Polygenisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Polygenisme of polygenese is een wetenschappelijke theorie die in de 17e eeuw in Europa ontstond om het bestaan van de vele, niet duidelijk verwante, rassen en volkeren te verklaren.

De Bijbel stelde dat alle mensen van Adam en Eva en later van Noach afstamden. Geleerden konden dat in de 17e eeuw niet meer rijmen met de taalkundige verschillen die zij op aarde ontdekten. Stamden al die talen van het Hebreeuws af? Hugo de Groot heeft nog een poging gedaan om de Indiaanse talen in Noord-Amerika als taalkundige verwanten van het Hebreeuws voor te stellen. De Groot probeerde aan te tonen dat alle mensen inderdaad van Adam en Eva en van Noach afstamden. Indiaanse talen moesten, zo meende de Bijbelvaste Hugo de Groot, daarom Hebreeuwse invloeden vertonen.

De Groots beweringen werden echter door tijdgenoten, in de eerste plaats door Johannes de Laet, weerlegd. In zijn "Notae ad dissertationem Hugonis Grotii De origine gentium americanarum, et observationes aliquot ad meliorem indaginem difficillimae illius quaestionis" (Leiden 1643) uitte De Laet scherpe kritiek op de Dissertatio de origine gentium Americanarum van Hugo de Groot.

De Laet trakteerde De Groot op een uitvoerige les in Europese en Amerikaanse taalkunde. De Indiaanse talen vertoonden geen enkele verwantschap met Hebreeuws, Grieks, Latijn of enige moderne Europese taal. In plaats hiervan beklemtoonde De Laet de enorme verschillen tussen de Europese en de Indiaanse talen en culturen, om nog maar te zwijgen over de zeer uiteenlopende flora en fauna.

Het monogenisme van de Bijbel kon niet meer in overeenstemming met de werkelijkheid worden gebracht. Zo ontstond de discipline van de Bijbelkritiek. Om het idee van een geschapen eerste mensenpaar, maar vooral dat van de erfzonde zonder welke de kruisiging van Christus voor de theologen geen zin zou hebben gehad werd een alternatieve theorie opgesteld.

Isaac La Peyrère was de eerste die openlijk de gedachte van polygenese verdedigde en het monopolie van de Bijbel als sleutel tot de wereldgeschiedenis verwierp. Hij stelde in zijn praeadamitae dat er twee scheppingsverhalen in Genesis staan. De Indianen en Chinezen zouden niet van Adam afstammen, maar van de vóór Adam en Eva geschapen mensheid. Deze heterodoxe visie werd door de kerken niet aanvaard en door de overheden werd het boek verboden.

Voltaire schreef in zijn Essays sur les Murs in 1756 over het probleem, zonder overigens een stelling in te nemen.

Polygenisme en racisme[bewerken]

De mensenrassen volgens de Bijbelse polygenisten

In de slavenhoudende staten van de Verenigde Staten werd een door Samuel George Morton en Louis Agassiz geformuleerde polygenistische theorie gebruikt om de slavernij te rechtvaardigen. De negervolkeren in Afrika waren, zo meende men, een andere mensensoort (Engels: a different species) en verstandelijk de mindere van de blanke Europeanen. Agassiz stelde dat iedere mensensoort, vroeger sprak men van "mensenras", uniek is maar dat de mensheid als geheel wél een soort was.

De ontdekkingen van de geologie en van Darwin betekenden dat een in miljoenen jaren verlopende geschiedenis van de aarde wetenschappelijk werd geaccepteerd. Met behulp van polygenisme konden de Bijbelgetrouwe, maar niet per se fundamentalistische christenen hun Bijbelse wereldbeeld nog met de wetenschappelijke feiten verzoenen.

Darwin was een monogenist die meende dat alle mensensoorten van een gezamenlijke voorouder afstamden. In de evolutietheorie wordt een dergelijke afstamming niet langer als noodzakelijk gepostuleerd al lijkt DNA-onderzoek aan te tonen dat de mensheid afstamt van mensachtigen in Afrika.

De paleoantropoloog Carleton Coon benaderde in de jaren 60 van de 20e eeuw de polygenistische standpunten toen hij stelde dat diverse mensachtigen onafhankelijk van elkaar tot moderne mensen zijn geëvolueerd. Deze "multiregionale hypothese van de menselijke evolutie" wordt ook in het begin van de 21e eeuw nog door een klein aantal geleerden verdedigd.

De antropologie wijst er op dat de polygenese onderdeel is van de mondelinge overlevering van tal van volkeren. Bijna ieder volk beschikt immers over een eigen, vaak uniek, scheppingsverhaal.

In de encycliek Humani Generis heeft Paus Pius XII de polygenese streng veroordeeld[1]. Hij stelde dat er, hoewel er over het creationisme discussie mogelijk was geen beeld mocht ontstaan van een verdeelde mensheid. De paus bracht de polygenese in verband met onorthodoxe antropologie, racisme, eugenistiek en nationaalsocialisme.

Literatuur[bewerken]

  • George W. Stocking, Jr., Victorian Anthropology (New York: Free Press, 1987).
  • Johannes de Laet, Notae ad dissertationem Hugonis Grotii De origine gentium americanarum, et observationes aliquot ad meliorem indaginem difficillimae illius quaestionis, Leiden 1643

Referenties[bewerken]

  1. Letterlijk staat daar: "Met betrekking echter tot een andere hypothese, namelijk het zogenaamde polygenisme, hebben de kinderen van de Kerk deze vrijheid (De Paus verwijst naar het openlijk discussiëren over wetenschappelijke ontdekkingen en thesen) volstrekt niet. Want de gelovigen mogen niet die mening aanhangen, waarvan de voorstanders beweren, ofwel, dat er na Adam hier op aarde echte mensen hebben bestaan, die niet door natuurlijke voortplanting van hem als stamvader van allen zijn voortgekomen, ofwel, dat Adam een zeker aantal stamvaders betekent. Het blijkt immers volstrekt niet, hoe deze opvatting is overeen te brengen met wat de bronnen van de geopenbaarde waarheid en de akten van het kerkelijk leergezag leren omtrent de erfzonde, die voortkomt uit de door één Adam werkelijk bedreven zonde, en die door de voortplanting op allen overgaat en in ieder mens als hem eigen aanwezig is

Externe links[bewerken]