Paus Pius XII
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Maria Giuseppe Giovanni Eugenio Pacelli 2 maart 1876 – 9 oktober 1958 |
||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Paus | ||||||
|
Pius XII, eigenlijk Maria Giuseppe Giovanni Eugenio Pacelli (Rome, 2 maart 1876 – Castel Gandolfo, 9 oktober 1958) was een Italiaanse paus van 1939 tot aan zijn dood.
Na de oorlog werd Pius XII onderwerp van een discussie: of hij de Holocaust, die tijdens zijn pontificaat plaatsvond, wel actief genoeg zou hebben veroordeeld.
Inhoud |
[bewerk] Loopbaan
Pacelli diende tussen 1920 en 1930 als pauselijke nuntius in Duitsland. In 1929 werd hij benoemd tot kardinaal, waarna hij een jaar later minister van Het Vaticaan werd, met onder meer het onderhouden van diplomatieke relaties in zijn portefeuille. Hiermee werd hij de tweede man in Rome. In deze functie sloot hij in juli 1933 een verdrag van samenwerking met nazi-Duitsland (= het Concordaat van Rome).
Door dit verdrag was het mogelijk om het katholieke geloof in Duitsland op een ongestoorde manier te beleven. Achtereenvolgende Duitse regeringen hadden vanaf Otto von Bismarck de Rooms-Katholieke Kerk in haar mogelijkheden beperkt. Maar de prijs was dat het Vaticaan Hitler's bewind erkende. Sterker nog door dat de Rooms-katholieke Centrum Partij (Deutsche Zentrumspartei) instemde met de zogenaamde toestemmingswet, werd het parlement buitenspel gezet en kon Hitler met onbeperkte macht gaan regeren. Een ander element uit dit vedrag was dat de benoemingen van aartsbisschoppen en bisschoppen pas gedaan mochten worden nadat de rijkskanselier ervan in kennis was gesteld en er geen bezwaren van algemeen politieke aard bestonden. Omdat de ware aard van Hitler toen nog niet voor iedereen duidelijk was, werd het verdrag in 1933 als een groot succes voor de R-K Kerk gezien.
Pacelli had een belangrijk aandeel in het tot stand komen van de encycliek Mit brennender Sorge uit 1937. Deze was speciaal bedoeld voor de Kerk in Duitsland. Paus Pius XI, zijn voorganger, sprak daarin diens afkeuring van het nationaalsocialisme uit.
[bewerk] Paus in oorlogstijd
In maart 1939 werd Pacelli verkozen tot Paus Pius XII. Zijn pontificaat viel in de moeilijke oorlogsjaren van de Tweede Wereldoorlog. De keuze voor hem zou met name ingegeven zijn door zijn diplomatieke kwaliteiten, die de Kerk in de toenmalige moeilijke internationale situatie van dienst zouden kunnen zijn.
In de praktijk had de keuze voor diplomatie ook haar nadelen: de kudde was verward door de oorlogsperikelen, en de diplomatieke herder sprak zich in het openbaar niet duidelijk uit.
Zo antwoordde het Vaticaan in 1941 op de vraag van het Vichy-regime: "of men kon instemmen met, onder Duitse druk geplande, anti-Joodse wetgeving": dat de Kerk "racisme veroordeelt, maar niet in kon gaan op specifieke wetgeving". De in Vichy-Frankrijk aanwezige Joden werden opgepakt en naar een vernietigingskamp getransporteerd. De vraag is of een duidelijke afwijzing hen had kunnen redden. Wel werd door de bisschoppen van Clermont-Ferrand, Lyon en Toulouse in kloosterscholen onderdak geboden aan Joodse kinderen.
In zijn kerstrede van 1942 verwees Pius XII evenwel in bedekte termen naar de deportatie van Joden. Daar waar Pius XII, volgens zijn critici, op dit punt als paus zweeg, werd er op lagere niveaus wel degelijk geprotesteerd (onder andere op 20 juli 1942 door het Nederlandse episcopaat), èn werd daar door vele gelovigen ook naar gehandeld. De Nederlandse bisschoppen verklaarden na 1945 uitdrukkelijk op aansporing van de paus te hebben gehandeld, die echter door de Duitse harde wraakacties tegen de Nederlandse katholieke Kerk afgeschrikt werd. Zo werden alle katholieke joden van Nederland nog eerder dan de niet-christelijke joden afgevoerd naar de kampen als represaille voor het anti-nazistische herderlijk schrijven van 26 juli 1942.
De speelruimte van de paus om al te openlijke uitspraken te doen was beperkt omdat Mussolini een trouwe bondgenoot was van Hitler. Een telegram aan koningin Wilhelmina van Nederland, de Belgische koning Leopold III en de Luxemburgse groothertogin Charlotte bij de Duitse invasie in Nederland leidde tot woedende reacties van Mussolini. Een belangrijk deel van de Rooms-katholieke Kerk bevond zich immers in de door Duitsland bezette gebieden. Wraakacties tegen geestelijken waren niet denkbeeldig. Na de capitulatie van Italië werd Rome zelfs door de Duitsers bezet. Hitler en Goebbels zouden overwogen hebben om de paus te laten vermoorden.
De enige mogelijkheid die Pius XII restte was om in het openbaar geen al te gewichtige uitspraken te doen, achter de schermen diplomatiek stappen te ondernemen en in individuele als collectieve gevallen proberen te helpen. Zo verstrekte de paus visa aan 3000 bekeerde joden zodat zij naar Brazilië konden emigreren. Maar 2000 daarvan werden later weer ingetrokken toen bleek dat het om schijnbekeringen ging.
Volgens de getuigenis van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken in de tweede wereldoorlog Joachim von Ribbentrop, afgelegd tijdens de processen van Neurenberg, zou de paus regelmatig geprotesteerd hebben tegen de gang van zaken.
Verder heeft de paus in zijn kersttoespraak van 1942 tot woede van de Duitse diplomaten in Rome en tot woede van de Italiaanse fascisten de vervolging van mensen "louter omwille van hun klasse, ras of nationaliteit" door de nazi's veroordeeld.
Tegenover Franse diplomaten en geestelijken verklaarde de paus dat weliswaar de dreiging van het communisme reëel was, maar dat tijdens de oorlog de gewelddadigheid van het nationaalsocialisme gevaarlijker was en onmenselijker.
[bewerk] De controverse
Het Amerikaanse tijdschrift "Inside the Vatican" zou ook informatie over paus Pius XII in handen hebben, die onthult dat deze "oorlogspaus" zich op persoonlijk niveau toch bemoeide met het lot van de Joden in Italië onder Mussolini. Het zou gaan om twee brieven van hem die hij in 1940 stuurde naar bisschop Giuseppe Palatucci van Campagna. In een concentratiekamp in Zuid-Italië werden door de nazi's Joden gevangen gehouden. Palatucci trok zich samen met zijn neef Giovanni, politiecommissaris van Fiume, het lot van deze mensen aan. De paus zou zijn bisschop tweemaal een aanzienlijke som overhandigd hebben voor het welzijn van deze gevangenen.
Onder anderen de Joodse historici Pinchas E. Lapide (The Pope and the Jews (in Ned. vertaling verschenen als: De laatste drie pausen en de joden, 1967) en Antonio Gaspari weerlegden de beschuldigingen dat het Vaticaan ingestemd zou hebben met de genocide op Joden en zigeuners. Lapide, geen vriend van het Vaticaan, acht Pius XII zelfs de enige autoriteit die echt actie ondernam ter bescherming van de Joden, hoewel voornamelijk in Hongarije en Italië.
Anderen verspreidden echter het beeld van Pius XII als "Hitlers Paus", namelijk onder meer de Duitse toneelschrijver Rolf Hochhuth (Amen en Stellvertreter (vertaling: plaatsvervanger)) en John Cornwell (Hitler's Pope).
Bij zijn dood in 1958 verklaarden overtuigde Zionisten als Golda Meïr en anderen dat "de Joden een vriend verloren hadden (...) die op het cruciale moment in de geschiedenis zijn stem verhief tegen het verschrikkelijke onrecht".
In 1945 bekeerde de opperrabbijn van Rome, Israel Zolli, zich tot het christendom en nam bij zijn doopsel in het Vaticaan de naam "Eugenio" aan als verwijzing naar Pius XII en diens optreden ten behoeve van de Joden. De Rooms-katholieke Kerk onder Pius XII redde naar schattingen één miljoen Joden van deportatie naar concentratiekampen.
[bewerk] De rattenlijn
Na afloop van de oorlog konden veel Duitse oorlogsmisdadigers zoals Adolf Eichmann, Josef Mengele, Hans-Ulrich Rudel, Franz Stangl en Klaus Barbie via Italië naar Zuid-Amerika vluchten met behulp van paspoorten en visa die door kerkelijke autoriteiten van het Vaticaan aan hen ter beschikking werden gesteld. Deze vluchtroute wordt ook wel de rattenlijn genoemd.
De verantwoordelijken hiervoor waren een Oostenrijkse bisschop, Alois Hudal, en Giuseppe Siri, de aartsbisschop van Genua.
Niet duidelijk is in hoeverre de paus hier van op de hoogte was en zijn toestemming gaf, maar wel is duidelijk dat belangrijke politici van de christendemocratische partijen in Oostenrijk, Duitsland en Italië op de hoogte waren.
[bewerk] Zijn bewind na de oorlog
Volgens critici voerde Pius XII een bijzonder conservatief bewind, dat katholieken vaak als onmondige mensen zou behandelen. In verschillende encyclieken voer hij heftig uit tegen 'modernistische' stromingen als het irenisme, modernisering van de eucharistie en nieuwe wetenschappelijke seksuele inzichten. Daar valt bij aan te tekenen dat het zelfbewustzijn van de katholieken, dus ook de leken, in een aantal streken nog nooit zo sterk is geweest als tijdens de periode waarvan zijn pontificaat het sluitstuk vormde, het zogenaamde "rijke roomse leven". Dit gaat bij uitstek op voor Nederland. De vraag is wel, of de voltooiing van de emancipatie van de katholieke zuil hierbij niet belangrijker is geweest dan de rol van Pius XII.
Bij zijn dood was er weliswaar een roep naar modernisering in de Kerk, maar die was eerder het gevolg van een al langer spelende ontwikkeling dan van het pontificaat van Pius XII op zich. Onder zijn opvolger Johannes XXIII kreeg deze behoefte aan vernieuwing - vooral gevoed door bepaalde intellectuelen - gestalte in het fel omstreden, maar door velen binnen en buiten de Kerk toegejuichte Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).
Een van zijn belangrijkste daden in het Heilig Jaar 1950 was de dogmaverklaring van de Tenhemelopneming van Maria (1 november 1950). Zowel de Rooms-katholieke als de Oosters-Orthodoxe Kerken hebben dit geloof van oudsher beleden, maar het was nog nooit formeel als een dogma geformuleerd. Hiermee onderstreepte Pius XII de sterke Maria-verering binnen de Katholieke Kerk. Het was tevens de eerste pauselijke uitspraak "ex cathedra" sinds de formulering van het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid in 1870 tijdens het Eerste Vaticaans Concilie. De heiligverklaring van Paus Pius X in 1954 vormde nog een duidelijk teken van Paus Pius XII tegen het steeds meer opspelende theologisch Modernisme, dat op het Tweede Vaticaans Concilie aanzienlijke overwinningen zou boeken op de traditionele scholastieke theologie en dogmatiek.
Verering valt Pius XII tegenwoordig vooral ten deel in conservatieve en traditionalistische stromingen binnen de Kerk.
[bewerk] Encyclieken
- 29 juni 1943: Mystici Corporis, over de Rooms-Katholieke Kerk, het Mystiek Lichaam van Christus
- 30 september 1943: Divino afflante Spiritu Over de Heilige Geest
- 20 november 1947: Mediator Dei Over het gevaar van radicale liturgische vernieuwing en tegen het irenisme
- 12 augustus 1950: Humani Generis Over dwalingen van het evolutionisme en Neo-Modernisme in de theologie
- 15 september 1951: Ingruentium Malorum Over de grote waarde van de Rozenkrans
- 11 oktober 1954: Ad Caeli Reginam Apostolische Constitutie over het koninginschap van de H. Maagd Maria
[bewerk] Nieuwe ontwikkelingen
Volgens de Italiaanse krant La Stampa heeft het klooster Santi Quattro Coronati in Rome op bevel van Paus Pius XII onderdak verschaft aan Joden en politieke vluchtelingen. Dat is gebleken uit een 60 jaar oud dagboek van een zuster Augustinesse die in dat klooster verbleef. De Italiaanse krant La Stampa heeft inzage in dat dagboek gehad. Dit bericht is gepubliceerd op NOS Teletekst van maandag 7 augustus 2006. Deze gegevens zijn overigens niet nieuw. Al in het kleine werkje "Het Vaticaan in de Tweede Wereldoorlog" van de vroegere Stichting Behoud Katholiek Leven, wordt er gewag gemaakt van het feit dat Pius XII de kloosters met een strenge clausuur verzocht om deze op te heffen, zodat er Joodse vluchtelingen konden onderduiken. Joodse onderduikers zaten in het zomerpaleis Castel Gandolfo en zelfs zijn er bronnen die melden dat er - met behulp van de Paus en zijn medewerkers - 7000 Joden in Vaticaanstad zaten ondergedoken.
[bewerk] Bibliografie
- Ciampa, Leonardo. (2007). Pope Pius XII: A Dialogue. AuthorHouse. ISBN 1-425-97766-9
- Hans Jansen (2003). Pius XII. Chronologie van een onophoudelijk protest. Kampen: Kok Uitgeverij.
Petrus • Linus • Anacletus I • Clemens I • Evaristus • Alexander I • Sixtus I • Telesforus • Hyginus • Pius I • Anicetus • Soter • Eleuterus • Victor I • Zefyrinus • Calixtus I • Urbanus I • Pontianus • Anterus • Fabianus • Cornelius • Lucius I • Stefanus I • Sixtus II • Dionysius • Felix I • Eutychianus • Caius • Marcellinus • Marcellus I • Eusebius • Miltiades • Silvester I • Marcus • Julius I • Liberius • Damasus I • Siricius • Anastasius I • Innocentius I • Zosimus • Bonifatius I • Celestinus I • Sixtus III • Leo I • Hilarius • Simplicius • Felix II (III) • Gelasius I • Anastasius II • Symmachus • Hormisdas • Johannes I • Felix III (IV) • Bonifatius II • Johannes II • Agapitus I • Silverius • Vigilius • Pelagius I • Johannes III • Benedictus I • Pelagius II • Gregorius I • Sabinianus • Bonifatius III • Bonifatius IV • Adeodatus I • Bonifatius V • Honorius I • Severinus • Johannes IV • Theodorus I • Martinus I • Eugenius I • Vitalianus • Adeodatus II • Donus • Agatho • Leo II • Benedictus II • Johannes V • Conon • Sergius I • Johannes VI • Johannes VII • Sisinnius • Constantinus • Gregorius II • Gregorius III • Zacharias • Paulus I • Stefanus III (IV) • Adrianus I • Leo III • Stefanus IV (V) • Paschalis I • Eugenius II • Valentinus • Gregorius IV • Sergius II • Leo IV • Benedictus III • Nicolaas I • Adrianus II • Johannes VIII • Marinus I • Adrianus III • Stefanus V (VI) • Formosus • Bonifatius VI • Stefanus VI (VII) • Romanus • Theodorus II • Johannes IX • Benedictus IV • Leo V • Sergius III • Anastasius III • Lando • Johannes X • Leo VI • Stefanus VII (VIII) • Johannes XI • Leo VII • Stefanus VIII (IX) • Marinus II • Agapitus II • Johannes XII • Leo VIII • Benedictus V • Johannes XIII • Benedictus VI • Benedictus VII • Johannes XIV • Johannes XV • Gregorius V • Silvester II • Johannes XVII • Johannes XVIII • Sergius IV • Benedictus VIII • Johannes XIX • Benedictus IX • Silvester III • Benedictus IX • Gregorius VI • Clemens II • Benedictus IX • Damasus II • Leo IX • Victor II • Stefanus IX (X) • Nicolaas II • Alexander II • Gregorius VII • Victor III • Urbanus II • Paschalis II • Gelasius II • Calixtus II • Honorius II • Innocentius II • Celestinus II • Lucius II • Eugenius III • Anastasius IV • Adrianus IV • Alexander III • Lucius III • Urbanus III • Gregorius VIII • Clemens III • Celestinus III • Innocentius III • Honorius III • Gregorius IX • Celestinus IV • Innocentius IV • Alexander IV • Urbanus IV • Clemens IV • Gregorius X • Innocentius V • Adrianus V • Johannes XXI • Nicolaas III • Martinus IV • Honorius IV • Nicolaas IV • Celestinus V • Bonifatius VIII • Benedictus XI • Clemens V • Johannes XXII • Benedictus XII • Clemens VI • Innocentius VI • Urbanus V • Gregorius XI • Urbanus VI • Bonifatius IX • Innocentius VII • Gregorius XII • Martinus V • Eugenius IV • Nicolaas V • Calixtus III • Pius II • Paulus II • Sixtus IV • Innocentius VIII • Alexander VI • Pius III • Julius II • Leo X • Adrianus VI • Clemens VII • Paulus III • Julius III • Marcellus II • Paulus IV • Pius IV • Pius V • Gregorius XIII • Sixtus V • Urbanus VII • Gregorius XIV • Innocentius IX • Clemens VIII • Leo XI • Paulus V • Gregorius XV • Urbanus VIII • Innocentius X • Alexander VII • Clemens IX • Clemens X • Innocentius XI • Alexander VIII • Innocentius XII • Clemens XI • Innocentius XIII • Benedictus XIII • Clemens XII • Benedictus XIV • Clemens XIII • Clemens XIV • Pius VI • Pius VII • Leo XII • Pius VIII • Gregorius XVI • Pius IX • Leo XIII • Pius X • Benedictus XV • Pius XI • Pius XII • Johannes XXIII • Paulus VI • Johannes Paulus I • Johannes Paulus II • Benedictus XVI
Tegenpausen
Hippolytus • Novatianus • Felix II • Ursinus • Eulalius • Laurentius • Dioscurus • Eugenius I • Theodorus II • Paschalis I • Constantinus II • Filippus • Johannes VIII • Anastasius III • Sergius III • Christoforus • Bonifatius VII • Johannes XVI • Gregorius VI • Benedictus X • Honorius II • Clemens III • Theodoricus • Albertus • Silvester IV • Gregorius VIII • Celestinus II • Anacletus II • Victor IV (Gregorius) • Victor IV (Octavianus) • Paschalis III • Calixtus III • Innocentius III • Nicolaas V • Clemens VII • Benedictus XIII • Alexander V • Johannes XXIII • Clemens VIII • Benedictus XIV • Felix V
Geschrapt
Stefanus (II)

