Anjou-bijbel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Christophoro di Orimina, detail van het linkerluik van de openingsdiptiek van de Anjou-Bijbel, afbeelding van Robert I

De zogenaamde Anjou-bijbel[1] of Bible Angevine, is een uitzonderlijk rijkelijk versierd handschrift, dat rond 1340 ontstond aan het hof van Robert van Napels, ook bekend als Robert I van Anjou. De bijbel bestaat uit 344 folia met twee volbladminiaturen en meer dan 80 kleinere miniaturen en gehistorieerde initialen. Het werk wordt beschouwd als een topstuk van de Italiaanse miniatuurkunst uit de veertiende eeuw.

Dit kostbare manuscript is in het bezit van de Belgische katholieke kerk, het wordt bewaard in de bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid (Maurits Sabbebibliotheek, Hs 1) van de Katholieke Universiteit Leuven. Op 10 maart 2008 werd het opgenomen in de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap.[2]

In de oudere literatuur wordt dit werk dikwijls de Malines Bible genoemd, verwijzend naar zijn vroegere bewaarplaats aan het Grootseminarie in Mechelen.

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

De bijbel meet 420 x 280 mm en bevat 344 geitenperkamenten folia.[3] De katernen bestaan uit vijf bifolia, maar er zijn enkele uitzonderingen. Het eerste is een later tussengevoegd bifolium dat iets kleiner is dan de andere, op de buitenzijde is het blanco gebleven en aan de binnenzijde zijn de inleidende volbladminiaturen geschilderd. Het tweede is een quaternion, origineel was het ook een quinion (een katern bestaande uit vijf bifolia) maar één bifolium is verwijderd. Het 19e katen is een quaternion en het 33ste een trinion (een katern bestaande uit drie bifolia) maar die zijn wel compleet.[4]

De Latijnse tekst is van de hand van één scribent,[3] Iannutius de Matrice, zoals hij dit zelf schreef in de colofon op f312r:[5] Qui sripsit scribat semper cum domino vivat. Ianuttius de matrice incepit, mediavit et finivit hoc opus.[6] Het tekstblok meet ca. 265 x 175 mm en is geschreven in twee kolommen van 265 x 80 mm. De tekst is geschreven met zwarte inkt in een Italiaanse gotische letter. De rubrieken zijn in het rood geschreven.[4]

De Anjou bijbel bevat bijna de volledige tekst van de Vulgaat van Hiëronymus met zowel het Oude Testament (folia 5r tot 248v) als het Nieuwe Testament (folia 249r tot 312v) en een sectie met een verklaring van de gebruikte Hebreeuwse namen (folia 313r tot 340v). Deze laatste sectie werd geschreven in drie kolommen van elk 60 mm breed.[4]

Omdat de binding van het begin van de twintigste eeuw te strak was en beschadiging van het perkament en de verluchting veroorzaakte werd in mei 2008 gestart met een project om het handschrift te conserveren waarmee bedoeld wordt dat de huidige toestand zoveel mogelijk geconsolideerd wordt bijvoorbeeld door het stabiliseren van inkt- en verflagen. In het kader hiervan was een groot deel van het uit elkaar gehaalde handschrift te bewonderen van 17 september tot 5 december 2010 in het M te Leuven.

Christophoro di Orimina , rechterluik van de openingsdiptiek van de Anjou bijbel

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De Anjou bijbel werd zo goed als zeker gemaakt in opdracht van Robert I van Anjou als een geschenk voor Andreas van Hongarije ter gelegenheid van diens huwelijk met zijn kleindochter Joanna in 1342. Andreas van Hongarije was een kleinzoon van Roberts broer Karel Martel van Anjou. Robert was in 1297 door zijn vader Karel II van Napels aangesteld als opvolger, na, de dood van zijn oudste broer Karel Martel in 1295. Die laatste had zelf ook een zoon, die dus de aangewezen opvolger zou geweest zijn, namelijk Karel I van Hongarije (meestal Charles Robert of Carobert genoemd in de literatuur) de vader van Andreas. Bij de verloving in 1333 waren Joanna en Andreas respectievelijk zeven en zes jaar oud, het huwelijk werd gesloten in het voorjaar van 1342. Het huwelijksakkoord voorzag dat Andreas en Joanna koning zouden worden maar in zijn testament opgesteld op 16 januari 1343, besluit Robert om de koningstitel te reserveren voor zijn kleindochter. Joanna werd in augustus 1344 alleen tot koningin gekroond in de Santa Chiara in Rome. Andreas werd vermoord in september 1345 voor hij ook tot koning kon gekroond worden. Of Joanna opdracht tot de moord gaf kon nooit aangetoond worden.[7]

Sommige kunsthistorici menen dat de bestemmeling van de bijbel Nicolo d’Alifio was, een adviseur van Robert en Joanna wiens wapens doorheen de bijbel frequent voorkomen, maar onderzoek met ultraviolet fotografie toonde aan dat de oorspronkelijke wapens van Andreas van Hongarije later werden overschilderd met die van d’Alifio.[8] De bijbel kwam wel in het bezit van Nicolo d’Alifio waarschijnlijk als een geschenk van koningin Joanna[7] of omdat zij het handschrift in Napels achterliet toen ze in 1345 naar Frankrijk vluchtte. Een expliciete vermelding van deze Nicolo is te vinden op f308r in de tekst rondom de miniatuur geschilderd, namelijk: Hec est Blibia (sic) magistri Nicolai de Alifio doctor quam illuminavit de pincello Christophorus Orimina de Neapoli.[9][10]

Wat er met het handschrift gebeurde nadat het in het bezit was gekomen van d’Alifio is niet gedocumenteerd, maar het is voor het eerst terug te vinden in een inventaris uit 1402 van de boeken van Jean de France, duc de Berry. In een inventaris van 1413 wordt het boek opnieuw beschreven en wordt er expliciet gezegd dat het door Louis d'Orléans was (terug)gegeven aan de hertog van Berry op de 18e dag van augustus van het jaar 1407, dus slechts een paar maand voor dat Louis vermoord werd. In 1416 wordt het werk opnieuw beschreven in een inventaris en wordt er ook een geschatte waarde van 250 livres tournois aan de omschrijving toegevoegd. Het boek maakte in de inventaris deel uit van een lijst van bezittingen die de hertog testamentair had voorbehouden voor de erven van Jean de Montaigu. Avril besluit hieruit dat het werk vóór het in het bezit kwam van Jean de Berry, eigendom kan zijn geweest van de grootmeester van de koning, Jean de Montaigu, die in 1409 werd onthoofd. Een document uit 1418 leert ons dat die voor de erven Montaingu gereserveerde stukken in opdracht van Karel VI werden geveild op 18 maart 1418. De Anjou-bijbel werd toen verkocht voor 125 livres tournois aan Galiache Pinel, een koopman, een stuk beneden de geschatte waarde van 1416.

Daarna kwam het handschrift terecht bij Nicolaas le Ruistre (of Ruterius in de Latijnse vorm), bisschop van Atrecht en kanselier aan de universiteit van Leuven. Via hem kwam de bijbel terecht in het Atrechtcollege te Leuven omstreeks het begin van de zestiende eeuw. Een eerste referentie was er in 1547 toen de Anjou-bijbel werd opgenomen in een lijst van gedrukte en handgeschreven Bijbels die gebruikt waren bij de opstelling van de tekst van de Leuvense Bijbel.[7]

Na de opheffing van de universiteit door de Franse bezetter in 1797 wordt de Anjou-bijbel blijkbaar overgebracht naar het grootseminarie in Mechelen. Hij wordt daar vanaf 1821[11] vermeld in de catalogi. Sinds 1969[11] werd het manuscript in bewaring gegeven aan de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid aan de K.U.Leuven.

Bas de page uit de Anjou-bijbel.

Verluchting[bewerken | brontekst bewerken]

In de verluchting worden drie kunstenaars onderkend. Een van hen, wiens naam te vinden is op f309r[12] is de bekende Napolitaanse verluchter Christophorus di Orimina. Naast zijn werk aan de Anjou-Bijbel is Orimina bekend voor meer dan 40 handschriften waaraan hij zou meegewerkt hebben in de periode van 1335 tot in de vroege jaren 1360. Zijn grote productie wijst erop dat hij met een atelier werkte, maar desondanks is de kwaliteit consistent hoog en homogeen. Dat zou dan weer betekenen dat hij de meeste miniaturen zelf afwerkte.[13]

Het handschrift werd verlucht onder zijn leiding door hem en zijn atelier. Hij schilderde onder meer de twee volbladminiaturen in het begin van het werk die het boek als het ware met een diptiek openen.[3][10] Een tweede illuminator is verantwoordelijk voor de overige margeversieringen, de gehistorieerde initialen en de kleine miniaturen.[3] De derde verluchter was verantwoordelijk voor de aanpassingen aan de verluchting toen het handschrift in het bezit was gekomen van d’Alifio. Hij schilderde onder meer de fantasie vogels met lange nek en staart in zachte pastelkleuren die veelvuldig in de marges zijn terug te vinden om reparaties aan het perkament te verbergen.[3]

Het perkament was niet van de allerbeste kwaliteit en de dikteverschillen in één folium waren soms groot wat hier en daar aanleiding gaf tot diepe plooien aan de randen. Het overtollige perkament werd dan weggesneden en de snijkanten terug aan elkaar geplakt om zo een vlak blad te verkrijgen. Het zijn deze herstellingen die met randversiering werden gecamoufleerd.[14]

Het handschrift begint met twee bladgrote tegenover elkaar geplaatste miniaturen.[15] De rest van het boek bevat kleine miniaturen geschilderd in de tekst en gehistorieerde initialen. Die initialen variëren in grootte van 6 lijnen tot meer dan de helft van het tekstblok. De gehistorieerde initialen of de kleine miniaturen worden gebruikt om het begin van een Bijbelboek aan te duiden. In het Oude Testament zijn ze meestal 16 à 17 lijnen hoog, in het Nieuwe Testament gaat het tussen 16 en 43 lijnen.[4] Er zijn ook een paar kleinere gehistorieerde initialen van 6 à 10 lijnen hoog die gebruikt worden om bijvoorbeeld een proloog of een hoofdstuk aan te merken. De miniaturen en de gehistorieerde initialen tonen beelden in verband met de tekst. De hoofdstukken in de Bijbelboeken beginnen met een versierde initiaal van 2 lijnen hoog die in kleur geschilderd zijn op een achtergrond van gepolierd goud. Het nummer van de hoofdstukken wordt bovendien aangegeven in Romeinse getallen in de marge of op het einde van de lijn (zie bv. f17r).

De versiering van de marges heeft niets met de tekst te maken. De pagina’s tonen versieringen met bloemenmotieven, acanthus, grotesken, fantasiedieren, goudvinken, pauwen, muzikanten, gezichten, acrobaten, gevleugelde putti’s, scènes met gevechten, jachtscènes, scènes uit het hofleven en afbeeldingen van de koninklijke familie.

Politieke boodschap[bewerken | brontekst bewerken]

Het is duidelijk dat Robert van Anjou met zijn bijbel een politiek statement wou maken. De twee openingsminiaturen illustreren dit. Op de eerste zien we de getroonde Robert uitgedost zoals een Byzantijnse keizer, geflankeerd door de personificatie van de acht deugden die de acht ondeugden verslaan en in de afgrond storten. Hij heeft zichzelf laten betitelen als de rex expertus in omnia scientia (de koning deskundige in alle wetenschappen). Op de rechterminiatuur heeft hij een stamboom in beeldtaal laten schilderen om de grootheid van zijn geslacht te benadrukken. Bovenaan zien we Karel I en zijn echtgenote Beatrix van Provence, de grondlegger van de dynastie. Hij is omringd door zijn baronnen en geknield aan zijn voeten zit zijn opvolger de toekomstige Karel II. In het middelste deel zijn Karel II en Maria van Hongarije afgebeeld. Naast Maria zijn een aantal jonge meisjes afgebeeld en naast Karel II zien we Karel Martel, zijn oudste zoon en een bisschop met een Nimbus, de heilige Lodewijk van Toulouse zijn tweede zoon. Daarnaast staat nog een personage in koninklijk gewaad met twee meisjes geknield aan zijn voeten. Dit is Robert I van Anjou met zijn twee kleindochters, Joanna die hem zal opvolgen en haar zus Maria. Onderaan in het derde deel van de miniatuur, vinden we Robert I van Anjou en zijn echtgenote Sancha van Majorca. Links van de koningin bevindt zich Maria van Valois, de hertogin van Calabrië met haar twee dochters Jeanne en Maria. Naast Robert zien we zijn zoon Karel van Calabrië. Deze miniatuur illustreert de opvolging binnen het Angevijnse huis en maakt het duidelijk dat Robert voor de opvolging van zijn overleden zoon zijn kleindochter Jeanne had gekozen.[16]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Illuminated Naples Bible van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.