Zoutwinning

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Zoutwinning is het winnen van zouten, met name keukenzout. Dit gebeurt op plekken waar zout van nature voorkomt. Na de winning moet het zout meestal nog gezuiverd worden. Het klaarmaken voor dit zuiveren is ook een deel van de zoutwinning.

Er bestaan wereldwijd drie zoutwinningsmethoden: winning uit de bodem (bijvoorbeeld de zoutmijnen waar steenzouten en kalizouten worden gewonnen), het winnen van zeezout uit de zee en uit zouthoudende oppervlaktewateren.

Zout komt in de natuur voor in de grond als steenzout op plaatsen waar ooit binnenzeeën of randzeeën zijn opgedroogd. Het wordt daaruit al eeuwen gewonnen, bijvoorbeeld bij Salzburg, dat niet voor niets zo heet: Salz is het Duitse woord voor zout. Zeewater bestaat voor bijna 3,5% uit zout en het wordt daaruit gewonnen door verdamping van het water.

Traditionele zoutwinning
Zoutboortoren bij Twekkelo

Zout uit de zee[bewerken]

Om het zeezout uit de zee te halen, worden lage muurtjes langs de zee gebouwd. Achter de muurtjes liggen grote vierkante kuilen (bekkens of zoutpannen). De Romeinen hebben als eerste zoutpannen aangelegd. Langzaam stroomt het zeewater van het ene bekken naar het andere, van de grotere naar de kleinere. Zo legt het water ongeveer 60 kilometer af. De zon verhit het water steeds meer. Als het helemaal verdampt is, blijft het zout over. Hierna wordt het zout goed schoongemaakt.

Zoutpannen zijn alleen te vinden in streken met een gunstig klimaat, zoals Portugal (de stad Aveiro is bijvoorbeeld beroemd om zijn kwalitatief hoogwaardige zeezout) de Canarische Eilanden en Nederlandse eiland Bonaire. In Nederland en België laat het klimaat zoutwinning op deze manier niet toe.

Het winnen van zout uit zee is in het verleden in Zeeland wel toegepast. Hierbij werd het buitendijkse laagveen als brandstof gebruikt. Dit veen was uiteraard verzadigd met (zout) zeewater. Na drogen kon de gevormde turf eerst als brandstof gebruikt worden, daarna kon de as gebruikt worden als grondstof voor zout. De bijkomende zoutproductie werd echter snel de hoofdreden voor het stoken van deze turf. Het turfsteken, of darinkdelven, leidde tot verlies van de buitendijkse vooroever, waardoor in de late middeleeuwen en de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden veel dorpen en steden (Reimerswaal) tijdens stormvloeden "verdronken".

Zoutwinning in Nederland[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1946 over de zoutwinning bij Boekelo.

Op de plaatsen waar nu zout in de grond zit, was zo'n 200 miljoen jaar geleden een zee, de Zechsteinzee. De zee is verdwenen door de warmte van de zon waardoor het water is verdampt. Het zout bleef daarbij liggen op de bodem. Op die laag zout kwamen in de loop der tijd verschillende lagen grond en zand te liggen. Daardoor is het zout niet meer te zien. Daar zijn vele miljoenen jaren voor nodig geweest. Ook in Nederland zit zout in de grond, vlakbij de plaats Hengelo in de provincie Overijssel, bij Veendam in de provincie Groningen en in de Riedpolder rondom Sexbierum (Friesland). In Veendam en bij Hengelo wordt magnesiumzout gewonnen door Nedmag en keukenzout door AkzoNobel. In Harlingen staat een fabriek van Frisia Zout die het pekelwater uit de Riedpolder gebruikt om diverse soorten zout te maken (van hoogwaardig industrieel en medisch tot strooizout).

De eerste keer dat er zout werd ontdekt in Nederland was in 1886 in Delden. Men was daar op zoek naar schoner drinkwater en stuitte bij toeval op de zoutlagen. Tot dan kwam het zout vooral uit Duitsland, maar nadat door de Eerste Wereldoorlog de zoutimport moeilijk werd, besloot men om zelf in Nederland zout te winnen. Dit was echter pas in 1918 het geval. De klassieke toren, zoals ook op de afbeelding gezien kan worden, is vandaag de dag echter een industrieel monument. De eigenlijke winning gebeurt in zouthuisjes, die overal in het landschap te vinden zijn.

Zouthuisje bij Twekkelo

De methode om het zout uit de grond te halen is echter nauwelijks veranderd. Er worden in de grond buizen aangebracht die door de tussenliggende lagen steken en uitkomen in de zoutlaag. Door deze kilometers lange buizen wordt dan lauw water gepompt. Het zout lost in het lauwe water op en het ontstane pekelwater wordt weer door de buizen naar boven gepompt en naar de fabriek gevoerd, waar het water in kookketels wordt verdampt. Het zout blijft over maar moet nog gedroogd worden in een centrifuge.

In 2009 vindt zoutwinning plaats in Twente, Oost-Groningen en Noordwest-Friesland. Jaarlijks produceren drie bedrijven, dat zijn AkzoNobel, Frisia Zout en Nedmag, ongeveer 6,5 miljoen ton zout. De meest recente concessie, Barradeel in Friesland, is toegekend aan Frisia Zout in 1991. De diepte van zoutwinning varieert van 350 tot 3 000 meter. De belangrijkste concessies zijn "Twenthe Rijn" en "Adolf van Nassau" die tezamen ongeveer 80% van de productie verzorgen.[1]

Er zijn echter ook andere methoden gebruikt in de geschiedenis. Zo werd bij het Groningse Kommerzijl zout gewonnen uit zouthoudende veenlagen, die zich er binnen- en buitendijks onder een kleilaag bevonden, die daarvoor eerst moest worden weggegraven. Het klei werd in grote blokken ernaast gelegd en na het uitgraven van het veen weer teruggekanteld in het gat dat het veen had opengelaten. Het veen zelf werd te drogen gelegd en daarna in brand gestoken. Het zouthoudende as dat overbleef werd vervolgens opgelost in zeewater en dit mengsel werd daarop ingedampt in grote zoutketens (in een zoutziederij), waarop de zoutkristallen overbleven.

Zoutmijnen[bewerken]

Al sinds het midden van de bronstijd wordt steenzout gewonnen in zoutmijnen. Met name de Hallstatt-cultuur dolf in de buurt van Salzburg diepe schachten in de Kalkalpen. Vele vondsten getuigen van de lange geschiedenis van deze mijnen, waarvan sommige tot in de 18e eeuw gebruikt werden. De rijkdom van deze cultuur kan dan ook met enige waarschijnlijkheid aan zouthandel worden toegeschreven. Ook in Wieliczka gaat de historie van de zoutmijnbouw tot deze tijd terug en kent een vergelijkbaar continu gebruik.

Referenties[bewerken]

  1. Delfstoffen en aardwarmte in Nederland, jaarverslag 2008, Ministerie van EZ, blz 51