Robert Bunsen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Robert Bunsen

Robert Wilhelm Bunsen (Göttingen, 31 maart 181117 augustus 1899) was een Duits chemicus die vooral bekend is door het verbeteren van de naar hem vernoemde Bunsenbrander van Michael Faraday. Hij werkte op het gebied van emissiespectroscopie van verhitte scheikundige elementen.

Inhoud

[bewerken] Opleiding

Bunsen studeerde natuurwetenschappen aan de universiteit van Göttingen, Parijs, Londen en Wenen.

[bewerken] Loopbaan

Bunsen vestigde zich in Göttingen als privaat-docent aan de universiteit aldaar en trok al snel de aandacht met zijn geschrift Over IJzeroxyd, een nieuw tegengif voor arsenigzuur. Drie jaar later werd hij benoemd tot leraar aan de polytechnische school te Kassel en in 1846 tot hoogleraar te Marburg. In 1860 kreeg Bunsen de Copley Medal.

[bewerken] Wetenschap

Uitgaand van de waarneming dat opgelost arsenicum met ijzerhydroxyd een onoplosbare verbinding vormt, nam Bunsen, samen met A. Berthold, proeven op dieren, om na te gaan of men de werking van arsenicum door het toedienen van ijzerhydroxyd zou kunnen opheffen. Bunsen publiceerde vervolgens een verhandeling over een reeks van organische verbindingen, waar arsenicum bestanddeel van uitmaakte en in 1842 volgde zijn bekende werk Onderzoekingen over de kakodyl-reeks. Hij maakte een reis naar IJsland, waar hij chemisch-geologische vraagstukken bestudeerde en onder meer de werking van geisers verklaarde.

[bewerken] De "Bunsen-brander"

Het vraagstuk waar men met de eerdere gasbranders te maken mee kreeg was: een brander te te construeren, die de voordelen van de gasvlam behield maar de nadelen wegnam; het voordeel was de hitte, het nadeel was het roeten. Bunsen bedacht dat wanneer het gas vóór het ontsteken gemengd is met een voldoende hoeveelheid lucht, dat dan de koolstof, die in een gewone vlam optreedt, op het ogenblik zelf van haar ontstaan verbrandt tot koolzuur; men kreeg dus niet alleen een niet-roetende vlam maar ook een vlam van een hogere inwendige temperatuur dan vroeger omdat de koolstof verbrandde tot koolzuur met een aanzienlijke hoeveelheid warmte.

Met behulp van instrumentmaker Desaga maakte Bunsen de volgende constructie: het gas stroomt uit een betrekkelijk nauw en kort buisje; daar uitgestroomd treedt het in een wijde cilinder, die het buisje omgeeft en aan de onderkant van een paar zijdelingse openingen voorzien is. Het gas, dat uit het buisje is getreden, ontsnapt niet door de zijdelingse openingen (te laag daarvoor aangebracht) maar stroomt door de wijde cilinder naar boven, en is dan al gemengd met lucht, die in de cilinder was. Zodra dit mengsel wordt aangestoken brandt het zonder roetafscheiding en onderhoudt zelf deze toestand; eenmaal brandend doet de vlam de wijde cilinder ongeveer als een schoorsteen werken doordat de vlam een zekere trekking in de cilinder veroorzaakt, waardoor de buitenlucht voortdurend door de zijdelingse openeningen binnen de cilinder gezogen wordt en zodoende stroomt er voortdurend een mengsel van lucht en gas uit. Bunsen en Kirchhoff gebruikten de Bunsen-brander veel bij spectroscopische onderzoeken.

[bewerken] Kwantitatieve bepaling van de mechanische werking van licht

Robert Bunsen

Van 1855 tot 1859 deed Bunsen, samen met Roscoe, fotochemische onderzoekingen. Voor de kwantitatieve bepaling van de mechanische werking van licht gebruikten zij een mengsel van gelijke volumen waterstof en chloor. Dit mengsel bleef in het donker onveranderd en ging bij belichting over in chloorwaterstof, dat gemakkelijk uit het mengsel kon worden verwijderd, omdat het door water werd geabsorbeerd. De hierbij optredende vermindering van volume van het mengsel gaf dan de maatstaf voor de chemische werking van licht. Als "normaalvlam", met welke de te meten lichtwerkingen werden vergeleken, diende een kooloxidevlam, die per seconde 5 kubieke centimeter gas verbruikte, onder een druk van 760 mM en bij een temperatuur van 0 graden Celsius. De werking, die deze vlam op een afstand van 1 meter gedurende 1 minuuut op het mengsel van chloor en waterstof uitoefende, werd door Bunsen en Roscoe als "chemische lichteenheid" aangenomen. Eindelijk lukte het hen om om zowel de chemische werking van het in de de atmosfeer verstrooide licht als die van het directe zonlicht te bepalen. Er werd nu een formule bepaald, waardoor de grootte van de chemische kracht van het zonlicht voor elke geografisch bepaalde plaats, voor elke hoogte boven het oppervlak van de zee en voor elke tijd berekend kon worden.

[bewerken] Spectraalanalyse

Bunsen en Gustav Kirchhoff onderzochten samen chloorverbindingen van de metalen kalium, natrium, lithium, barium, strontium, en calcium, die zij achtereenvolgens in de vlam van een Bunsen-brander brachten, waarna zij de vlam door een spectroscoop waarnamen. Van de hierbij optredende strepen in het spectrum werd het aantal en de plaats nauwkeurig bepaald (Spectraalanalyse). Bij volgende reeksen van proefnemingen werden in plaats van de chloorverbindingen met genoemde metalen hun verbindingen met jodium, broom en met zuurstof, met zwavelzuur en met koolzuur onderzocht. In elke reeks vonden Bunsen en Kirchhoff voor de metalen volkomen dezelfde karakteristieke strepen. Die strepen bleken ook onafhankelijk te zijn van de temperatuur. Zo kon dus uit de afwezigheid van de voor een metaal kenmerkende streep in het spectrum tot de aanwezigheid van dat metaal worden geconcludeerd. Door toepassing van spectraalanalyse ontdekten Bunsen en Kirchhoff twee nieuwe elementen, Cesium en rubidium.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • 1899. Robert Wilhelm Bunsen, ontleend aan een artikel van professor Dr. Martin Freund in de Frankfurter Zeitung Eigen Haard, blz. 623-623 en 634-635
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken