Leukemie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.


Leukemie
Leukemiecellen
Leukemiecellen
Synoniemen
Latijn Leuchaemia[1][2][3][4][5][6]

Leucaemia'[4][7][5][8][9]
Leukaemia[5]
Leucohaemia[5]
Leucocythaemia[7][5][8]

Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Leukemie[9] is een verzamelnaam voor verschillende vormen van bloedkanker of preciezer: kanker van witte bloedcellen (leukocyten). Bij leukemie wordt het groeiproces van witte bloedcellen op een kwaadaardige manier veranderd. Hierdoor kunnen de bloedcellen zich niet ontwikkelen tot rijpe witte bloedcellen. Door het veranderde groeiproces kunnen de witte bloedcellen hun taak niet meer goed uitvoeren. De taak van witte bloedcellen is het lichaam beschermen tegen ziekteverwekkers. Ook maakt het beenmerg veel te veel witte bloedcellen aan. Er zijn veel soorten leukemie, die alle gemeen hebben dat één van de vele typen witte bloedcellen is ontaard en zich ongebreideld is gaan vermenigvuldigen.

Het Griekse woord leukemie dat "wit bloed" (λευκος + το αιμα) betekent, werd voor het eerst gebruikt door de Duitse patholoog Virchow. Een buis bloed van een leukemiepatiënt vertoont vaak een wit "neerslag" van (leukemische) cellen.

Verschijningsvormen[bewerken]

Er kunnen twee karakteristieke verschijningsvormen van leukemieën worden onderscheiden:

  • Acute leukemieën, waarbij de maligne cellen onrijp zijn;
  • Chronische leukemieën, die juist een opeenhoping van rijpe cellen vertonen.

Afhankelijk van het celtype kunnen acute en chronische leukemieën weer onderverdeeld worden in een:

  • Lymfatische vorm; Bij lymfatische leukemie ontstaan de leukemiecellen in de ontwikkeling van lymfoïde voorlopercel naar bloedcel
  • Myeloïde vorm; bij myeloïde ontstaan leukemiecellen in de myeloïdelijn.

Aan de hand van deze indeling zijn de vier hoofdsoorten van leukemie:

Oorzaken[bewerken]

De oorzaak van leukemie is niet precies bekend. Wel is er een aantal factoren bekend dat de kans op leukemie verhoogt. Dit zijn onder andere:

  • Erfelijke aanleg. Als leukemie in de familie veel voorkomt, is de kans groter dat men zelf ook leukemie krijgt.
  • Blootstelling aan ioniserende straling.
  • Blootstelling aan bepaalde chemische stoffen, zoals benzeen en bestrijdingsmiddelen.
  • Behandeling met bepaalde geneesmiddelen tegen kanker.
  • Ook kan roken de kans op leukemie verhogen.
  • Sommige vormen van leukemie lijken geassocieerd te zijn met bepaalde virussen.

Deze factoren kunnen de kans op leukemie verhogen, maar de precieze oorzaak is niet bekend.

Klachten[bewerken]

De klachten bij leukemie kunnen verschillen. Bij acute leukemie zijn de klachten heel plotseling en worden snel erger als er geen behandeling is . Bij chronische leukemie kunnen klachten lang uitblijven en worden geleidelijk erger.

Bij acute leukemie[bewerken]

Klachten bij acute leukemie komen door de grote hoeveelheid onrijpe witte bloedcellen in het beenmerg. Hierdoor is er minder plaats voor de vorming van rode bloedcellen en bloedplaatjes en kan er een tekort aan gezonde witte bloedcellen, rode bloedcellen en bloedplaatjes ontstaan.

Klachten die bij acute leukemie kunnen voorkomen, zijn:

  • Bleek worden (komt door tekort aan rode bloedcellen);
  • Moe en snel buitenadem zijn (dit komt ook door tekort aan rode bloedcellen);
  • Duizeligheid (ook duizeligheid wordt veroorzaakt door tekort aan rode bloedcellen);
  • Hartkloppingen;
  • Spontane bloedingen (Dit komt door tekort aan bloedplaatjes);
  • Snel blauwe plekken krijgen (Ook blauwe plekken ontstaan door tekort aan bloedplaatjes);
  • Infecties die terugkeren of niet goed genezen (Komt door tekort aan gezonde, rijpe witte bloedcellen);
  • Koorts;
  • Periodes van hevig zweten tijdens de nacht;
  • Hoofdpijn;
  • Verminderde eetlust en hierdoor gewichtsverlies.

Bij chronische leukemie[bewerken]

Leukemie is lastiger te herkennen, doordat de klachten pas komen, als de leukemie vaak al een paar jaar in het lichaam bevindt. De klachten van acute leukemie komen ook voor bij chronische leukemie. Andere klachten die niet bij acute leukemie voorkomen, maar wel bij chronische leukemie zijn:

  • Vol gevoel in de buik (door een zwelling van de milt en/of lever).
  • Druk op de maag (door een zwelling van de milt en/of lever).
  • Zwellingen van de lymfeklieren in de hals, de oksels en/of de liezen.

Behandeling[bewerken]

Leukemie is niet door operaties te genezen, omdat de ziekte door het hele lichaam verspreid is, zodat het chirurgisch weghalen van het zieke weefsel niet mogelijk is. Wel kan het op een andere manier behandeld worden. In een betrekkelijk hoog percentage van de gevallen is genezing te bereiken en in een groot aantal andere gevallen de progressie van de ziekte jaren te vertragen, soms tientallen jaren. Chronische Myeloïde Leukemie-patiënten worden sinds 2002 bij voorkeur behandeld met het medicijn Glivec. De behandeling bij leukemie kan variëren. Verschillende behandelingen bij leukemie zijn:

  • Chemotherapie: bij chemotherapie worden de leukemiecellen vernietigd door middel van medicijnen. Bij chemotherapie kunnen veel bijwerkingen optreden;
  • Signaaltransductieremmers: signaaltransductieremmers worden gebruikt bij chronische myeloïde leukemie. Het remt het signaal dat leukemiecellen aanspoort om zich te vermenigvuldigen. Uiteindelijk sterven hierdoor de leukemiecellen;
  • Bestraling: een ander woord voor bestraling is radiotherapie. Bij deze methode wordt ervoor gezorgd dat leukemiecellen zich niet verder delen en uiteindelijk doodgaan. De bestraling richt zich op de onrijpe witte bloedcellen;
  • Immunotherapie: bij immunotherapie wordt het menselijke afweersysteem versterkt om de leukemiecellen te bestrijden. Dit gebeurt door het toedienen van middelen die het afweersysteem versterken. Immunotherapie wordt in combinatie met een andere behandeling gebruikt om de klachten te verminderen en het verloop van de ziekte te vertragen;
  • Beenmergtransplantatie: bij beenmergtransplantatie worden gezonde stamcellen uit het beenmerg gehaald. Bij de transplantatie worden ongezonde beenmergcellen vervangen door gezonde beenmergcellen. Deze gezonde beenmergcellen kunnen afkomstig zijn van de patiënt zelf of van een donor;
  • Stamceltransplantatie: stamceltransplantatie lijkt heel erg op beenmergtransplantatie. Het verschil is dat bij stamceltransplantatie gezonde stamcellen uit het bloed in de navelstreng van een pasgeboren of uit de bloedbaan van een volwassenen worden gehaald. En dat een stamceltransplantatie minder ingrijpend is dan een beenmergtransplantatie.

Bij jonge kinderen komt met name acute lymfatische leukemie voor, die in ongeveer 80% van de gevallen te genezen is. Dat heeft met name te maken met het feit dat deze leukemie relatief gevoelig is voor antikankermedicijnen (chemotherapie). De behandeling van kinderen met leukemie wordt in Nederland gecoördineerd door de Stichting Kinderoncologie Nederland (SKION), het samenwerkingsverband van Nederlandse kinderarts-oncologen (Den Haag).

Overdraagbaarheid en erfelijkheid[bewerken]

Als leukemie veel voorkomt in de familie, is de kans op leukemie hoger. Ook geldt voor sommige aangeboren afwijkingen dat zij de kans op leukemie verhogen. Maar er is niet vastgesteld dat leukemie erfelijk is.

Externe links[bewerken]

Literatuurverwijzingen
  1. Richter, H.E. (1853).Grundriss der inneren Klinik für Akademische Vorlesungen und zum Selbstudium. (2. Auflage). Leipzig: Leopold Voss.
  2. Richter, H.E. (1860).Grundriss der inneren Klinik für Akademische Vorlesungen und zum Selbstudium. Erster band: Anigiopathien, Neuropathien. (4. Auflage). Leipzig: Leopold Voss.
  3. Knebusch, T. (1866). Vollständiges Taschenbuch bewährter Heilmethoden und Heilformeln für inere Krankheiten. (2. Auflage). Erlangen: Verlag Ferdinand Enke.
  4. a b Wehr, F.(1867). De leuchaemia. Dissertatio inauguralis. Bonn: Carl George.
  5. a b c d e Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  6. Kossmann, R. (1903). Allgemeine Gynaecologie. Berlin: Verlag von August Hirschwald.
  7. a b Gabler, E. & Winkler, T.C. (1881). Latijnsch-Hollandsch woordenboek over de geneeskunde en de natuurkundige wetenschappen. (Tweede druk). Leiden: A.W. Sijthoff.
  8. a b Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  9. a b Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.