de Nederlandse zangeres La Pat. De teksten op de cd zijn van Rilke.

Nederlandse vertalingen[bewerken]

Ook in het Nederlandse taalgebied verschijnen nog met regelmaat vertalingen en uitgaven van Rilkes werk. In 2004 is het Getijdenboek (Das Stunden-Buch), samengesteld en vertaald door Piet Thomas verschenen. Andere werken die in vertaling nog (beperkt) beschikbaar zijn, zijn onder andere Nieuwe gedichten en Nieuwe gedichten. Het andere deel, die vertaald zijn door Peter Verstegen. In oktober 2006 verscheen een nieuwe vertaling van de "Elegieën van Duino" door Atze van Wieren en uitgegeven bij Uitgeverij IJzer te Utrecht.

Werk[bewerken]

Verzamelde werken[bewerken]

  • Rainer Maria Rilke, Sämtliche Werke in 12 Bänden, uitgegeven door het Rilke-Archiv in samenwerking met Ruth Sieber-Rilke, bezorgd door Ernst Zinn. Frankfurt am Main. 1976.
  • Rainer Maria Rilke, Werke. Kommentierte Ausgabe in vier Bänden und einem Supplementband, uitgegeven door Manfred Engel, Ulrich Fülleborn, Dorothea Lauterbach, Horst Nalewski en August Stahl. Frankfurt am Main en Leipzig 1996 en 2003.

Dichtbundels[bewerken]

Links verwijzen veelal naar Duitstalige sites.

Duitse versie van Het getijdenboek, Das Stunden-Buch, 1899
  • Leven en liederen (Leben und Lieder) (1894)
  • Larenoffer (Larenopfer) (1895)
  • Droomgekroond (Traumgekrönt) (1897)
  • Advent (Advent) (1898)
  • Geldbaum (1901)
  • Mij tot plechtigheid, Mir zur Feier (1909)
  • Het getijdenboek, (Das Stunden-Buch)
    • Das Buch vom mönchischen Leben (1899)
    • Das Buch von der Pilgerschaft (1901)
    • Das Buch von der Armut und vom Tode (1903)
  • Het beeldenboek, (Das Buch der Bilder) (4 delen, 1902–1906)
  • Nieuwe gedichten, Neue Gedichte (1907)
  • Nieuwe gedichten. Het andere deel. Der neuen Gedichte anderer Tei (1908)
  • Requiem, (1908)
  • Het Marialeven, Das Marien-Leben (1912)
  • Elegieën van Duino, (Duineser Elegien) (1912/1922) - Nederlandse vertaling: 'De elegieën van Duino', Uitgeverij IJzer, 2006.
  • Sonetten aan Orpheus, (Die Sonette an Orpheus) (1922)
    • Erster Teil
    • Zweiter Teil
  • Boomgaarden, (Vergers) (1926)
  • De kwatrijnen uit Wallis, (Les Quatrains Valaisans) (1926)
  • De rozen, (Les Roses) (1927)
  • De vensters, (Les Fenêtres) (1927)
  • Die Phallische Hymnen (lang na Rilkes dood uitgegeven)

Proza[bewerken]

  • De Kornet, Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke (voor het eerst gepubliceerd in 1904, afgerond 1906)
  • De aantekeningen van Malte Laurids Brigge, (Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge) (Roman, 1910)
  • Geschichten vom lieben Gott ( Rome, april 1904) Opgedragen aan Ellen Key

Brieven[bewerken]

  • Omvangrijke briefwisselingen. De belangrijkste Duitse verzamelde uitgaven zijn:
    • Gesammelte Briefe in sechs Bänden, uitgegeven. door Ruth Sieber-Rilke und Carl Sieber. Leipzig 1936-1939.
    • Briefe, uitgegeven door het Rilke-Archiv in Weimar. 2 Bände, Wiesbaden 1950 (Nieuwe oplage in 1987 in een Band).
    • Briefe in zwei Bänden, uitgegeven door Horst Nalewski. Frankfurt und Leipzig 1991.

In het Nederlands zijn onder andere Brieven aan Merline, Brieven aan Tora Holmström, Brieven over Cézanne en Brieven aan een jonge dichter uitgegeven.

Gedichten[bewerken]

Herbsttag

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

(1902, uit: Das Buch der Bilder)

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betäubt ein großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf -. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannter Stille -
und hört im Herzen auf zu sein.

(1902/03, uit: Neue Gedichte)

De Panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van ’t onafgebroken staren
naar tralies zo doodmoe dat hij niets ziet.
Wel duizend, een nooit eindigende schare,
en achter al die tralies geen verschiet.

De zachte tred van soepelsterke poten
die almaar, aldoor in de rondte gaat,
lijkt wel een dans, de cirkel wordt gesloten
waarin verdoofd een grote wilskracht staat.

Heel soms trekt nog de sluier voor de ogen
geluidloos op -. Dan kan een beeld erdoor
naar binnen, maar het hart blijft onbewogen -
in stilte gaat het beeld teloor.

(Vertaling voor wikipedia Gerda Baardman 2011)

Die Liebenden

Sieh, wie sie zu einander erwachsen:
in ihren Adern wird alles Geist.
Ihre Gestalten beben wie Achsen,
um die es heiß und hinreißend kreist
Dürstende, und sie bekommen zu trinken,
Wache, und sieh: sie bekommen zu sehn.
Laß sie ineinander sinken,
um einander zu überstehn.

(1908, Paris)

L'Attente

C'est la vie au ralenti,
c'est le cœur à rebours,
c'est une espérance et demie:
trop et trop peu à son tour.

C'est le train qui s'arrête en plein
chemin sans nulle station
et on entend le grillon
et on contemple en vain

penché à la portière,
d'un vent que l'on sent, agités
les prés fleuris, les prés
que l'arrêt rend imaginaires.

(1926)

Secundaire Literatuur[bewerken]

  • Karl Joseph Hahn, Rainer Maria Rilke, Eine Studie - Josef Habbel Verlag Regensburg, 1949
  • Manfred Engel, Dorothea Lauterbach (Hg.), Rilke Handbuch. Leben - Werk - Wirkung. Stuttgart und Weimar 2004.
  • Ralph Freedman, Life of a Poet, North Western University Press, 1998.
  • Wolfgang Leppmann, Rilke. Sein Leben, seine Welt, sein Werk. Bern 1981.
  • Ingeborg Schnack, Rainer Maria Rilke. Chronik seines Lebens und seines Werkes. Frankfurt/M. 1991.
  • Cornelia Pechota Vuilleumier, Heim und Unheimlichkeit bei Rainer Maria Rilke und Lou Andreas-Salomé. Literarische Wechselwirkungen. Olms, Hildesheim 2010.

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Rainer Maria Rilke.