Ouderling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ouderling is een kerkelijk ambt. De christelijke kerk wordt door ambten gediend. Al in bijbelse tijden was er sprake van oudsten,[1] die onder leiding van een opziener de kerkelijke gemeente bestuurden. Sommige oudsten (zoals Timoteüs en Titus) hadden grotere apostolische bevoegdheden gekregen om plaatselijk orde op zaken te kunnen stellen. Dit was vergelijkbaar met de situatie in Israël waar men ook oudsten kende die al naargelang van hun bevoegdheid werden aangeduid als oudste over tien, vijftig, honderd, enz.

Protestantisme[bewerken]

In de kerken van het gereformeerd protestantisme bestaan er drie ambten:

De ouderlingen hebben het pastoraal opzicht over de gemeente. De bestuurlijke taak berust bij de kerkenraad, bestaande uit ambtsdragers d.w.z. mensen die de bovengenoemde ambten uitoefenen. Ouderlingen en diakenen moeten volgens de kerkorde periodiek worden gekozen.

In de pinkster- en evangelische gemeenten heeft men al dan niet naast een voorganger ook oudsten.[1] Hun ambt is ongeveer vergelijkbaar met die van ouderling in de gereformeerd-protestantse kerken.

De doopsgezinden werden aanvankelijk geleid door oudsten. Hun functie was echter niet vergelijkbaar met die van ouderlingen, maar met die van predikant.

In de protestantse kerken kent men geen officiële hiërarchie.

Noten[bewerken]

  1. a b De Statenvertaling gebruikt hiervoor het woord ouderling. De NBG-vertaling uit 1951 noemt dit, net als de meeste nieuwere vertalingen, oudste.