Van Haren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jonker Onno Zwier van Haren in 1752 door J. Fournier

Van Haren (oorspronkelijk: von Haren) is de naam van een geslacht uit de stad Aken waarvan leden sinds 1814 behoren tot de Nederlandse adel en welk geslacht in 1850 uitstierf.

Geschiedenis[bewerken]

Voorvaders van het geslacht Van Haren zijn wellicht de ridders Adam van Ha(e)ren (ca. 1174-1244) en Ogier I van Haren (genoemd in 1277), in de 13e eeuw voogden van Maastricht namens de hertogen van Brabant en tevens voogden van de proosdij van Meerssen. De ridders Van Haren bewoonden het kasteel Borgharen en bezaten een poorthuis aan de Spilstraat in Maastricht, dat ze volgens de overlevering omstreeks 1250 aan de dominicanen schonken.[1]

In de 15e eeuw waren leden van dit patriciërsgeslacht burgemeesters en schepenen in de stad Aken. Gedurende de reformatie week een telg van het geslacht, Adam von Haren, uit naar Nassau. Hij was later één van de watergeuzen-kapiteins die in 1572 in Brielle landden. Hij was vervolgens raad en kamerheer van prins Willem van Oranje en na diens dood in 1584 was hij hofmeester van prins Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg, de stadhouder van Friesland. Zijn nakomelingen bekleedden hoge politieke ambten in Friesland en waren loyale aanhangers van de Friese stadhouders.

Van 1673 tot 1795 waren de Van Harens onafgebroken grietmannen van Weststellingwerf en van 1652 tot 1763 van het Bildt Ook andere grietenijen in Friesland kenden een Van Haren als grietman. Ten tijde van de Franse inval en de Bataafse Revolutie weken de Van Harens uit naar het buitenland. In 1813 keerde een deel van het geslacht naar Nederland terug. In 1814 werden twee leden van het geslacht erkend als edelen van Friesland en verkregen daardoor het predicaat jonkheer. In 1822 werd een ander lid van het geslacht erkend met de titel van baron; hij was de laatste van het geslacht en met hem stierf het geslacht in 1850 uit.

Bekende telgen[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. P.J.H. Ubachs en I.M.H. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht (Zutphen, 2005), p.213.