Pekelharing
De pekelharing is een handelsproduct dat ontstond uit het bewerken van zojuist door een vissersschip gevangen, haring. Deze bewerking bestond uit het kaken en inzouten of warren van de haring. De bewerkte haring ging vervolgens in kantjes (tonnen); door de inwerking van het zout op de haring ontstond een langdurige conservering daarvan.
Inhoud |
[bewerken] Achtergronden
Vissersschepen, eertijds de buis en de bomschuit, later de logger en de sloep, voerden voor hun vleetvisserij op haring in houten tonnen een grote hoeveelheid zout mee. De zojuist aan boord van het schip gekaakte haring werd ná dit kaken vanuit manden gestort in een langwerpige houten warrebak. Ze werd vervolgens door middel van een houten schep gemengd - geward - met het meegevoerde - grove - zout. Op vier kantjes haring werd daarvoor omstreeks één ton zout gebruikt.
[bewerken] Haring(groot)handel
Tot even voorbij de Tweede Wereldoorlog is de pekelharing voor Nederland een exportproduct van belang gebleven. De uitvoer ervan vanuit Holland was tijdens de Gouden Eeuw zo omvangrijk dat deze destijds een der grootste pijlers was van de toenmalige Republiek. Maassteden als Vlaardingen, Maassluis, Rotterdam en Delfshaven waren in die jaren toonaangevend. Vlaardingen bleef honderden jaren lang zijn plaats behouden maar bij het begin van de 20e eeuw had Scheveningen inmiddels de leiding overgenomen.
De pekelharing werd vooral uitgevoerd naar Duitsland, naar Oost-Europese landen waaronder Polen en Rusland en op een zeker moment zelfs naar de Verenigde Staten. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog ontstond een wijziging in de mengverhouding zout/haring. Verdere veranderende omstandigheden, zowel bij de visserij op haring als bij de consumptie ervan, nationaal en internationaal, werkten het goeddeels verdwijnen van de pekelharing als handelproduct sterk in de hand.
[bewerken] Buitenlandse interesse
De grote behoefte aan pekelharing in Oost-Europese landen, waaronder naast Rusland ook in Polen, leidde bij het laatstgenoemde land tot een eerste ontwikkeling van een eigen vissersvloot, die zich diende te gaan richten op de vangst van haring op de Noordzee. Nederland speelde daarin een belangrijke rol en een Pools-Nederlandse onderneming met de naam MEWA was hiervan de eerste uitkomst.
[bewerken] Trivia
- De 16e eeuwer Adriaen Coenen beschrijft in zijn Visboeck hoe men in zijn tijd tegen de pekelharing - die Coenen als rauw omschrijft - aankeek. Een te Rome studerende Hollander at ooit daar, staande vóór zijn huisdeur, een pekelharing. Een passerende Romeinse edelman die dit samen met zijn knecht aanschouwde, zei tegen de eter: "Ghij sult morghen doot wesen!" Hij stuurde de daaropvolgende dag dan ook zijn knecht langs het huis van de haringliefhebber om te zien of deze nog leefde... Ja dus want de laatstgenoemde was - terug in Holland - in staat, zijn verhaal aan Coenen te vertellen.
[bewerken] Literatuur
- Adriaen Coenen, Het Visboek van Adriaen Coenen, Koninklijke Bibliotheek
- Drs. A.G.U. Hildebrandt - De Nederlandse visserij, 1952
- A. Hoogendijk Jz. - De grootvisserij op de Noordzee, 1895
- H.A.H. Kranenburg - De zeevisscherij van Holland in den tijd der Republiek, 1946
- A.W. Schippers Jzn. - De standplaatsfactoren der groote haringvisscherij, 1927
- Piet Spaans - Bouweteelt, 2007