Mensenzoon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Mensenzoon (in oude vertalingen ook wel Zoon des mensen): een figuur uit het Bijbelboek Daniël. In de christelijke theologie wordt de titel betrokken op Jezus van Nazareth.

Daniël[bewerken]

Het Bijbelboek Daniël bevat enkele visioenen die betrekking lijken te hebben op de oorlogen tussen het Seleucidische en het Ptolemeïsche Rijk (tussen Syrië en Egypte). Deze worden gepresenteerd als de aanloop naar het einde van de geschiedenis, en een visioen (Daniël 7) eindigt ermee dat vier wereldrijken, gesymboliseerd door vier dieren, ten einde komen. Daarna luidt het, in een moderne Nederlandse vertaling van het originele Aramees:

Ik zag dat er tronen werden neergezet en dat er een oude wijze plaats nam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welde op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. Het hof nam plaats en de boeken werden geopend. ... In mijn nachtelijke visioenen zag ik dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens (כְּבַר אֱנָשׁ kəbar 'ěnosh). Hij naderde de oude wijze en werd voor hem geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan. (Daniël 7.9-14)[1]

In oudere Nederlandse vertalingen wordt 'mens' hier nog weergegeven door 'mensenzoon', b.v. in NBG 1951 luidt vers 13:

Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon.

De vertalingen 'mens' en 'mensenzoon' zijn beide valide[2]

We hebben hier te maken met een menselijk figuur aan wie in de Eindtijd alle macht zal worden gegeven. Daniël geeft geen interpretatie van zijn visioen. Er zijn meer visioenen, en in een daarvan wordt als heerser van de eindtijd "Michaël" genoemd (Daniël 12.1). Deze naam betekent "Hij die is als God" en hoeft niet noodzakelijkerwijs de aartsengel met dezelfde naam te zijn.

Apocriefen[bewerken]

Een hemelse figuur die Zoon des Mensen wordt genoemd, vinden we in sommige Apocriefen, zoals 1 Henoch 39-71 en in 4 Ezra 13 [3]

Joodse uitleg[bewerken]

In Joodse interpretaties werd de Mensenzoon door sommigen als de messias geïdentificeerd. De beroemde rabbijn rabbijn Rabbi Akiva (begin tweede eeuw n.Chr.) is een van de joodse geleerden die het visioen van het door de Mensenzoon te vellen oordeel toeschreven aan de messias.[4] De woorden voor 'mensenzoon' worden in de betreffende passage niet genoemd, maar rabbi Akiva's uitspraak heeft betrekking op het visioen als geheel, waarin sprake is van 'tronen' (meervoud) die worden opgericht, vandaar dat de 'David' waarnaar hij verwijst als interpretatie van de mensenzoonfiguur wordt opgevat. [5] Hij werd van repliek gediend door rabbi Yose de Galileeër.[6] Het is duidelijk dat de identificatie Mensenzoon=messias in het Jodendom door sommigen wel en door anderen niet werd aanvaard.

Mensenkind[bewerken]

De profeet Ezechiël wordt in de Bijbel 92 keer aangesproken met mensenkind (Hebreeuws: בֶּן אָדָם ben 'ādām) Dit wordt in de Septuagint vertaald als υἱὲ ἀνθρώπου huie anthroopou, dezelfde woorden als waarmee in Daniël 7:13 het Aramese בַּר אֱנָשׁ bar 'ěnosh wordt vertaald (υἱὸς ἀνθρώπου, huios antheoopou). Het is duidelijk dat Ezechiël hier geen hemels wezen bedoelt, maar zelf zo aangesproken wordt door God, die daarmee juist zijn mens-zijn benadrukt.[7]

Nieuwe testament en christelijke uitleg[bewerken]

Volgens de Evangeliën noemde Jezus van Nazareth zichzelf de Mensenzoon, en daarmee indirect de Messias. Volgens het christelijjk geloof is Jezus degene die aan het einde der tijden de volken zal beoordelen, een gebeurtenis die in het Christendom bekendstaat als het "Laatste Oordeel" en een wijdere betekenis heeft dan het oordeel over de vier wereldrijken dat in Daniël 7 is bedoeld.

De kern van het Christendom is dat Jezus van Nazareth de messias is. Een andere kwestie is of de vroegste christenen eveneens meenden dat hun messias degene was die, als Mensenzoon, het oordeel zou vellen. Vermoedelijk is dit inderdaad het geval; toen Jezus door Kajafas werd verhoord, vond volgens de Evangelisten de volgende uitwisseling plaats:

Toen vroeg de hogepriester hem: ‘Bent u de messias, de Zoon van de Gezegende?’
Jezus zei: "Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon (τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου) aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel." [8]

Anders gezegd, Jezus beroept zich hier op Daniël 7. Dit geeft aan dat in de vroege kerk werd aangenomen dat Jezus, als messias, de Mensenzoon was die het Laatste Oordeel zou vellen.

De uitdrukking wordt in het Nieuwe Testament nog 82 keer gebruikt, vrijwel uitsluitend in passages waarin Jezus deze titel op zichzelf toepast.[9] Vrijwel alle keren wordt Mensenzoon in het Nieuwe Testament in de directe rede in 3e persoon enkelvoud gebruikt, b.v.:

Tegen de leerlingen zei hij: ‘Er komt een tijd dat jullie ernaar zullen verlangen een van de dagen van de Mensenzoon te zien, maar jullie zullen die dag niet meemaken.’[10]

Daarnaast is in de Openbaring van Johannes tweemaal sprake van "iemand kwam die eruitzag als een mens".[11] In de brieven wordt geen referentie gemaakt naar het begrip Mensenzoon.

Literatuur[bewerken]

  • Craig Evans, 'In What Sense "Blasphemy"? Jesus before Caiaphas in Mark 14:61-64' in: Craig Evans, Jesus and His Contemporaries. Comparative Studies (1995) blz.407-434.

Voetnoten[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Vertaling: NBV (2004).
  2. Baldwin, JG,Daniel, Tyndale Old Testament Commentary,bladz 142, "idiomatic." IVP 1978
  3. NBV Studiebijbel, 2008, bladzijde 1352
  4. Babylonische Talmoed, Sanhedrin 38b.
  5. De gangbare interpretatie van Akiva's woorden wordt o.a. Verwoord door John J. Collins, The Scepter and the Star: Messianism in Light of the Dead Sea Scrolls, Eerdmans: 2nd ed. 2010, pag. 191: "The 'Son of God' text from Qumran [= 4Q246] suggests that Daniel 7 was understood with reference to a Davidic messiah from an early point. Such an interpretation is also reflected in Rabbi Akiba's famous exposition of the plural 'thrones' in Dan 7:9 as 'one for Him (God) and one for David.'", onder verwijzing naar b. Hag. 14a en b. Sanh. 38b.
  6. Midrash Tanhuma B bij Leviticus 19.1-2, Qedoshin §1)
  7. NBV Studiebijbel 2008; bladzijde 1266
  8. Marcus 14.61-62); vertaling: NBV (2004). Parallelpassages zijn te vinden in Matteüs 26.63-64 en Lucas 22.66-71. Een mogelijke verklaring voor de parallellie is dat Mattheüs en Lucas het Evangelie van Marcus kenden (het "synoptische vraagstuk").
  9. Matteüs 8.20, 9.6, 10.23, 11.19, 12.8, 12.32, 12.40, 13.37, 13.41, 16.13, 16.27-28, 17.9, 17.12, 17.22, 19.28, 20.18, 24.27, 24.30, 24.37, 24.39, 24.44, 25.31, 26.2, 26.24, 26.45, 26.64; Marcus 2.10, 2.28, 8.31, 8.38, 9.9, 9.12, 9.31, 10.33, 10.45, 13.26, 14.21, 14.41, 14.62; Lucas 5.24, 6.5, 6.22, 7.34, 9.22, 9.26, 9.44, 9.58, 11.30, 12.8, 12.10, 12.40, 17.22, 17.24, 17.26, 17.30, 18.8, 18.31, 19.10, 21.27, 21.36, 22.22, 22.48, 22.69, 24.7; Johannes 1.51, 3.13-14, 5.27, 6.27, 6,53, 6.62, 8.28, 9.35, 12.23, 12.34, 13.31; Handelingen 7.56.
  10. Lucas 17:22
  11. Openbaring van Johannes 1.13 en 14.14.