Sierteelt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Sierteelt is de teelt van siergewassen. De teelt vindt zowel in de vollegrond (open teelt) als onder glas en in plastic tunnels plaats.

De sierteelt kan onderverdeeld worden in de teelt van:

Uitgangsmateriaal[bewerken]

Vermeerdering[bewerken]

Bij de vermeerdering van uitgangsmateriaal wordt zowel gebruikgemaakt van generatieve vermeerdering als vegetatieve vermeerderingsmethoden.

Alle kassnijbloemen worden vegetatief vermeerderd door stekken, weefselkweek.

Perkplanten, zowel eenjarigen als tweejarigen, worden generatief vermeerderd. Er worden zowel gewone rassen als hybriden (viool) gebruikt.

Struiken worden meestal vermeerderd door stekken en laan- en straat- en parkbomen door enten op een onderstam.

Gezondheid[bewerken]

Het uitgangsmateriaal wordt gekeurd op rasechtheid en gezondheid door de Naktuinbouw.

Kwekersrecht en naamgeving[bewerken]

Bij rassen met kwekersrecht mag niet iedereen deze zomaar vermeerderen, maar mag dat pas als een licentie van de kwekersrechthouder is verkregen.

Voor de naamgeving van nieuwe cultivars en rassen zie de betreffende artikelen over cultivar en ras.

Groeiregulatoren[bewerken]

Groeiregulatoren worden gebruikt om de lengte te beperken, de plant compacter te houden of voor de inductie van de bloei.

Groeilicht[bewerken]

Meer en meer wordt assimilatieverlichting gebruikt om de productie en de kwaliteit van de bloemen te verbeteren. Vooral bij de snijrozenteelt wordt hiervan op grote schaal gebruikgemaakt. De assimilatieverlichting vormt één van de grootste bronnen van lichtvervuiling. Het dag- en nachtritme van de natuur in de buurt van glastuinbouw raakt verstoord en ook is lichtvervuiling hinderlijk voor astronomische waarneming. De kassen moeten daarom wel afgeschermd worden om de lichtvervuiling in de nacht tegen te gaan. Tot nu toe worden echter veelal alleen de gevels afgeschermd. Bij chrysant wordt korte dag belichting toegepast, dat wil zeggen dat bij dagen met een lange dag verduistering wordt gebruikt om de daglengte te verkorten, waardoor de plant met de bloemaanleg begint.

Afzet[bewerken]

De afzet van snijbloemen en potplanten vindt voor het grootste gedeelte plaats via de bloemenveilingen. In Nederland zijn dat FloraHolland en Plantion. De meeste producten worden afgezet in Duitsland. Daarnaast gaan de producten de hele wereld over, waarbij het vervoer over grotere afstanden per vliegtuig gaat.

Geschiedenis[bewerken]

Oorspronkelijk werden bloemen gebruikt bij de godsdienst en bij begrafenissen en geboorten. Later werden ook bloemen geteeld voor het bereiden van parfums, verfstoffen (indigo), voor medicinale doeleinden en als specerij (saffraan). Bij de oude Egyptenaren waren de bloem van de lotus en het blad van de acanthus belangrijk. Afbeeldingen van de heilige lotus komen naast de bladmotieven van de acanthus in de gehele Egyptische kunst voor. De Germanen geloofden dat de hulst en de huislook de lievelingsplanten van de weergoden waren. In Oosterse tapijten zijn veel bloemen afgebeeld, zoals de lelie, iris en granaatappel.

Griekse mythologie[bewerken]

In de Griekse mythologie komen ook bloemen voor. Zo zou uit de nectar die Eros tijdens de maaltijd van de goden laat vloeien de witte roos zijn ontstaan. Door het bloed van Aphrodite, die zich bezeerde aan de stekels, kleurde de roos rood. Uit het bloed van Adonis en Hyacinthus ontstonden de zomeradonis (kooltje vuur) en de hyacint. De narcis ontstond uit Narcissus en ook de krokus ontstond op een vergelijkbare wijze. Zeus tooide zich met de eik, Aphrodite met de mirte, Nikè met de palm en Apollon met de laurier. De Eirene werd vaak voorgesteld door een olijftak.

Romeinen[bewerken]

De Romeinen gebruikte ter versiering van maaltijden bij feesten veel bloemen. Zo liet Nero zelfs in de winter per schip rozen uit Egypte halen. Ook werden de helden getooid met de lauwerkrans.

Latere tijd[bewerken]

Nicolaes van Verendael

De tulp werd voor het eerst in Europa geïntroduceerd door … en in Nederland in 1571. Carolus Clusius legde de basis van de bollenteelt in Nederland door de veredeling van de tulp en de introductie van de narcis, iris en andere bolgewassen. Tijdens de tulpomanie in 1636 tot 1637 werden er fortuinen besteed voor de aankoop van tulpenbollen. Ook was er tussen 1720 en 1736 een levendige handel in hyacintenbollen.

Omstreeks 1750 kwam in België de bloementeelt op vooral door toedoen van Willem Lefeber, die in de negentiende eeuw belangrijk werd uitgebreid. Terwijl Louis Van Houtte als pionier voor azalea’s, camelia’s en begonia’s in en om Gentbrugge aanzien wordt, geldt Adolphe Papeleu als de grondlegger van de boomkwekerij rond Wetteren. In Nederland komt pas in de tweede helft van deze eeuw in de omgeving van Aalsmeer de bloementeelt tot ontwikkeling met het telen van violieren, gevolgd door de teelt van pelargoniums en rozen. De eerste rozenkas werd in 1896 gebouwd. Vanaf 1890 worden ook seringen getrokken en wordt begonnen met de teelt van chrysanten. Na de Eerste Wereldoorlog tot de crisisjaren breidde de bloementeelt zich sterk uit om daarna weer in te zakken. Na de Tweede Wereldoorlog groeit de bloementeelt slechts langzaam. Dit was een gevolg van het feit dat er een teeltbeheersing was en voor het telen van bloemen een teeltvergunning nodig was. In 1967 hadden meer dan 17000 telers zo’n vergunning, maar het grootste deel van de telers had maar een kleine oppervlakte. Vanaf 1967 is de teeltbeheersing opgeheven en schakelden in de loop van de tijd veel groentetelers over op de teelt van siergewassen (zie tabel). Nederland is hierdoor een belangrijk land voor de sierteelt geworden en is nu de grootste exporteur van snijbloemen. Snijbloemen van over de hele wereld worden in Nederland over de veiling verhandeld. In Nederland vindt door veredelingsbedrijven ook de meeste veredeling plaats en is hierdoor in de wereld de grootste aanmelder van nieuwe rassen.

Het aantal gespecialiseerde bloembollenbedrijven daalde in 2010 zeer fors met 11% tot 760 bedrijven. Het areaal bloembollen is met 1,5% daarentegen slechts licht afgenomen tot 23.240 ha.  Het belangrijkste gewas tulp kromp met 3% tot 11.400 hectare en het tweede gewas lelie liet na een forse daling in 2009 jaar weer een stijging van het areaal zien met 10% tot 4.680 hectare. Twee derde van het areaal is in handen van gespecialiseerde bedrijven, die gemiddeld 21 hectare bloembollen telen. Opbrengst De bloembollenbedrijven beleefden in 2010 een financieel gezond jaar. De prijsvorming van bloembollenoogst 2010 was over het algemeen beduidend beter dan in beide voorgaande jaren. De tulpen vormden hierop de enige uitzondering als gevolg van een achterblijvende vraag uit de broeierij en droogverkoop. Toch zullen de hectareopbrengsten naar schatting met gemiddeld 8% zijn gestegen. De akkerbouwproducten en snijbloemen, die op veel bloembollenbedrijven voorkomen, dragen daar overigens voor ruim de helft aan bij. Alles overziend wordt de rentabiliteit in 2010 geraamd op boven de 100% en komt het inkomen uit bedrijf uit op ongeveer 60.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid, het hoogste tot nog toe in de 21e eeuw.

Areaal[bewerken]

Bron: CBS

Bloementeelt
Jaar Hectare
1939 1320
1946 1138
1950 2330
1956 1302
1962 1551
Sierteelt onder glas
Jaar Hectare
1950 283
1955 387
1960 498
1965 901
1970 1634
1975 3060
1980 4041
1985 4370
1990 5283
1995 5714
2003 6138
2004 6370
2005 6353
Bloemkwekerij vollegrond
Jaar Hectare
1950 870
1955 950
1960 980
1965 1032
1970 885
1975 1059
1980 1204
1985 1691
1990 2103
1995 2499
2000 ...
2004 2528
2005 2733


Externe link[bewerken]

Zie ook[bewerken]