Verpleegkundige

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Verpleger)
Ga naar: navigatie, zoeken
Portal.svg Portaal Verpleegkunde

Een verpleegkundige is een persoon die opgeleid is in het uitvoeren van verpleegkundige taken. Hij of zij houdt zich bezig met het geven van verpleegkundige zorg. Hieronder valt basiszorg, zoals de persoonlijke verzorging als wassen, aankleden en verschonen, maar ook wondverzorging, observatie en rapportage en gespecialiseerde zorg. Verpleegtechnische handelingen zijn bijvoorbeeld het inbrengen van een sonde of een katheter. Ook het begeleiden van patiënten is een taak van de verpleegkundige. Hierbij kan het gaan om de omgang van de patiënt met ziekte en behandeling en het bevorderen of aanleren van de zelfredzaamheid daarbij. Verpleegkundigen werken dikwijls samen met verzorgenden. Basisverzorging, wondzorg, het geven van injecties en medicatie uitreiken of toedienen zijn taken die ook door een daartoe bevoegde verzorgende kunnen worden uitgevoerd. Tal van andere taken mogen uitsluitend uitgevoerd worden door een verpleegkundige.

Werkveld[bewerken]

Verpleegkundigen werken in ziekenhuizen, de geestelijke gezondheidszorg, revalidatiecentra, de gehandicaptenzorg, verpleeg- en verzorgingshuizen, privéklinieken, gevangenissen, de thuiszorg,in de openbare gezondheidszorg (OGZ) bij een GGD, bij defensie of als particulier. Daarnaast houden verpleegkundigen zich bezig met het uitvoeren van geneeskundige of psychologische behandelingen in opdracht van of onder toezicht van een arts of een klinisch psycholoog. Zij mogen zelf geen medische diagnoses stellen, maar kunnen vaak wel medische taken uitvoeren (volgens vastgestelde protocollen). Wel stelt een verpleegkundige een verpleegkundige diagnose. Dat is een diagnose die betrekking heeft op de gezondheidsproblemen van de patiënt, en hoe die daar mee omgaat. Verpleegkundige interventies worden tegenwoordig meer gebaseerd op onderzoek. Naast de beroepservaring is dit onderzoek van groot belang.

Een belangrijk deel van het werk van verpleegkundigen bestaat ook uit het geven van informatie over gezondheid en leefstijl, ziekte en behandeling. Dit heet GVO (Gezondheidsvoorlichting- en Opvoeding) of Gezondheidspromotie.

Opleiding[bewerken]

Eerste niveau[bewerken]

Verpleegkundige

De opleidingen in Nederland en Vlaanderen lijken op elkaar. In beide landen is er sprake van twee niveaus verpleegkundigen. Het hoogste niveau wordt in Nederland niveau 5 (hbo) genoemd, in Vlaanderen Bachelor in de verpleegkunde of het nog oudere A1-verpleegkundige. Ook spreekt men in Vlaanderen van gegradueerde verpleegkundige. Deze zijn in het bezit van een 4e graad en krijgen vervolgens het diploma "gegradueerde in de verpleegkunde". Die eerste is in dagelijkse praktijk de meest voorkomende benaming in Vlaanderen. Deze opleidingen, die worden gevolgd aan een hogeschool, hebben het internationale Bachelor-niveau en kunnen leiden tot de internationaal gebruikelijke graad Bachelor of Nursing (BN). Deze verpleegkundigen worden opgeleid om breed inzetbaar in de zorg te zijn. Meestal vervullen zij coördinerende taken. Binnen de Bachelor-opleiding zijn volgende afstudeerrichtingen mogelijk:

  • geriatrische verpleegkunde
  • kinderverpleegkunde
  • psychiatrische verpleegkunde
  • sociale verpleegkunde
  • ziekenhuisverpleegkunde, de meest polyvalente afstudeerrichting.

Na deze basisopleiding kan men zich specialiseren in bijvoorbeeld hartbewaking, spoedeisende hulp, anesthesie-assistent of chirurgie-assistent.

Basisonderdelen van de opleiding Bachelor in de verpleegkunde in Vlaanderen (te studeren, ongeacht de specialisatie die men later kiest):

  • Inleiding op de verpleegkunde
  • Verpleegkundige theorieën, concepten en methoden
  • Anatomie en fysiologie
  • Embryologie en genetica
  • Toegepast wetenschappelijk onderzoek en statistiek
  • Verpleegkundige interventies (leer van de verschillende handelingen)
  • Verpleegkundige diagnostiek
  • Gezondheidspromotie (Gezondheidsvoorlichting- en opvoeding of GVO)
  • Pathologie (ziekteleer per stelsel)
  • Psychologie
  • Psychosociale verpleegkundige diagnosen en interventies
  • Relationele vaardigheden
  • Filosofie
  • Sociologie
  • Ethiek
  • Deontologie
  • Omgangskunde

Tweede niveau[bewerken]

Het tweede niveau verpleegkundeopleiding wordt in Nederland als niveau 4 (mbo+) beschouwd. In Vlaanderen is het een studierichting in het hoger beroepsonderwijs. Na voltooiing van deze studierichting is men gediplomeerd verpleegkundige. De verouderde benaming A2-verpleegkundige wordt in Vlaanderen nog veel gebruikt. In het laatste jaar van de opleiding kan men een specialisatie volgen: verpleegkundige in het algemeen ziekenhuis, verpleegkundige binnen de psychiatrische gezondheidszorg of verpleegkundige binnen de geriatrie. Deze opleidingen zijn over het algemeen meer praktijk gericht, in Nederland leiden ze meestal tot specialisatie in één bepaalde richting van de zorg.

Leerafdeling[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Leerafdeling voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland is het eerste land ter wereld waar de zogenaamde leerafdeling zijn intrede doet. Op een leerafdeling werken voornamelijk leerlingen met een verpleegkundige als toezichthouder. België is het tweede land ter wereld waar de leerafdeling langzaam aan zijn intrede doet.

Specialisaties[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van verpleegkundige specialisaties voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Er zijn tientallen deelgebieden waarin een verpleegkundige zich door opleiding en ervaring kan specialiseren.

Vervolgopleidingen[bewerken]

Nederland[bewerken]

Naast de niveau 4 en 5 opleiding is er de mogelijkheid voor verpleegkundigen om zich te specialiseren tot verpleegkundig specialist. Deze is erkend in de Wet BIG artikel 14.

Verpleegkundigen niveau 5 kunnen na het volgen van de masteropleiding advanced nursing practice, Nurse practitioner (NP) worden. Deze verpleegkundig specialist is werkzaam binnen een specifiek medisch deskundigheidsgebied. De bevoegdheden voor uitvoeren van medische handelingen is uitgebreid. Een verpleegkundige richt zich vooral op de gevolgen van een ziekte, een verpleegkundig specialist richt zich daarnaast ook op de ziekte zelf en gaat op zijn deskundigheidsgebied een behandelrelatie aan met de patiënt volgens de normen van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO).

Het verschil in wettelijke bevoegdheden tussen een verpleegkundige en een verpleegkundig specialist zit met name in de bevoegdheid tot het zelfstandig aangaan van een behandelrelatie en het indiceren en uitvoeren van voorbehouden handelingen. Op dit moment geldt dus nog formeel dat verpleegkundigen voorbehouden handelingen alleen in opdracht van een arts mogen verrichten. Recepten voorschrijven mag nu nog alleen door artsen gebeuren. In het parlement ligt al geruime tijd een wetswijziging om de Wet BIG aan te passen. Zo mag in de nabije toekomst een verpleegkundig specialist onder bepaalde voorwaarden een medische diagnose stellen en medicijnen voorschrijven. De Nurse practitioner verleent verpleegkundige zorg op expertniveau, richt zich op uitvoering van wetenschappelijk onderzoek in de zorg en deskundigheidsbevordering.

Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen zijn vele specialisaties en vervolgopleidingen te volgen als bachelor-na-bachelor. Er kan een specialisatie in de verpleegkunde gevolgd worden na het basisdiploma Bachelor in de verpleegkunde, zoals geriatrische verpleging, neonatologie, oncologie, intensieve zorgen en spoedgevallenzorg en psychiatrische verpleging. Men kan ook verder studeren tot Master in de verpleegkunde en vroedkunde.

Een academische opleiding in de verplegingswetenschappen (Master of Science Verplegingswetenschap) of in de ziekenhuiswetenschappen sluit ook aan bij het basisdiploma Bachelor in de verpleegkunde. Een academicus die vanuit een verpleegkundige wetenschappelijke invalshoek onderzoek kan doen en beleidsfuncties kan uitvoeren. Ook de didactiek van opleiding voor verpleegkundigen komt hier aan bod. De verplegingswetenschapper speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van Evidence Based Practice.

Nationale samenwerking[bewerken]

In Nederland heeft de verpleegkundige beroepsgroep zich verenigd in V&VN. Ontstaan op 1 augustus 2006 uit de AVVV. Onderdeel van deze vereniging zijn de platforms waarin gespecialiseerd verpleegkundigen elkaar vinden. V&VN is tevens het nationale platform voor de verpleegkundige en verzorgende adviesraden.

Daarnaast zijn verpleegkundigen georganiseerd in de vakbonden ABVAKABO FNV, NU'91 en CNV Publieke Zaak.

Het Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (LEVV) richtte zich voornamelijk op deskundigheidsbevordering door voorlichting en informatievoorziening van instellingen en individuele zorgverleners. In 2011 fuseerde het LEVV samen met beroepsvereniging Sting en V&VN. De drie organisaties gingen verder onder de naam V&VN.

In Vlaanderen is er het NVKVV (Nationaal Verbond van Katholieke Vlaamse Verpleegkundigen en Vroedvrouwen) en de VVU (Vlaamse Verpleegunie).

Internationale samenwerking[bewerken]

39 opleidingen uit 18 Europese landen zijn een samenwerkingsverband aangegaan in een netwerk. Dit netwerk heet het Florence Network. Drie Nederlandse en drie Belgische bachelor-opleidingen verpleegkunde maken er deel van uit:

  • In Nederland: Haagse Hogeschool Den Haag - Hanze Hogeschool Groningen - NHL Hogeschool Leeuwarden
  • In België: Katholieke Hogeschool Sint-Lieven, Aalst en Sint-Niklaas - Katholieke Hogeschool Leuven - HogeschoolUniversiteitBrussel HUB te Brussel

Opsomming van verpleegtechnische handelingen[bewerken]

Sondevoeding toedienen, verzorgen maagsonde, verzorgen stoma, verzorgen blaaskatheter, verzorgen suprapubische katheter, medicijnen uitzetten/registreren/toedienen, injecteren (intramusculair, intracutaan, subcutaan, intraveneus), perifeer infuus inbrengen, lavementen toedienen, oplossingen en verdunningen maken, tracheacanule verzorgen, tracheastoma verzorgen, uitzuigen (aspireren) van de keel, de mondholte en de onderste luchtwegen (bronchiaal toilet), zuurstof toedienen, aerosol toedienen, bloed en bloedproducten toedienen, wondverzorging, hechtingen verwijderen, tampons verwijderen, wonddrains verwijderen, lichaamstemperatuur regelen, parenteraal vloeistoffen toedienen, katheteriseren van de blaas, maagsonde inbrengen, een ECG afnemen en interpreteren, observatie van personen met continue monitoring, toezicht houden op spuitpompen, orgaanspoelingen uitvoeren, venapunktie, hielprik, monsters verzamelen, reanimeren.

In België (Vlaanderen) zijn de verpleegkundige handelingen ondergebracht in 3 verschillende categorieën:

  • A-handelingen:

Omvat vooral de observaties van de patiënt op fysisch, psychisch, sociaal vlak die bijdragen tot het stellen van een medische diagnose door de arts of verpleegkundige diagnosen door de verpleegkundige, alsook het onder zijn hoede nemen van gezonde en/of zieke personen en handelingen verrichten die bijdragen tot het behoud, de verbetering of het herstel van de gezondheid.

  • B-handelingen:

B1-handelingen: Dit zijn verpleegkundige handelingen die zonder voorschrift van de arts mogen uitgevoerd worden.

B2-handelingen: Dit zijn verpleegkundige handelingen die enkel op voorschrift van de arts mogen uitgevoerd worden, afhankelijk van de medische diagnose en behandeling vb. start intraveneuze antibioticakuur.

  • C-handelingen:

Dit zijn toevertrouwde medische handelingen bv. het toedienen van cytostatica.

Recht[bewerken]

In Nederland[bewerken]

In Nederland is verpleegkundige een bij wet beschermde beroepstitel en mag als zodanig alleen worden gebruikt door mensen die een erkende opleiding hebben genoten. Verpleegkundigen zijn geregistreerd in het BIG-register. Zij vallen onder het tuchtrecht en kunnen ter verantwoording worden geroepen voor het tuchtcollege. De handelingen die alleen voorbehouden zijn aan verpleegkundigen (en andere beroepsgroepen in de gezondheidszorg) zijn beschreven in de Wet BIG.

Twee andere wetten belangrijk binnen de verpleegkundige zorgverlening is de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (WKCZ).

In België[bewerken]

In België (Vlaanderen) is het gebruik van de titel beschermd door de wet van 15 november 1946 tot de bescherming van de titels van verpleger en verpleegster. Wie na de afkondiging van deze wet van 15 november 1946 de titel van verpleger of verpleegster wilde gebruiken, was verplicht om eerst een opleiding tot verpleegkundige te volgen.

Wat in Nederland onder de benaming van verpleegtechnische handelingen bekend is, wordt in Vlaanderen technische verpleegkundige verstrekkingen en toevertrouwde handelingen genoemd. Personen die geen opleiding tot verpleegkundige hadden gevolgd maar wel technische verpleegkundige verstrekkingen en/of toevertrouwde handelingen verrichtten, waren toen nog niet strafbaar bij wet.

De wet van 20 december 1974 betreffende de uitoefening van de verpleegkunde bracht hier verandering in. Deze wet regelde onder andere de professionele relatie tussen de artsen en de verpleegkundigen. Maar wat nog belangrijker was, was dat deze wet ook bepaalde dat er bij Koninklijk Besluit een lijst van technische verpleegkundige verstrekkingen en toevertrouwde handelingen zou vastgesteld worden

Deze lijst is uiteindelijk vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 18 juni 1990 houdende vaststelling van de lijst van de technische verpleegkundige verstrekkingen en de lijst van de handelingen die door een arts aan beoefenaars van de verpleegkunde kunnen worden toevertrouwd, alsmede de wijze van uitvoering van die verstrekkingen en handelingen en de kwalificatievereisten waaraan de beoefenaars van de verpleegkunde moeten voldoen.

De bepalingen van de wet van 20 december 1974 betreffende de uitoefening van de verpleegkunde zijn naderhand door de Belgische wetgever opgenomen geweest in het Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

In België is het Koninklijk Besluit nr. 78 van 10 november 1967, samen met het voornoemd Koninklijk Besluit van 18 juni 1990, de voornaamste wetgeving die een verpleegkundige bij het beoefenen van zijn of haar beroep moet respecteren.

Geschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de verpleegkunde voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Florence Nightingale

Vrouwen werkzaam binnen de zorg gedurende de periode 1850-1966 werden verpleegster genoemd. De mannelijke variant is verpleger. De term duikt voor het eerst op in de negentiende eeuw. Tijdens deze periode neemt de medische wetenschap een grote vlucht. Tal van medisch ontdekkingen worden gedaan. Hiermee groeit het aantal ziekenhuizen en de vraag naar personeel om voor de patiënten te zorgen. Door het réveil en de opkomst van de vrouwenemancipatie nam de belangstelling van vrouwen uit voornamelijk de middenklasse voor de zorg toe. De eerste opleidingen verschenen. Florence Nightingale speelde hierbij een belangrijke rol.

Er werden aan een verpleegster specifieke - voornamelijk "moederlijke" - eisen gesteld: zelfopoffering, dienstbaarheid, gehoorzaamheid, toewijding, onderdanigheid (in het ziekenhuis vooral aan de man in de rol van arts) en trouw. Het is het beeld van de verpleegster als de verlengde arm van de arts. De verpleegster voert uit wat de arts voorschrijft. Naar de patiënt toe had zij de rol van "moeder". Tijdens een nachtdienst bleef zij bijvoorbeeld op de ziekenzaal om te waken, midden tussen de patiënten.

Een van de belangrijkste kenmerken van een verpleegster is dat zij haar werk deed vanuit een roeping. Dit in tegenstelling tot de verpleegkundige die het werken in de zorg ziet als een professie met een eigen deskundigheidsgebied.

Omdat vroeger de zorg voor een groot deel in handen lag van religieuzen wordt een verpleegster of verpleger nog steeds meestal aangesproken met zuster of broeder.