Mycofenolzuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Mycofenolzuur
Mycophenolicacid.svg
(E)-6-(6-ftalidyl-7-hydroxy-5-methoxy-4-methyl)-4-methyl-4-hexeenzuur
Farmaceutische gegevens
F 95% (mofetil), 72% (natrium)
Metabolisatie Hepatisch in MPAG en acMPAG
t1/2 16–18 uur
Uitscheiding Renaal 93%, Fecaal 6%
Gebruik
Geneesmiddelengroep Immunosuppressiva
Merknamen CellCept, Myfortic
Indicaties Profylaxe tegen orgaanafstoting
Toediening Oraal, Intraveneus
Dosering 2 maals daags 1000mg (CellCept) of 720mg (Myfortic)
Risico met betrekking tot
Zwangerschapscat. D (Au), C (U.S.)
Lactatie (borstvoeding) onbekend
Databanken
CAS-nummer 24280-93-1
ATC-code L04AA06
PubChem 446541
Chemische gegevens
Formule C17H20O6
Molaire massa 320,34 g/mol
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Mycofenolzuur (mycophenolic acid, MPA) is de werkzame stof van de geneesmiddelen Mycofenolaatmofetil (MMF, CellCept van Roche) en Mycofenolzuur natrium (EC-MPS, entric coated mycophenolic acid sodium, Myfortic van Novartis. Het geneesmiddel is een immunosuppressivum. Het middel remt het enzym IMPDH, waardoor het afweersysteem zwakker wordt. In combinatie met andere immunosuppresiva wordt het profylactisch toegepast tegen afstotingsreacties van getransplanteerde organen.

Farmacologie[bewerken]

MMF wordt in de darmen en in het pre-systemisch vaatstelsel direct omgezet in de werkzame stof mycofenolzuur. EC-MPS heeft een maagsap beschermende coating en geeft mycofenolzuur pas af in de darmen, waarna het wordt opgenomen in de bloedbaan. Eenmaal opgenomen in het lichaam wordt MPA onder normale omstandigheden voor meer dan 97% gebonden aan eiwitten in het bloed. Andere medicijnen met een hoge eiwitbinding of een hoge bloedureum spiegel kunnen voor een lagere binding van MPA zorgen. MPA wordt in de lever omgezet naar MPA-glucuronide (MPAG) en acyl-MPAG (acMPAG), alleen de laatste vorm is nog voor ongeveer 10% werkzaam. MPAG wordt vervolgens uitgescheiden door de nieren. Een slechte nierfunctie - wat vaak het geval is net na een niertransplantatie - zorgt voor een ophoping van MPAG. Deze verhoogde MPAG spiegels in het bloed zorgen voor een verlaagde eiwitbinding van MPA, waardoor er meer MPA door de nieren uitgescheiden kan worden. Bij een slechte nierfunctie is er dus minder MPA beschikbaar in het lichaam.

Mycofenolzuur remt het enzym inosine monofosfaat dehydrogenase (IMPDH). IMPDH is in de cellen nodig voor de productie van nucleotiden, die nodig zijn voor de overleving van de cellen. Lymfocyten hebben geen andere weg om nucleotiden te maken. Door de remming van IMPDH wordt de levensduur van T- en B-lymfocyten korter, waardoor het uiteindelijke effect een verlaging van de lichamelijke afweer is. Aangetoond is dat een verhoogde IMPDH activiteit de kans op afstoting van het getransplanteerde orgaan verhoogt.

Toepassing[bewerken]

Het middel is geregistreerd als profylaxe van acute afstotingsreacties na orgaantransplantaties is combinatie met één of meerdere andere immunosuppressiva. De meest gebruikte combinatie in Nederland na een niertransplantatie is MMF, tacrolimus en een corticosteroid. Naast deze toepassing vindt off-label gebruik plaats na beenmergtransplantaties, ziekte van Crohn en autoimmuunziektes.

Bijwerkingen[bewerken]

De voornaamste bijwerkingen zijn diarree, braken, een tekort aan witte bloedcellen en bloedinfecties. Gezien de werking van het middel wordt bloedarmoede, een tekort aan bloedplaatjes en andere hematologische veranderingen ook vaak gezien (zoals pancytopenie en netropenie). Veranderingen in vele stoffen in het bloed zijn ook gemeld, zoals een tekort aan kalium, magnesium, calcium en fosfaat. Pijn in hoofd, rug en op de borst kunnen ontstaan en slapeloosheid en een tremor van de ledematen. Infecties die normaal eenvoudig te overwinnen zijn door het lichaam kunnen bij het gebruik van dit middel ook meer en heviger optreden. Een aantal gevallen van huidkanker is bekend bij het gebruik van het middel. De bijwerkingen kunnen niet los worden gezien van de onderliggende aandoening en van de toediening van andere immunosuppressiva. De voorschrijvend arts zal daarom altijd naar de gehele medicatie en lichamelijke toestand moeten kijken. Een verandering van de dosering kan vaak de bijwerkingen doen verminderen of laten verdwijnen, hoewel deze bijwerkingen zeker ook ontstaan kunnen zijn door andere medicatie.

Externe link[bewerken]