Icoon (religieuze kunst)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fragment van de Moeder Gods Vladimirskaja, Byzantijnse icoon (12e eeuw). Deze icoon is een van de meest vereerde iconen in Rusland.
Boris en Gleb, de eerste Russische heiligen. Vroeg 14e-eeuwse icoon van de school van Moskou

Een icoon (van het Koinè Griekse: εἰκόνα "tekening", "icoon"; en het Oudgrieks: εἰκών "beeld", "afbeelding") van het Griekse eikoon - beeld) is een afbeelding van Christus, de Moeder Gods, heiligen of hoogfeesten.

Iconen behoren tot de Oosters-orthodoxe, de Oriëntaals-orthodoxe Kerk en de Oosters-katholieke Kerken en zijn onlosmakelijk verbonden met het kerkelijke en spirituele leven van deze kerken en hun gelovigen.

Iconen zijn meestal geschilderd op een houten paneel. Bij het schilderen dient rekening gehouden te worden met bepaalde regels. Deze regels zijn vervat in de schildersboeken (de zg. canon) en hebben de bedoeling voor zuiverheid en uniformiteit te zorgen en niet af te wijken van de leerstellingen van de Kerk.

Het schilderen van iconen is voor de orthodoxe kerk een werk waarvoor Gods zegen gevraagd wordt. Het gaat in de regel gepaard met gebed en vasten. Een icoon wordt in principe niet gesigneerd, omdat men ervan uitgaat dat het Gods hand is die het schilderen begeleidde; de Grieken signeren hun iconen wel. Iconen zijn vooral ontstaan in landen waar het christendom in de vorm van Oosterse orthodoxie de godsdienst is, zoals Griekenland, Rusland, de Balkanlanden, Oost-Europa en ook Egypte en Ethiopië.

De theologie van de icoon[bewerken]

Iconen worden niet aanbeden, want aanbidding komt alleen de Drie-enige God toe. Iconen worden door de gelovigen geëerd. Theodorus de Studiet († 826) heeft over de legitimiteit van iconenverering gezegd: “De icoon vertegenwoordigt het prototype [ ...] De eer die men aan de icoon bewijst, gaat terug op het oerbeeld [ ...]. Voor christenen was en is, tot op de dag van vandaag, het beeld een mysterium en zij beschouwen het als een drager van Goddelijke energie en genade.” In 787 is de iconenverering door de gehele christelijke Kerk geaccepteerd – door dezelfde Kerk die de bijbel heeft samengesteld en geredigeerd, de leer van de Heilige Drie-eenheid en de twee naturen van Christus heeft geformuleerd.

Sommige christenen staan negatief tegenover de iconenverering. Meestal houdt dit verband met het oud-testamentische verbod om beelden te maken. Het eerste van de tien geboden heeft echter betrekking op het maken van afgodsbeelden: “Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte [ ...]. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen.”

Voor christenen is de uitspraak van de apostel Paulus in dit verband belangrijk: "we zijn niet langer onder de wet (Oude Testament), maar onder de genade".

Christus heeft door Zijn bovennatuurlijke menswording een totale omwenteling in de relatie tussen God en mens teweeggebracht, iets wat de wetten van het Oude Testament niet in aanmerking konden nemen. De iconenverering is direct verbonden met de leer van de menswording van Christus, de Zoon van God: Christus, de vleesgeworden God, is immers af te beelden.

Iconen en spiritualiteit[bewerken]

De orthodoxie leert dat door een icoon te eren, door er voor te bidden, de gelovige in verbinding treedt met God. Een gelovige vereert een icoon door het slaan van een kruis en het maken van buigingen en door de icoon eventueel te kussen; in de kerk zetten de gelovigen een kaars voor de icoon op een daarvoor bestemde kaarsenstandaard.

Iconen worden ook wel vensters op de eeuwigheid genoemd, omdat zij als het ware een stukje van de Hemel, een stuk van Gods Koninkrijk laten zien. Een icoon is in zekere zin een trefpunt van het materiële en het bovenzinnelijke, een medium waardoor de Godheid tot de mensen wordt gebracht. De gelovige kan, door zich in gebed te concentreren op een icoon, zich voor een moment losmaken van de wereld en al biddend zich in verbinding stellen met de onzichtbare, hogere wereld, met God en met Zijn heerlijkheid.

Scholen en tradities[bewerken]

Russische iconen[bewerken]

Christusicoon uit het klooster in Zvenigorod en toegeschreven aan Andrej Roebljov
Engel met gouden haar (12e eeuw), een meesterwerk van de Novgorod-school, Rusland.

De Russische icoon heeft zijn oorsprong in de Byzantijnse traditie, maar al vroeg is de iconenschilderkunst in Rusland zich op haar eigen manier gaan ontwikkelen en maakte ze zich los van de Byzantijns-Griekse stijl.

Er ontstonden verscheidene scholen in Rusland met hun eigen stijlkenmerken; de beroemdste scholen zijn die van Novgorod, van Vladimir-Soezdal en van Moskou.

Verder waren er de school van Jaroslavl, van Palech en de Stroganovschool. Iconen van deze scholen worden echter niet als hoogtepunt van de Russische iconenkunst beschouwd.

De bloeitijd van de Russische icoonschilderkunst wordt doorgaans gesitueerd in de periode van de 13e tot en met de 16e eeuw. Dit is ook de tijd waarin de grote iconenschilders actief waren: Andrej Roebljov (ca. 1360 - ca. 1430), Daniil Tsjornyj, Feofan Grek en Dionisij.

De wereldberoemde Oudrussische iconen van ongeëvenaarde schoonheid zijn een spiegel van de spiritualiteit van het Russisch-orthodoxe geloof. In deze iconen hebben de hoogste geestelijke idealen gestalte gekregen in vorm en kleur. Deze iconen roepen de gelovigen op tot eenheid en tonen de heerlijkheid en de vreugde die de mens in het toekomstige Koninkrijk deelachtig zullen worden.

Vergadering der Aartsengelen; Michaël en Gabriël houden samen een schild vast waarop Christus Immanuël zegenend is afgebeeld. Onderaan zijn cherubijnen en serafijnen afgebeeld. (Russische icoon, 19e eeuw)

De vervaardiging van iconen[bewerken]

De vervaardiging van een icoon wordt binnen de oosters-orthodoxe kerk als een religieuze handeling beschouwd. Van de iconenschilder wordt verwacht dat hij voorafgaand aan zijn schilderwerk bij zijn biechtvader te rade gaat, en doet wat deze hem oplegt. Mogelijk brengt hij een tijd van diepe bezinning door, waarin hij vast en religieuze teksten over zijn gekozen onderwerp bestudeert.

Volgens de traditie wordt voor het schilderen van iconen alleen gebruik gemaakt van natuurlijke materialen: hout, krijt, lijm, hars en tempera (verf, bestaande uit eidooier, water en pigmenten van minerale oorsprong) en eventueel bladgoud. De eerste stap is het maken van een paneel; voor het paneel wordt bij voorkeur uitgewerkt hout gebruikt. Vaak wordt bij Russische iconen het midden van het paneel wat uitgediept, zodat een lijst ontstaat, de zg. klejmo (in het Grieks wordt zo'n paneel skaftó genoemd). Dit paneel wordt vaak eerst bekleed met linnen en vervolgens worden op dit linnen of direct op het paneel vele lagen levkas aangebracht, een mengsel van organische lijm en krijt, opgelost in water. Vervolgens wordt met houtskool of pigment de schets aangebracht. Als voor de achtergrond of de nimbus bladgoud gebruikt wordt, wordt het paneel eerst voorzien van bladgoud. Pas dan kan het eigenlijke schilderen beginnen. Bij het schilderen met tempera wordt gewerkt van donker naar licht. In Rusland wordt de icoon ten slotte bedekt met olifa, een vernis op basis van lijnolie, in Griekenland het meest met een vernis dat bestaat uit verschillende harssoorten.

Er bestaan ook iconen die in hoogreliëf zijn gesneden in een paneel, al dan niet bedekt met levkas en beschilderd met tempera. In Rusland komen iconen voor die geheel zijn geborduurd, met goud- en zilverdraad. Ook werden daar gegoten metalen iconen vervaardigd, vaak bedekt met verschillende kleuren email. De afmetingen van deze iconen variëren van ca. vijf tot ca. dertig cm. Vooral onder de oudgelovigen waren ze geliefd.

Wanneer een icoon als een belangrijk, oud en kostbaar werk werd beschouwd, werd het paneel vaak bedekt met een sierschild van edelmetaal, niet zelden rijk versierd met parels en edelstenen. Ook komen bekledingen voor van textiel, versierd met kralen of edelstenen, die grote delen van de schildering bedekken. Het sierschild kan alleen de rand van de icoon bedekken; soms bedekt het bijna de volledige schildering, behalve het gelaat en de handen van de heilige. Bij oude Russische iconen werd vaak een dunne laag zilver of verguld zilver met plantenmotief op de rand gespijkerd; dit heet basma. Wanneer het sierschild grotere delen van de icoon bedekt, noemt men dat in het Russisch oklad of riza ("kleed").

Kleurgebruik

  • Oker wordt gebruikt om de zichtbare huid van de afgebeelde heiligen weer te geven.
  • Paarsrood (purper) is de kleur van het goddelijke en de kleur van Christus en zijn martelaren. Het is het symbool van het leven zelf.
  • Blauw is de kleur van het menselijke. Vaak heeft de Moeder Gods een blauw onderkleed, want zij was mens. Over het blauwe onderkleed draagt zij een donkerrode mantel, het purper van de vergoddelijking.
  • Groen is de kleur van de jeugd, vruchtbaarheid en geborgenheid.
  • Wit is de kleur van het goddelijk licht, wat in kleine grafische lijntjes van de gezichten van de afgebeelde heiligen en voorwerpen afstraalt.
  • Goud, het kan ook geel zijn, is de afstraling van de goddelijke zonneglans. Christus draagt een rood ondergewaad, teken van zijn goddelijkheid, verborgen onder een blauw bovengewaad. Goud wordt aangebracht als achtergrond, als strepen of, zoals bij de Moeder Gods, als sterren op de kleding en het bovengewaad. Dit om de goddelijkheid te benadrukken, evenals een gouden achtergrond dat doet.
  • Ook oranjerood (vermiljoen) en blauwgroen (turquoiseblauw) worden vaak toegepast. Dit kleurenpaar kan een optimaal warm/koud kleurcontrast opleveren.
  • Bruin is de kleur van de aarde.
  • Zwart kan beschouwd worden als symbolisch voor de hel en de dood. Op veel iconen komt een zwarte holte (hol, spelonk, graf) voor. Dit is het symbool van de nog niet verloste schepping of van het kwaad, "de zondige wereld".

Zie ook[bewerken]

Moeder Gods-iconen:

Externe links[bewerken]